IÓ2
WILHELMINA VAN PRUISEN.
Standvastig echter bleef zij weigeren om in gezelschapook maar het woord te richten tot Johan Valckenaer, die,thans een overtuigd aanhanger van het Oranjehuis, in 1795den prins Erfstadhouder van hoogverraad had beticht endezen daarvoor des doods schuldig had willen doen ver-klaren. De herinnering aan haren in ballingschap gestorvenechtgenoot bleef zij trouw, en innig verheugde het haar, datde openbare meening prins Willem V beter recht begon tedoen wedervaren. Naar aanleiding van nieuw uitgekomenwerken van Lacretelle, van Flassan, van de
van Tollius en anderen meer, schreef zij aanvan Hogendorp, met wien zij dadelijk na haren terugkeerin druk en geregeld verkeer was getreden: „men kan nu„vrijuit schrijven en zich onomwonden uitspreken over de„gebreken der oude staatsregeling nu die heeft opgehouden„te bestaan, en dus doen uitkomen, dat het meeste van wat„men wijlen den prins ten laste legde, daaruit voortkwam.„Op die wijze geloof ik, dat het thans mogelijk is geworden„de hatelijke beschuldigingen, welke men tegen hem heeft ingé-bracht, glansrijk te weerleggen. Ik zoude te meer wenschen„dat dit geschiedde, omdat de valsche voorstellingen aan-gaande het bestuur van den prins en aangaande de drijf-„veeren, die hem deden handelen, ook in den vreemde„vroeger maar al te veel geloof hebben gevonden."
Maar hoofdzaak bleven in prinses Wilhelmina's levenhare beide kleinzonen; en door haren levendigen verhaal-trant, haar scherp geheugen, haren helderen blik op personenen toestanden, waren voor hen het Paviljoen te Haarlem,