JULIANA VAN STOLBERG.
27
„uit het schouderblad genomen had; hij kon den arm echter,,wel bewegen. Maar die man had ook gezegd, dat hij hem„niet aan zijn gezicht had kunnen herkennen; maar aan„zijne spraak en aan zijne handen. Zoo heb ik nu nog eenige„hoop, die mij staande houdt; maar toch ook grooten„angst, dat hij eenen verkeerde voor mijnen zoon heeft„aangezien. Van mijnen broeder Christoffei en van mijnen„lieven zoon Hendrik wist hij niets. Nu — het zij daar-„mede zooals het den Heer behaagt. Ik kan den Almachtige„slechts bidden om geduld en dat Hij in Zijne goddelijke,,Genade alles zoo wil leiden, dat mijn Heer en wij allen„in eeuwigheid niet van Hem gescheiden worden.
„Ik heb met een bezwaard gemoed vernomen," gaat zijvoort, „dat het krijgsvolk met vloeken en anderszins zulk„een goddeloos leven leidt, en ik vrees dat Gods toorn„over de gansche Christenheid zal komen, want wat men„ziet en hoort, het is alles ijdel en zondig en goddeloos.„Goddelijke en broederlijke liefde beide zijn bij de meeste„menschen uitgebluscht en niemand onzer, die zich ten„goede keert. Dat is altijd een zeker teeken geweest, dat„Gods straffende hand niet zal uitblijven. Maar toch, Hij„zal hen, die hun troost en hoop alleen op Hem zetten,„onder straf en kruis niet laten vergaan, doch ze wonder-baar uitredden en ze aanzien met de oogen Zijner godde-lijke barmhartigheid, waarmede Hij Petrus, die hem toch„driemaal verloochend had, heeft aangezien en bewogen„tot berouw en leed over zijne zonden en hem den troost„der opstanding deelachtig gemaakt. De lieve God zal zich