Druckschrift 
1 (1911)
Entstehung
Seite
74
Einzelbild herunterladen
 

74

WILHELMINA VAN PRUISEN.

„en aan mijne kinderen dwingen mij om mij op de hoogte„van de zaken te steiien. Ik ben nog in lange na niet zoo„ver gevorderd, ais ik wel zoude wenschen, . . . maar„zooveel ben ik toch te weten gekomen, dat het beiang„van het land en de eer van den prins beide eischen, dat„hij zelfstandig optreedt, al kan dit niet zoo op eens ge-schieden . . . De prins mag niet tekort komen aan de„gevoelens van eerbied en dankbaarheid, die de hertog met„recht van hem kan vorderen. Doch daarom behoeft hij„diens raad nog niet blindelings op te volgen en kan hij„den moed hebben eene eigene meening voor te staan ..."— „Ik heb wel iets gewonnen; maar ik moet nu ook onaf-gebroken voortgaan," heet het in een volgend schrijven aanden koning, waarin zij verklaarde niet te kunnen ingaan opdiens uitnoodiging om hem een bezoek te brengen te Berlijn.„Het is eenmaal mijn plicht geworden om mij te verdiepen„in onaangename zaken en te trachten het overwicht te„keeren van een man, die ons groote afbreuk doet. Ik moet„kennis verwerven, die mij maar al te zeer ontbreekt; de„nood is mij opgelegd. Als ik enkel met mijne neigingen te„rade ging, zoude ik mij met dit alles zeker niet inlaten.„Maar ik win terrein, al is het voet voor voet, en als ik„mij nu verwijderde, dan zoude alles in één oogwenk weder„verloren zijn . . . De hertog zoude van mijne afwezigheid„gebruik maken om den prins tegen mij in te nemen en„hem voor te houden, dat het ongepast is, dat vrouwen„zich mengen in staatszaken. Dat zoude hem wel niet geheel„en al gelukken, maar ik mag het er toch niet op wagen .. .