JUUANA VAN STOLBERG.
17
Dient den tyran van Spangiën,
Of voight, om hem te wederstaen,
Den Prince van Orangiën,
zingt een Geuzenlied uit die dagen en sommigen waagdenhet, heimelijk naar Diilenburg te gaan en den Prins tezeggen, wat het volk nog aitijd van hem bleef verwachten.Nog wijst men in de nabijheid van het siot eene oude lindeaan, waar Prins WiHem gehoor verleende aan een hunnerdeputaties, wier aandringen bewees, dat thans niet enkei meerhij het was, die beschermend de handen uitstrekte overhet volk, maar dat ook het volk smeekend opzag naarden Prins, in de hoop, dat hij, de herder, niet slapen zou,maar de arme verstrooide schapen zoude blijven hoedengelijk het Wilhelmuslied in zijnen naam had beloofd.
Doch niet dadelijk gaf de Prins aan zoo veler aandringengehoor. Het was hem wel ernst geweest met de verklaringin het Wilhelmuslied:
Niet doet my meer erbarmenIn mynen wederspoet,
Dan dat men siet verarmenDes conincks Landen goet.
Dat u de Spangiaerts krencken,
O, edel Neerlandt soet!
Als ick daeraen ghedencke,
Myn edel hert dat bloet.