VERZAMELING VAN OORKONDEN BETREKKING HEBBENDE OP HET GESLACHT VAN LENNEP DEEL III DE SCHRIJNSOORKONDEN VAN KEULEN BEWERKT DOOR PROF. DR. H. KEUSSEN ARCHIVARIS VAM HET HISTORISCH ARCHIEF VAN DE STAD KEULEN NIET IN DEN HANDEL BONN, UNIVERSITEITS DRUKKERIJ 1 9 2 7 WOORD VOORAF. Een ieder, die eenigszins bekend is met de groote moeilijkheden, die overwonnen moesten worden, om de hierna volgende oude oorkonden te vinden, te rangschikken en voor den druk gereed te maken weet, dat er slechts weinig geleerden gevonden worden, die daartoe in staat zijn. Toen dan ook de zoo bij uitstek bevoegde en hooggeleerde Heer Professor Dr. Keussen, Archivaris van het Historisch Archief van de Stad Keulen, zich bereid verklaarde deze uitgave op zich te nemen, namen wij met de allergrootste dankbaarheid zijn vriendelijk aanbod aan, immers, wie zoude er gevonden kunnen worden, beter dan hij, voor deze zware taak berekend ? Vol bewondering voor de energie en de geestdrift, waarmede Professor Keussen zijn werk heeft ondernomen, en verheugd over het feit, dat hij ook de kracht heeft gevonden het te voleindigen, bevelen wij ons in zijn blijvende vriendschap aan. Vorden, Maart 1927. F. K. van Lennep. . / INLEIDING. De bronnen van deze verzameling zijn, behalve enkele oorkonden, de Schrijnskaarten en Schrijnsboeken, welke tot het kostbaarste bezit behooren van het Historisch Archief van de Stad Keulen. In het geheel van dit bezit zijn in den loop der tijden wel eenige leemten ontstaan; ook de tand des tijds heeft aan vele der oorkonden geknaagd. Maar juist voor den tijd van hun ontstaan, de 12^ eeuw, is nog een groot aantal schrijnskaarten behouden gebleven, ja zelfs bijna volledig behouden voor de schrijnswijk Martin, welke genoemd is naar de kerk Klein St. Martin, (niet naar het klooster Groot St. Martin, welke tot de wijk St. Brigida behoorde); voor dit oorkondenboek kwam deze wijk voornamelijk in aanmerking. In deze schrijnskaarten en boeken, welke zoo genoemd zijn, omdat zij bewaard werden in schrijnen, werden de vervreemdingen, verdeelingen en belastingen van het grondbezit (in de stad meestal van huizen) ambtelijk ingeschreven. In de Keulsche Rijn-voorstad, den zetel van den handel, en in de daaraan grenzende wijken van de oude stad kwam het eerst de gewoonte van het opmaken van dergelijke akten op en wel omstreeks 1130; immers het recht van beschikking over en de mobielverklaring van grond, erf, grondrente enz. kwam aan de behoeften van den koophandel tegemoet. De oudste kaarten doen zien, hoe zich langzamerhand het gebruik van het vervreemden en belasten van het onroerend vermogen doorzette en mogelijk werd. Vrijwillig kon men gebruik maken van de diensten van z. g. schrijnsbeambten en van de door hen gegeven vrijwaring voor het bezit. Naast de schrijnsgoederen bestonden er nog in den tijd volgende op de middeleeuwen z. g. briefgoederen, waarvan de vervreemding of belasting geschiedde eenvoudig' door oorkonden of brieven. Was echter een briefgoed eenmaal in den schrijn opgenomen, dan moest het ook daarin blijven. De oudste inschrijvingen in den schrijn waren hoogst eenvoudig: een paar huisnamen en enkele straatnamen geven aanknoopingspunten. Des te meer valt echter bij het nazien van de kaarten van de 12^ eeuw de verscheidenheid op in de voornamen, die voor het Germaansche naam- onderzoek een zeer gewenschte bron zijn. Achternamen worden er betrekkelijk weinig aangetroffen; bij nader onderzoek kan vastgesteld worden, dat de geslachtsnamen nog tot in de 14^ eeuw veelvuldig wisselen, en, dat zij om de meest verschillende oorzaken veranderd worden. Voor geslachten, die destijds reeds in Keulen grondbezit hadden, kan men, voor een zeker tijdperk een betrouwbaren stamboom