WILHELMÏNA VAN PRUtSEN.
157
„tuigen, hoe gelukkig ik ben, en dat ik ook u geluk wensch„met den blijden keer der dingen.. . Willem is reeds terug-geroepen en binnen kort hoop ik nu mijne beide zonen„in Holland bij mij te hebben. Ik zal mij gelukkig rekenen,„als de omstandigheden veroorloven, dat ik nu spoedig„ook de vrouwelijke leden der familie daarheen kannoodigen."Vier dagen later, den 30^"' November, zette hij teScheveningen voet aan wal. Hij werd er met uit-bundig feestgejuich ontvangen en twee dagen later alsWillem I tot Souvereine Vorst der Nederlanden uitgeroepen.
Dadelijk meldde hij zijne moeder te Berlijn de heugelijkegebeurtenis, met enkele weinige regelen; „ik ben te ge-lukkig om veel te schrijven," heette het daarin, en won-derlijk werd het Wilhelmina op dit bericht te moede. Reedshad van Hogendorp haar geschreven: „ik sta midden in„de bres en hoop die met Gods bijstand te houden, tot„uw zoon ons te hulp komt. Het vaderland bestaat nog en„het Huis van Oranje kan grooter en machtiger worden„dan ooit te voren." Onmiddellijk antwoordde de prinsesden trouwen aanhanger van haar Huis met een dier warmgeschreven brieven, welke haar dankbaar hart zoo krachtigkenschetsten. „Uwe beide brieven," schreef zij, „zijn mij„dezen morgen ter hand gekomen, tegelijk met die van„mijnen zoon, az? < 7 ^a Waa^. Kunt gij u denken,
„hoe groot mijne vreugde was en mijne diepe dankbaar-heid jegens de Voorzienigheid, die het edele streven der„ware patriotten zoo heeft gezegend? En het is alsof op„het oogenblik alle ingezetenen dien schoonen naam ver-