AMAUA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
149
door dat tand werd uitbetaald. Frederik Hendrik hadnameiijk aan haar overgedragen zijne aanspraken op af-doening der indertijd aan Louise de Coligny toegekendemaar achterstaiiig gebieven renten. Het snoer paarien, datmen der prinses daarvoor in ruil wiide geven, bieef inwaarde ver beneden de verschuldigde som, en in Augustus1646 kreeg Amalia op haar herhaald aandringen het vollebedrag van f 50.000 uitgekeerd. Zij bedankte daarvoor korten droog met de opmerking, dat zij die som niet zoudehebben aangenomen als het niet gold een oude werkelijkeschuld. Toch meende Frankrijk haar eene gunst te hebbenbewezen en dus aanspraak te kunnen maken op weder-dienst. Omdat zij nu juist in dien tijd voor den vredeijverde, geloofde men, aan het Fransche hof, dat zij van Spaan-sche zijde nog grootere aanbiedingen had gekregen, en ver-dacht men haar zich door Spanje te hebben laten omkoopen.Wel heeft Spanje haar inderdaad beloften gedaan; maar devoordeelen van het Oranjehuis, de ziekte van den prins, debelangen van het land wogen op zich zelf zwaar genoeg omhaar den vrede te doen begeeren. Aan haren gemaal schreef zijin den zomer van 1646: „Ik hoop, dat God ons eenen„voorspoedigen vrede geve, en ik geloof, dat het de ge-schikte tijd is. Ik hoop, dat God de Heeren Staten wijs-heid zal geven en dat het goud van Frankrijk of Spanje ons„niet de rust zal doen verliezen." Zoo schrijft niet iemand,die door geld te winnen is. ') Toen bij den vrede van
') J. J. Geest. Amalia van Solms. pag. 61.