i68
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
terug. Steeds breeder werd de kloof tusschen haar en deneens zoo innig geliefden, eenigen zoon, door huiselijkongenoegen, door verschil van staatkundig inzicht en ookdoor ergernis over de losbandige levenswijze van denrijkbegaafden jongen vorst: zij kon het hem niet vergeven,dat deze in dit opzicht zich zelven zoo zeer vergat.
Daar kwam plotseling in October 1650 de tijding, datWillem van zijn jachtslot te Dieren krank naar 's-Graven-hage was teruggekeerd. De krankheid bleek de toen zoogevreesde pokziekte te zijn, waaraan 's prinsen door uit-spattingen ondermijnd gestel geenen weerstand kon bieden.Toen Amalia, wie men eerst eene aanvankelijke beterschaphad gemeld, in den avond van den 6^° November vernam,dat plotseling eene noodlottige wending was ingetreden,reed zij dadelijk naar het Stadhouderlijk Kwartier op hetBinnenhof. De predikant Stermont, die den prins in dienslaatste oogenblikken had bijgestaan, kwam haar tegemoet.Hij deelde der vorstin mede, dat alles voorbij was envoegde er diep ontroerd aan toe, dat hij geene woordenhad om haar te troosten. „Zoolang daar een God in den„Hemel is, heb ik genoeg stof tot troost," klonk het tenantwoord uit haren trotschen mond. „Het heeft God beliefd„het Huis van Oranje te straffen. Bidde Hem, dat het„daarbij blijven moge."