samenstellen, waarvoor andere bronnen slechts in zeer beperkte mate aanwezig zijn, maar, juist de verandering van den geslachtsnaam, bijna in iedere generatie, maakt een dergelijke opstelling moeilijk. In hoeverre de Keulsche takken van het geslacht van Lennep (Linep, Linnef), welker onderling verband door het onderwerpelijke oorkondenboek vastgesteld wordt, dezelfde oorsprong hebben als het thans nog in Nederland bloeiende oeradellijke geslacht van Lennep, is door de thans gedrukte Keulsche oorkonden nog niet opgehelderd, nog daargelaten de mogelijkheid van bastaard- afstamming. Ei VIII INLEIDING De stamvader van de Keulsche hoofdlinie is Hildebrand de Linep, die in de grondbelasting- lijsten van St. Martin tweemaal wordt genoemd naast Eilbrecht en Reginzo de Linep, welke echter niet in nader verband tot elkander kunnen worden gebracht. Heinr. von Loesch (Die Kölner Kaufmannsgilde im 12^" jahrhundert, 1904, pag. 27 vlg.) bewijst, dat de door Hoeniger uitgegeven, door hem zoogenoemde Grootburgerlijsten, hoogstwaarschijnlijk als grondbelastinglijsten van het kerspel St. Martin beschouwd moeten worden. De daarop voorkomende Hildebrand is overeenkomstig het gebruik van de middeleeuwsche naamgeving, als grootvader van den Hildebrand, die met Uda Rufa, dochter van Lodewijk van de Mühlengasse, getrouwd was, te beschouwen. Diens stam kan men door de hier achter volgende oorkonden, tot in bijzonderheden nagaan. Een van Hildebrands zonen wordt Johan van Rodenburg genoemd, terwijl de meest bekende zoon de Doctor decretorum, Lodewijk de Wijze (Sapiens) is, welke naar zijn moeder Lodewijk van de Mühlengasse heet. Deze Dr. Lodewijk van de Mühlengasse had Jutta van Undurtens tot vrouw; naar haar heet hun zoon Johan van Undurtens, een knaap, (armiger), die nog in 1338 leefde. Een derde zoon van Hildebrand heet Gotschalk, wiens zoon Johan van Rodenburg slechts twee dochters nalaat. Van eenige afstamming van den vierden zoon Hartlivus, die met Mathildis getrouwd was, vinden wij niets. Twee stamtafels zijn op pag. 88—90 afgedrukt. Een verkorte stamboom heeft F. Lau in de „Mitteilungen aus dem Stadtarchiv von Köln" 26 (1896) pag. 129, gepubliceerd. Keulen, Maart 1927. Prof. Dr. H. Keussen. 1. c. 1142—1156. Notum sit, quod Mathildis de Linnefe paravit sibi et hlio suo Heinrico domum suam inter hastatores sitam, ut ea vivente secum fruatur, post mortem eius libere utatur, si ambo moriantur, ad heredes eorum respiciat. ln[de] ded[it] t[estimonium], Schreinskarte Martin 2 II 44. — Gedr.: Hoeniger, Kölner Schreinsurkunden I p. 31. — Vg). Hiliiger, Die Urbare von S. Pantaleon in Köin p. S2 en 111: XVIII ka), ian. Maximini presbyteri. 15 Dec. (13 *) f Heinricus iaicus, pro quo de domo inter hastarios sot- vuntur 8 s., quos camerarius recipit. XVII 14. Item XVIII kal. ianuarii anniversarius est cuiusdam Heinrici iaici, pro quo de domo inter Hastarios Sifridus de Lintgazze in festo sancti Severini soivit 4 s. et in festo sancti Georgii tantumdem, tali conditione ut quicquid in ipsa domo reparandum est, de sumptu suo faciat quod scriptum in karta officiaiium sancte Brigide invenitur. 2. 1165/69. Notum sit tam futuris quam presentibus, quod Tietleicus et uxor sua Gertrudis emerunt sibi et heredibus suis domum et aream inter hastatores iuxta domum suam positam erga Mathildim de Lennefe et fihum suam Heinricum et heredes eorum. Fact. etc. Schreinskarte Martin 4 IV 22. — Gedr.: Hoeniger, Kötner Schreinsurkunden I p. 73. 3. 1172—78. Notum sit tam futuris quam presentibus, quod Gertrudis legavit marito suoFri- derico (de Lennepe) domum suam eo modo, si ipse ex ea prolem genuerit, illius sit hereditas, sin autem alterum supervixerit, habeat libertatem commutandi et divertendi eam, quo voluerit. Fact. etc. Schreinskarte Martin 8 II 18. — Gedr.: Hoeniger, Kötner Schreinsurkunden I p. 121. 