IÓ2 AMAUA VAN SOLMS EN MAR!A STUART.
van dien kleinzoon, wiens verheffing tot den rang zijnervaderen het groote streven van haren ouderdom is ge-worden ?
Hoe Amalia's eigen opvatting het geheel stempelde, blijktook uit bewaard gebleven brieven van den schilder Jordaens.Hem was voorgeschreven om in de wolken boven dezegekar van den prins den dood af te beelden strijdendemet de faam, die den roem des vereeuwigden veldheerswil uitbazuinen. Dat brengen van het afzichtelijke beeldvan den dood in het tafereel van een triurnf, waarin nietsdan opgetogenheid heerschte, beleedigde des schilderskunstgevoel. Hij had daarenboven reeds op eene anderein de zaal aanwezige schilderij dien zelfden dood, ditmaalstrijdende met den nijd moeten voorstellen. „Aen de doot",schrijft hij, „eens in een ander stuck haer effect gedaen„hebbende, behoort in dit stuck der Triumphe niet meer„en gedacht te worden." Maar hierin stuitte hij op de ziens-wijze van Amalia zelve. Zij was geene teerhartige, weekevrouw, die het hoofd afwendde van de voorstelling vanden koning der verschrikking. Juist omdat de Oranjezaaleen mausoleum was, meende zij, paste daarin, zelfs bijherhaling, het beeld van den grooten verdelger met zijnezeis. Zelfs op de schilderij van Honthorst, waar de prinseszich met hare vier dochters in al haren luister vertoont, ineen bij uitstek prachtig met paarlen en edelgesteenten ver-sierd gewaad, zittende op eene soort van troon, terwijl eenglans van vorstelijke waardigheid van haar uitgaat, moestop den achtergrond een duister, afschuwwekkend spookse