AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
159
Als ick met zege keereEn Spanje dwingh tot vre,
Zingt Gode prijs en eere,
Die voor ons vesten stre.
Ick zie reeds onder 't vechtenDe maeghden mijn banierOntmoeten en mij vlechtenDe lofkrans van laurier.
Onder den doorzichtigen sluier der allegorie wordendan verder in eene reeks van tafereeien de hoofdmomenteriuit 's prinsen ieven afgebeeld: zijne geboorte, waarbij Louisede Coligny wordt voorgesteld haren zoon opdragende aanPailas Athene: Frederik Hendrik, a!s zeevoogd uit dehanden van Neptunus de toornen ontvangend der paarden,die den schelpwagen van den god der zee voorttrekken:het huwelijk van Willem II, waarbij men den jeugdigenprins met zijne bruid onder Hymen's geleide aan denNederlandschen oever ziet landen, en daar door riviergodenverwelkomd worden. Maar het middelpunt, dat telkens wederde oogen tot zich trekt, blijft Jordaens kolossale schilderij,die al het overige beheerscht: Frederik Hendriks zegepraal.Dit geheele stuk straalt in glans van licht en kleur. Vooropkomen vier witte, warmgetinte paarden in levendige be-weging, de koppen der twee middelste naar binnen, dieder twee andere naar buiten gekeerd, alle vier de rechter-voorpooten in gelijke beweging opgeheven; zij stappenhaast recht op den toeschouwer aan. Hun blanke massa