287
1498 Mei 22. fo. 150.
De zaak tusschen Joryen van Lenep en Jacob Priester is uitgesteld tot den volgen-den richtdag.
1498 Sept. 25. i'o. 160 vso.
Jorien van Lenep en Jacob Priester geschil hebbende over zes schepelzaadlands. ge-legen aan de Sonnendachacker en over een heislag gelegen naast erve Reyners van Aeswijn, vanwelke 2 perceelen Jacob vd. zich '/} deel wil aanmatigen, zoo verklaren Jorien en Jacob thansvoor het gericht de zaak zoodanig geschikt te hebben, dat Jorien aan Jacob betalen zal eenhalve gouden Rijnsche gulden en dat Jacob daarvoor zijn aanspraak overgeeft aan Jorien „inbehoiff Heylkens van Syck synre huysfrouwen moeder."
1500 Juli 21. fo. 189.
Jorien van Lenep voor zich en als gemachtigde van Arnt Lu eb en heeft peindinggedaan op een deel ossen toebehoorende Bernt Duycker, wegens achterstallige rente.
1500 Oct. 6. fo. 189 vso.
Jorien van Lenep peint Claes Bruinerdinck geheeten Klute voor 3 gouden gulden.1501. Maart 23. fol. 199. In vorenbedoelde zaak wordt uitstel verleend.
1501. Aug. 20. fo. 204 vso. De gemachtigde van de weduwe van Claes Kluyte en Jorien vanLenep zijn „guet-lickengescheyden" in hun rechtzaak; de wed. zal aan Jorien 50 gouden gl.geven en daarvoor zal Jorien haar overleveren de rentebrieven, welke hij in zijn bezit heeft.
GERtCIITSBOEK, 1518—1535.
1526. Jan. 30. fo. 121. Evert van Lenep wordt vermeld als drost tot Elten.
1532. Mei 7. fo. 252. Johanna nagelaten weduwe van Jorys van Lenep zaliger, dient eenklacht in tegen twee schaapherder-, die hun schapen geweid hebben in haar weidje gelegen totVynckwynck en eischt schadevergoeding; de herders erkennen schuld.
PROTOCOLLEN VAN BEZWAAR VAN HET AMBT BERGH.
Dl. 1637/44. 1637 Juni 14. Carl van Lennep lieutenant te Emmerich vermeld als ge-
richtsman van het Ambt Bergh.
1639 Febr. 12. De erentfeste Elbert van Lennep gemachtigde van Jan van Ratingen,burger te Arnhem, en Hilleken Kreyefengers, diens vrouw.