WILHELMINA VAN PRUISEN.
75
„Bovendien noopt de toestand onzer financiën ons tot groote„zuinigheid. De prins heeft grooter verhezen geleden dan„men algemeen vermoedt; zijne schulden nemen met het„jaar toe, en wat moet dat in de toekomst worden? Een„stadhouder zonder crediet, wien de handen gebonden zijn„door geldgebrek, zoude al een heel treurige rol spelen en„dat zoude overlang het geval zijn, als geene strenge orde„wordt gesteld op de zaken . . ."
„Om dezen tijd," schrijft de prinses in hare autobiogra-fische aanteekeningen omtrent het jaar 1778, „om dezen tijd be-„gon de prins mij meer en meer in zijn vertrouwen te nemen;„hij legde mij bijna alle belangrijke stukken voor, ook„zonder dat ik er om vroeg." Op sommige concepten vanbrieven en stukken, berustende in het Koninklijke Huis-archief staat nog met de eigen hand der prinses aangetee-kend: „Ik kan slechts laudeeren en approuveeren." Deheerschende spanning was toen nog toegenomen door hetuitbreken van den Noord-Amerikaanschen vrijheidsoorlog,die niet enkel de warme belangstelling der democratenwekte, maar ook hunne ergernis om het feit, dat die veelbewonderde Amerikanen in de oogen van den prins envan diens raadslieden niet anders waren dan rebellen.Bovendien konden de groote kooplieden het niet verkrop-pen, dat de prins zich verzette tegen hunne pogingen omvoordeel te trekken van den krijg, door aanvoer in deAmerikaansche koloniën van bij de tractaten met Engelandverboden goederen, en tegelijkertijd onwillig bleek ommede te werken tot eene toenadering bij Frankrijk, den