WILHELMINA VAN PRUISEN. 69
en den stadhouder nog in 1786, in haar lied ^373 <%-bezwoer:
Wij doen aan uwe deugden recht;
En zij, die in den hoogen echtHaar lot aan 't uwe paarde;
(Die ik met eerbied steeds beschouw)
Bewondren we als een groote vrouw,
Wij kennen hare waarde.
Met kennelijke ingenomenheid schreef koning Frederikde Groote dan ook aan zijnen broeder prins Hendrik: „Naar„men mij van daar bericht, weerklinkt de lof van mijne„nicht door geheel Holland; dat doet mij innig veel genoegen".Ook de verhouding van prinses Wilhelmina tot haren echt-genoot was van den beginne hartelijk en goed, gelijk menalgemeen ook zeer wel wist. In haren eenvoud ontzette zijzich over de tragedie, welke in die dagen werd afgespeeldaan het Deensche hof, waar de koning zijne jonge gemalin,prinses Carolina Mathilde van Hannover verstiet; en erschuilde bittere weemoed onder de scherts, waarmede haaroom, bedenkende de verhoudingen en omstandigheden aanverschillende Duitsche hoven, in die dagen haar schreef:„gij hebt wel gelijk, mijn kind, met te zeggen, dat het is,„alsof geene eeuw als de onze zoo rijk is geweest aan vor-stinnen met een verdorven gemoed. Maar weet gij, dat is„zoo om uwe voortreffelijkheid te beter te doen uitkomen.„In later dagen zal men zeggen: in dien tijd, toen Europa„zoo vele Messalina's, zoo vele Medea's voortbracht, leefde