INLEIDING.
De bronnen van deze verzameling zijn, behalve enkele oorkonden, de Schrijnskaarten enSchrijnsboeken, welke tot het kostbaarste bezit behooren van het Historisch Archief van de StadKeulen.
In het geheel van dit bezit zijn in den loop der tijden wel eenige leemten ontstaan; ook detand des tijds heeft aan vele der oorkonden geknaagd. Maar juist voor den tijd van hun ontstaan,de 12^ eeuw, is nog een groot aantal schrijnskaarten behouden gebleven, ja zelfs bijna volledigbehouden voor de schrijnswijk Martin, welke genoemd is naar de kerk Klein St. Martin, (niet naarhet klooster Groot St. Martin, welke tot de wijk St. Brigida behoorde); voor dit oorkondenboekkwam deze wijk voornamelijk in aanmerking.
In deze schrijnskaarten en boeken, welke zoo genoemd zijn, omdat zij bewaard werden inschrijnen, werden de vervreemdingen, verdeelingen en belastingen van het grondbezit (in de stadmeestal van huizen) ambtelijk ingeschreven. In de Keulsche Rijn-voorstad, den zetel van denhandel, en in de daaraan grenzende wijken van de oude stad kwam het eerst de gewoonte vanhet opmaken van dergelijke akten op en wel omstreeks 1130; immers het recht van beschikkingover en de mobielverklaring van grond, erf, grondrente enz. kwam aan de behoeften van denkoophandel tegemoet. De oudste kaarten doen zien, hoe zich langzamerhand het gebruik van hetvervreemden en belasten van het onroerend vermogen doorzette en mogelijk werd. Vrijwillig konmen gebruik maken van de diensten van z. g. schrijnsbeambten en van de door hen gegevenvrijwaring voor het bezit. Naast de schrijnsgoederen bestonden er nog in den tijd volgende opde middeleeuwen z. g. briefgoederen, waarvan de vervreemding of belasting geschiedde eenvoudig'door oorkonden of brieven. Was echter een briefgoed eenmaal in den schrijn opgenomen, danmoest het ook daarin blijven.
De oudste inschrijvingen in den schrijn waren hoogst eenvoudig: een paar huisnamen enenkele straatnamen geven aanknoopingspunten. Des te meer valt echter bij het nazien van dekaarten van de 12^ eeuw de verscheidenheid op in de voornamen, die voor het Germaansche naam-onderzoek een zeer gewenschte bron zijn. Achternamen worden er betrekkelijk weinig aange-troffen; bij nader onderzoek kan vastgesteld worden, dat de geslachtsnamen nog tot in de 14^ eeuwveelvuldig wisselen, en, dat zij om de meest verschillende oorzaken veranderd worden.
Voor geslachten, die destijds reeds in Keulen grondbezit hadden, kan men, voor een zekertijdperk een betrouwbaren stamboom samenstellen, waarvoor andere bronnen slechts in zeer be-perkte mate aanwezig zijn, maar, juist de verandering van den geslachtsnaam, bijna in iederegeneratie, maakt een dergelijke opstelling moeilijk.
In hoeverre de Keulsche takken van het geslacht van Lennep (Linep, Linnef), welker onder-ling verband door het onderwerpelijke oorkondenboek vastgesteld wordt, dezelfde oorsprong hebbenals het thans nog in Nederland bloeiende oeradellijke geslacht van Lennep, is door de thans ge-drukte Keulsche oorkonden nog niet opgehelderd, nog daargelaten de mogelijkheid van bastaard-afstamming.