210
MARIA VAN ENGELAND.
geroerde vraag eene hindernis, die aan eene nauwerevereeniging van beide echtgenooten in den weg stond. Deprinses had thans, nu haar vader koning was, een naderrecht op de kroon dan de prins en Willem III was degedachte onaangenaam, dat Maria, als zijn schoonvaderkwam te sterven, koningin van Engeland zoude wordenen hij haar onderdaan wezen zou. Een vermaard prote-stantsch geestelijke, Burnett geheeten, die den toenemendenvervolgingsijver van Jacobus II naar het vasteland wasontweken en zich omstreeks dezen tijd in Holland vestigdein de omgeving van Hunne Hoogheden, wier vertrouwenhij verwierf, had het geluk dien scheidsmuur te slechten.Hij was bemoeiziek van aard en onbescheiden; maar datgebrek deed thans beter dienst aan de zaak dan de deugdder bescheidenheid had kunnen doen. Onomwonden legdehij de vraag voor aan de verbaasde prinses, die er zichtoen voor het eerst rekenschap van gaf, dat de Engelschewet, wanneer Jacobus stierf, haar als wettige koningin, maarniet haren echtgenoot als koning erkende. Maar lang be-hoefde zij zich niet te beraden. Zoodra zij den prins daaropontmoette, zeide zij hem, dat zij eerst den vorigen dagvernomen had, dat de wet in Engeland strijdig was metde wet Gods; dat zij er niet aan dacht, dat ooit haar echt-genoot haar onderdanig zoude kunnen zijn; hij zou altijdhaar Heer zijn. Slechts ééne zaak verzocht zij hem: hijmocht altijd het bevel gehoorzaam zijn: Cy' 7 M< 3 MM^ 72 ,
Mwe A'g/, gelijk zij altijd het voorschrift zoude
trachten op te volgen: Gy' TiroMwew, awz