WILHELMINA VAN PRUISEN.
77
trots de gestoten tractaten den opstandelingen verleend,en voorat aan de klacht over de ontdekking van het ont-werp-handetsverdrag door de stad Amsterdam met deAmerikanen te sluiten. De oortog was nu onvermijdelijkgeworden en reeds dadelijk werd door Engeland de handgelegd op ruim twee honderd koopvaardijschepen en eendeel onzer koloniën in Oost- en West-Indië. Dat men dit,onvoldoende gewapend als men was, weerloos moest latengeschieden, werd algemeen den stadhouder ten laste gelegd.Dezen weet men den vervallen toestand van den handel,het onvoldoende convooi der koopvaarders, een veronder-stelde bevoorrechting van het leger boven de vloot, eenverraderlijk heulen met Engeland.
Nog jaren later, toen zij als weduwe te Berlijn was ge-vestigd, gloeide prinses Wilhelmina van verontwaardiging,als zij bedacht, hoezeer in die dagen de bedoelingen vanharen echtgenoot waren miskend. In het jaar 1811 schreefzij in eenige door haar opgestelde beschouwingen over hetgeschrift A<? a 7a /hz <7a r&'czzzc szcc/c, bewerkt
door eenen Hollander ten behoeve van het laatste deelvan Lacretelle, WzsTozr^ z7<? Arazzcg aa r&czzzg sz&7<?, naaraanleiding van de daarin voorkomende opmerking: Willem Vheeft altijd aangedrongen op versterking van het leger:„Wat hier wordt gezegd, is volkomen juist; maar zoude men„er niet uit kunnen afleiden, dat wijlen de prins versterking„van het leger wenschte, omdat hij den oorlog wenschte„en tevens vermeerdering van macht? Dat is een verwijt,„dat hem inderdaad door zijne vijanden is gemaakt; maar