AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
133
was aan eene hofhouding, waar men voortdurend metschuldeischers te kampen had, aan eene koningin in naam,wier eigen vader hare zaak niet ernstig ter harte nam, aaneenen vorst, dien de Hollanders niet zonder grond be-schouwden als eenen vreemdeling, die met de zijnen op's lands kosten leefde, en dien zij spottend dennoemden. Weinig ook kon Amalia in dit leven van ver-gulde armoede voorzien, welk eene glansrijke toekomstvoor haar was weggelegd.
„Mijn ongeluk is uw geluk, Mevrouw!" voegde Elisabethvan Bohemen hare hofdame op den morgen van hethuwelijk half weemoedig, half schertsend toe. En waarlijk,ware het niet, dat de jonge, schoone gravin zich juist terplaatse bevond, op het oogenblik dat Maurits zijnen broedertot een onverwijld huwelijk dwong, zij ware wel nimmerde echtgenoote geworden van den voornaamsten man inde Republiek der Geünieerde Provinciën. Amalia zelvevoelde het diep. „ OM/r/ rg&faw .? Wat zal ik den
,,Heer vergelden [voor al Zijne weldaden]?" moet zij diepbewogen gefluisterd hebben, toen zij, als bruid getooid,gereed stond haren vorstelijken bruidegom tegemoet tetreden.
Het was een schitterend verschiet, dat zich na Maurits'dood met dit huwelijk voor haar opende, een verschiet,zooals zij het zich in hare stoutste droomen niet had kunnenuitdenken, eene lotsbedeeling, althans in de eerste jaren,overrijk aan glans en macht en waarin zij de haar toege-gewezen plaats naast haren echtgenoot met groote waardig-