AMAHA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
195
wederstand Gelderland en Utrecht veroverde. Het plotse-linge van den overval, het geweldige, sneile voortdringenvan den vijand sloeg de Staten met ontzetting. Opnieuw,doch wederom vruchteloos, poogde men zich met Lode-wijk XIV te verstaan. De toestand werd maar al te juistgeschilderd met het bekende woord: dat de Staten radelooswaren, de steden redeloos en het land reddeloos. Innerlijkdoor verdeeldheid, door naijver op Johan de Witt's groot-sche persoonlijkheid, ondermijnd, moreel reeds vóór denoorlog vernietigd, schoot er bij het nijpen van het krijgs-gevaar voor de republikeinen niets over dan voor de tegen-overgestelde monarchale beginselen te wijken. Sints langgewantrouwd en bovendien geminacht en gehaat bij hetvolk, dat zich door de regentenfamilies van alle aandeel inde regeering zag buitengesloten, scheen de Statenpartijder natie de oorzaak van alle tegenwoordig onheil en debron van alle toekomende rampen. Het buitenlandschekrijgsgeweld bracht ons de Revolutie. Reeds had men bijhet uitbreken van den oorlog, om aan den onstuimigenaandrang des volks te voldoen, den nu twee-en-twintig-jarigen prins van Oranje tot Kapitein-Generaal benoemd,doch slechts voor éénen veldtocht. Thans, in het oogen-blik van den uitersten nood, werd het dat
slechts vijf jaren had bestaan, vernietigd en werd Willem IIImet de waardigheden van Stadhouder en Kapitein-Generaalbekleed.
Op nieuw stond daar een Oranje en sprak met de woordenvan Vondels