254
MARIA VAN ENGELAND.
kende, als mensch en als Christen had leeren liefhebben engedurig hooger achten. Zij leefde in de overtuiging, dathaar gemaal, wat hij deed, deed uit edele, onbaatzuchtigeredenen. Het bewustzijn, dat zij, die hem kende als geenander, geloofde aan de oprechtheid zijner bedoelingen, aande heiligheid der zaak, die hij voorstond, heeft Willem IIIkrachtig gesteund onder verdachtmaking en tegenwerking,onder teleurstelling en ondank; want hij wist, dat het nietmet de blinde verkleefdheid eener liefhebbende gade was, datzij hem in zijne handelingen gadesloeg, maar met het vooralle kwaad, voor iedere minder edele bijbedoeling gescherptegeestesoog eener zich zelve beproevende, nauwgezetteChristin.