53
CHARLOTTE VAN BOURBON.
spottend had gezegd: „hij zal mij zeer bedriegen, als hij„niet iedereen bedriegt, die zijn vertrouwen in hem stelt,"bleek een bron van eindelooze moeielijkheden en teleur-stellingen. In een uitvoerig schrijven aan haren neefj denhertog van Bouillon, uitte Charlotte de klacht, dat het haarzeer bange was, dat de zaken zeer slecht stonden, dat dehertog van Anjou zijne eigene zaken en die zijner vriendendoor slecht beraad van kwaad tot erger bracht, dat dePrins, haar gemaal, bij de verheffing van Anjou niets hadgewonnen dan eene toenemende verbittering zijner vijanden,die zijn leven zochten tot eiken prijs en op eene wijze,die haar eenig groot onheil vreezen deed, dat God noggenadiglijk mocht afwenden.
Het was de ban, door Philips van Spanje over harenechtgenoot uitgesproken, waarop zij doelde, die banbriefvol van smadelijke aantijgingen en schandelijken laster,bekroond door de vogelvrij-verklaring van den gehoonde,op wiens hoofd een prijs gesteld werd hoog genoeg, omhet maar al te waarschijnlijk te moeten achten, dat eenehand bereid zoude worden gevonden om het vonnis tevoltrekken.
Wel moet de van den Prins haar hebben op-
gewekt en gesterkt, vooral door de fiere woorden vol vanwarme waardeering voor wat zij voor hem was geweest,waarmede deze in dat verweerschrift het goed recht vanzijn aangevochten huwelijk met haar, de gewezen klooster-linge, handhaafde. Maar de folterende angst voor hetvreeselijke en niet te keeren wapen van den sluipmoord