153
WILHELMINA VAN PRUISEN.
„dienen door ais één man op te staan om een hatelijk juk„af te schudden en zich te vereenigen om den afstamme-ling der grondleggers hunner vroegere grootheid. Het„onbeperkte vertrouwen, dat ik stei in uwe gevoelens, in„uwe principes, en in de kioeke vastberadenheid, die gij„in beslissende oogenblikken weet te ontwikkelen, liet mij„geenen twijfel, dat gij ook ditmaal de voorste in de bres„zoudt staan. Wij waren één van zin zonder dat wij tot„elkander in betrekking konden komen en de Goede God,„die dit jaar de goede zaak zoo wonderbaar zegent, zal„ook uw moedig bestaan met eenen heerlijken uitslag be-„kroonen. Alles wijst daarop, alles laat er op hopen; maar„mijne pen is te zwak om u mijne erkentelijkheid uit te„drukken, zooals ik dat zoude wenschen."
Volgaarne gaf prinses Wilhelmina nu gehoor aan hetverlangen van haren zoon om den op 14 Januari 1814uitgeschreven algemeenen dank- en bededag mede te komenvieren te 's-Gravenhage, waar eene aanzienlijke woning inhet Voorhout voor haar in gereedheid werd gebracht.Vergezeld van hare dochter, de hertogin-weduwe vanBrunswijk, kwam zij slechts weinig tijds na hare schoon-dochter in de hofstad aan. Pijnlijke gedachten hadden haargedurende de reis bestormd; ernstig twijfelde zij er aan,of de bevolking haar welkom zoude heeten. Doch zij werdspoedig gerustgesteld. Alle leed, alle oude grieven warenvergeten. Overal wapperde het Oranje te harer eer enscheen haar toe te ruischen: