2Ó
JULIANA VAN STOLBERG.
gesmoord en onder hen Juhana's beide zonen. Hunne lijkenwerden niet teruggevonden en tegen alle hoop in bleef demoeder nog hopen: waren zij misschien slechts gewondof gevangen? Zoude zij ze nog terugzien?
In die folterende onzekerheid schreef zij den Prins; eerst,als ware haar eigen leed niet het voornaamste, met eenwoord van dank voor eene nieuwe zegepraal ter zee; maardan volgt toch dadelijk de mededeeling, dat zij met ver-langen had uitgezien naar eenig schrijven: „in de hoop„van zekere tijding te ontvangen van mijne lieve zonen.„Maar ik begrijp wel, dat mijn Heer niets zekers van hen„weet, wat mij zeer bekommerd maakt. Waarlijk ik ben„wel eene ongelukkige oude vrouw, die niet van hare droef-heid kan worden verlost, eer God mij in Zijne Genade„uit dit jammerdal tot zich neemt, wat ik ook van harte„begeer, Hem biddende, dat Hij het spoedig doen moge.„Mijn Heer schrijft mij, dat zonder Gods wil niets ge-schieden kan, dat wij dus geduldig moeten dragen wat„de Heer ons oplegt: dat weet ik wel; maar menschen„blijven menschen en zonder den bijstand Zijner Genade„kunnen wij dat niet doen. Moge Hij niet van ons laten en„ons Zijnen Heiligen Geest schenken om ons te leeren al„Zijne beproevingen in ootmoed te dragen en ons troosten„in Zijne barmhartigheid. — Mij is gezegd, dat mijne„zonen nog in leven zijn en voor nog geen drie dagen„heb ik gehoord van iemand, die mijnen lieven zoon, graaf„Lodewijk, gezien had. Hij had een schot in den rechter-„arm gekregen, heel van boven, zoodat men hem een been