4. c. 1183/92. Notum sit tam futuris quam presentibus, quod Fridericus de Linnepe et uxor sua Gerdrudis emerunt partem aree Lamberti et puerorum suorum sine omni contradictione, sicut ab aha divisa est parte. Et hoe confirmatum est etc. Schreinskarte Niederich 10 XI 18. — Gedr.: Hoeniger, Köiner Schreinsurkunden II 1 p. 153. 5. c. 1193. Notum sit tam futuris quam presentibus, quod Fridericus de Linnepe et uxor eius Gertrudis emerunt domum et aream, que fuit Cunze de Aquis, erga Ottonem (et uxorem eius Bea- trixem); et effestucavit') Henricus et uxor eius Methildis, filia Ottonis. F[act.] Schreinskarte Martin 17 I n. 2. 6. na 1193. Notum, quod Fridericus et uxor eius Gertrudis dederunt et remiserunt adunata manu Hermanno iiiio") (Friderici) proprietatem domus et aree, site iuxta domum Winandi iunioris, que olim fuit Cunze (de Aquis), sicut ipsi in propria possessione habebant; et ipse remisit eis, Fri- derico et Gertrudi, conditionem vite eorum. F[act.] * Schreinskarte Martin 17 I 16. ') accres O/AwM". Oorkondenbock van Lennep. III. I 2 H. 7-!2b na 1193 7. na 1193. Notum i), quod domus et area, in qua (olim) mansit Fridericus de Linnefe, sita retro domum Winandi propria est Gertrudis, uxoris Friderici, ea conditione, (ut) vertat et faciat inde quicquid velit; et effestucavit Wolveradis, soror Friderici, et dlia eius Hildeburh et maritus eius Erwinus. F[act.] Schreinskarte Martin 17 II 4. 8. na 1193. Notum, quod Hermannus de Linnefe emit sibi domum et aream, que pistrinum vocatur, sitam iuxta domum Lufridi versus Salzgazzen erga Henricum canonicum de sanctis Apo- stolis, et suum advocatum, sicut ipse in propria possessione habebat. F[act.j Schreinskarte Martin 17 II 24. 9. na 1193. [Notum, quod Fridericus (de Linnefe) et uxor eius Gertrudis dederunt et remiscrunt conventui s. Martini magni 6 solidos annuatim redeuntes in die s. Benedicti in martio (21. Maart) de domo (quod pistrinum est) et area subLobio iuxta domum WillerL) ad anniversarium Friderici.] Schreinskarte Martin 17 II 28. 10. na 1193. Notum, quod Gertrudis, que fuit uxor Friderici de Linnefe, deditHermannohlio Friderici domum et aream sitam sub Lobio iuxta domum Willeri, sicut ipsa in propria possessione habebat, ea conditione, ut conventus s. Martini 12 solidos annuatim de hac domo et area redeuntes habeat, et predicta Gertrudis conditionem vite suq in eadem domo et area habeat. F[act.] Notum, quod predicta Gertrudis predicto Herimanno dictis post mortem suam omnem mo- bilem pecuniam suam et suppellectilia sua preter 7'/g marcas, quas disposuit pro redemptione animq sue. Schreinskarte Martin 1 7 II 30. 31. 11. na 1193. Notum, quod Fridericus de Linnefe et uxor eius Gertrudis contulerunt ecclesie s. Martini et conventui illius ecclesie pro remedio animarum suarum annuatim marcam unam de domo et area, que sita est in angusta platea retro domum, que olim fuit Winandi iuniorisR). Dimi- dietas huius marce danda est singulis annis in festo palmarum; reliqua dimidietas danda est in pentecosten. Schreinskarte Martin 17 II 35. 12N na 1193. Notum, quod Hermannus de Linnepe dedit et remisit uxori sue Elizabet domum et aream sitam retro domum, que olim fuit Winandi, quod modo pistrinum vocatur, que quondam fuit Friderici de Linnephe, patris Hermanni, sicut ipse Hermannus in propria possessione sua habebat, ea conditione, (si prolem genuerint, proles possideat; sin autem) uter alterum supervixerit, vertat et faciat ex ea, quicquid velit 4). 12^. Notum, quod Hermannus de Linnephe dubit et remisit uxori sue Elizabet domum et aream sitam infra domum Lufridi Ustoris et angustam plateam, que transitum habet iuxta domum Wi- 77/rzw