INLEIDING.
VII
VHM ifg ccMsc/gMAe ten volte heeft gevat; dat Amahavan Solms in de dagen van voorspoed van het Oranjehuisde verpersoonlijking is geweest, het middelpunt van hetbezielde leven op het gebied van letteren en kunst in Fre-derik Hendriks tijd, in Hollands gouden eeuw, en dat zijlater, in dagen van vernedering en rouw, met trouwe toe-wijding voor de belangen van het verlaten Vorstenhuisheeft geijverd en gewaakt; dat het de zelfopoffering en dereine vroomheid van Maria Stuart zijn geweest, die hetWillem III mogelijk hebben gemaakt aan zijne dubbeleroeping voor Engeland en voor Nederland te voldoen; datAlbertina Agnes van Oranje en Amalia van Anhalt de tra-dities, de geestelijke nalatenschap der Oranje's voor hetHuis van Nassau-Dietz, ons Koningshuis, en daarmede voorNederland hebben weten te bewaren ; dat Maria Louise vanHessen-Kassel in rustig geloofsvertrouwen haren zoon heeftopgevoed en, trots miskenning en achteruitzetting in zijnejeugd, hem heeft voorbereid en gevormd om de plaats zijnervaderen weder te hernemen; dat de Oranje-dynastie het aanWilhelmina van Pruisen heeft te danken, dat zij, toen zijvallen moest, ten minste niet is gevallen zonder de waardig-heid, die tegenstand, zij het ook een vruchtelooze tegenstand,aan iederen ondergang verleent.
Dit alles is zeker niet nieuw. Het werd reeds herhaaldelijken op verschillende wijzen gezegd en moest van algemeenebekendheid kunnen worden geacht. Toch leert de ervaring,dat, zelfs daar waar de kring der bronnen dezelfde is ge-bleven, de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling,