3 °
JULIANA VAN STOLBERG.
„steden genomen heeft en ook in Zeeland groote afbreuk„doet. Ik kan mij denken, dat mijn Heer met groote zorg„en moeite is bezwaard, en dat bedroeft mij, want wanneer„het mijnen Heer anders dan gelukkig en goed gaat, doet„mij dat van harte leed, en zoo ais gij schrijft is het wei„te denken, dat het, menschelijkerwijs gesproken, op den„duur zonder huip en bijstand te zwaar moet vailen om„zoo groote overmacht te wederstaan. Maar mijn Heer„vergete niet, hoe de almachtige God reeds uit zoo velerlei„gevaren heeft gered. Hij helpt altijd en zal mijn Heer en„allen, die hun vertrouwen op Hem stellen, niet verlaten.„Ik bid Hem dus, mijn Heer de genade te bewijzen, dat„hij onder zijn veelvuldig kruis niet kleinmoedig worde,„maar Gods hulp geduldig afwachte en naar geene middelen„grijpe strijdig met Gods woord en bevel en daardoor„schadelijk voor uwer ziele zaligheid. Laat u toch niet be-driegen door goede woorden, want de wereld is listig . . .„De Heer moge uw opperste raadgever zijn en geve u,„steeds het Eeuwige meer te achten dan het tijdelijke."
Misschien was het onder den indruk van het schrijvenzijner moeder, dat de Prins op het oogenblik, dat het voort-duren van den krijg ook de moedigsten moedeloos maakteen dat men van hem eischte, dat hij de mogendheid zoudenoemen, wier bondgenootschap hem deed volharden enalle vredesaanbiedingen afslaan, het beroemde antwoordgaf: „Weet, dat aleer wij oit dese saké en de bescher-„menisse der Christenen en andere verdrukten in desen„lande aangevangen hebben, wij metten alderoppersten