Druckschrift 
2 (1911)
Entstehung
Seite
26
Einzelbild herunterladen
 

JULIANA VAN STOLBERG.

gesmoord en onder hen Juhana's beide zonen. Hunne lijkenwerden niet teruggevonden en tegen alle hoop in bleef demoeder nog hopen: waren zij misschien slechts gewondof gevangen? Zoude zij ze nog terugzien?

In die folterende onzekerheid schreef zij den Prins; eerst,als ware haar eigen leed niet het voornaamste, met eenwoord van dank voor eene nieuwe zegepraal ter zee; maardan volgt toch dadelijk de mededeeling, dat zij met ver-langen had uitgezien naar eenig schrijven:in de hoopvan zekere tijding te ontvangen van mijne lieve zonen.Maar ik begrijp wel, dat mijn Heer niets zekers van henweet, wat mij zeer bekommerd maakt. Waarlijk ik benwel eene ongelukkige oude vrouw, die niet van hare droef-heid kan worden verlost, eer God mij in Zijne Genadeuit dit jammerdal tot zich neemt, wat ik ook van hartebegeer, Hem biddende, dat Hij het spoedig doen moge.Mijn Heer schrijft mij, dat zonder Gods wil niets ge-schieden kan, dat wij dus geduldig moeten dragen watde Heer ons oplegt: dat weet ik wel; maar menschenblijven menschen en zonder den bijstand Zijner Genadekunnen wij dat niet doen. Moge Hij niet van ons laten enons Zijnen Heiligen Geest schenken om ons te leeren alZijne beproevingen in ootmoed te dragen en ons troostenin Zijne barmhartigheid. Mij is gezegd, dat mijnezonen nog in leven zijn en voor nog geen drie dagenheb ik gehoord van iemand, die mijnen lieven zoon, graafLodewijk, gezien had. Hij had een schot in den rechter-arm gekregen, heel van boven, zoodat men hem een been