MARIA VAN ENGELAND.
323
had, te willen bijstaan met hun leger en met hunne vloot.
Lang, al te lang, hadden de Staten geweifeld, geaarzeld,zich maar al te ongevoelig getoond voor den aard van hetgevaar, waarop hun stadhouder hen reeds sedert jaren plachtte wijzen. Doch nu het beslissende oogenblik daar was,bleek hij toch niet in den wind te hebben gesproken, almocht hij het somwijlen in eene opwelling van moedeloos-heid en teleurstelling hebben gedacht. De gevraagde bijstandbleef den prins niet onthouden. Toen hij den 26^" Octoberdaaraanvolgende afscheid van de Staten nam, aan denvooravond van het aanvaarden van zijnen gevaarvollen tocht,betuigde hij hun dan ook in warme woorden zijnen dankvoor de hulp, die zij hem verleenden en het vertrouwen,dat zij hem schonken; en diep bewogen betuigde hij hetnog eens in hun midden: „dat het aan God, den Heer„Almachtig, den kenner aller harten, bekend was, dat hij den„tocht niet ondernam uit glorie, ambitie, of eenig particulier„voordeel; maar alleen tot behoud van het Protestantisme,„thans zoo zwaarlijk bedreigd; en tevens tot behoud van„de vrijheid en de gerechtigheid eener natie, die de Neder-landen in hunne eerste ongelegenheid zoo krachtig had„bijgestaan. *j
II
Daags voor zijn afscheid van de Staten had de prins nogeen ander afscheid genomen, met zijne gemalin zijne laatste
') R. Fruin. Willem III. Gids 1889. II pag. 321, 326.