4
De oude brug over de Roer bij Hattingen wii men dat'door hem werd gebouwd, waardoor hij het aigemeenwelzijn trachtte te bevorderen; ook deed hij in 1223 schenkingen aan de kerk te Eisey, in zijn graafschapLimburg. Dit strekt ten bewijze, dat hij, volgens de toenmalige begrippen, een kerkelijk vromen zin had,daar deze schenking geschiedde voor het zielenheil zijner ouders.
Tot dusverre ging alles zeer voorspoedig, en de Isenberg scheen de wieg en bakermat van een der grootstevorstengeslachten te zullen worden.
Bender zegt bl. 05. ((Wat zou zonder het noodlottige ongeval uit het Isenbergsche huis geworden zijn?aWie kan het zeggen? Maar zooveel is zeker, dat Habshurg, Hohenzollern, Wurtemberg toenmaals eer mindera dan meer waren, dan Isenberg.))
In het werk getiteld ((Elberfeld und Darmen)), verschenen te Barmen 1863, vindt men op bl. 313 en 314 hetvolgende opgeteekend, hetwelk volkomen op het boven aangehaalde slaat:
((Het Stamslot Berg werd door o? f van Berg (monnik geworden zijnde) in een klooster herschapenen genaamd Altenberg, alwaar de Graven van Berg hun laatste rustplaats hadden. Dit klooster werd voor de eerstemaal ingewijd in 1147 door Aartsbisschop Arnold van Keulen, in tegenwoordigheid der grafelijke familie van Berg.x((In 1847, op den 22" September, had voor de tweede maal een inwijding plaats van de eenigzins vervallenAbdij — in tegenwoordigheid van Frederik Willem IV, Koning van Pruissen, die in de, in dezen eerwaardigenDom rustende overblijfselen der Graven en Hertogen van Berg, een tak zijner voorouders vereerde en nevenszijn doorluchtigen vader, het meeste bijdroeg (uit de Koninklijke privaatkas) tot herstelling van dezen Dom.))
((De Abdij van Altenberg was in vroegere dagen een der rijkste van de Cistercienser-orde. De reliquienwerden zeer hoog gewaardeerd en trokken onophoudelijk groote scharen pelgrims, a
Ten jare 1221 had Paus Honorius III een bevel uitgeschreven, dat alle voogdijen over geestelijke stichtingenwerden ingetrokken en dat de openvallende niet meer zouden worden bezet. Onder de vele voogden, die doordeze wederregtelijke pauselijke daad zwaar getroffen werden, was ook Graaf Frederik.
De uitvoering van het pauselijk bevel was den Aartsbisschop van Keulen, Engelbert Graaf van Berg (eigenneef van Frederik's vader Arnold) opgedragen, als Hertog van Westphalen en tevens als plaatsbekleeder des Keizers.Frederik van Isenberg, wiens regten het vrouwenstift te Essen weigerde langer te erkennen, meende hierinte zijn miskend, en besloot, magtig als hij zich gevoelde, dit regt niet af te staan dan tegen geweld.
Daar nu de Aartsbisschop van Keulen niet van wederregtelijke handelwijzen was vrij te pleiten, en somsgoederen van weerspannige edelen tot zich trok, vreesde de Isenberger, zoowel anderen als zich zelf tezullen benadeelen door de minste aarzeling in het handhaven zijner regten. Het gevolg hiervan was, dat eenigeontevredene en reeds benadeelde edelen, wars van 't gepleegde geweld des gehaten Bisschops, hem wraakzwoeren. Zoo ontstond een zamenzwering van Rijnsche en Westphaalsche grooten (die van Tecklenburg,Zwalenberg, Arnsberg, Ileynsberg, van der Lippe, die van Cleef, ook de Bisschoppen van Osnabrugge en vanMunster, broeders van Frederik en anderen), waarvan op den 7" November 1225 de Aartsbisschop Engelbert Ivan Keulen het slagtoffer werd. (Ficker, bl. 156). Op zijn terugreis naar Soest (bij Dortmund) in Westphalen,waar de Aartsbisschop een Rijksvergadering had gehouden, werd hij door Frederik van Isenberg en de zijnenverrast, in de nabijheid van Gevelsberg (bij Elberfeldt).
De Aartsbisschop moest voor de overmagt bukken en sneuvelde manmoedig.