men de spoken zelve, hunne eigenschappen, verblijf-plaatsen , vermommingen en veranderingen, hun mom-pelen en tieren moeten uitvorschen, opdat men dekabouters en spoken van de weerwolven onderscheidenkunne. De kabouters dragen hunne ezelsooren niet zooopenlijk, dat een ieder hen daaraan kan kennen, maarverbergen dezelve dikwijls onder eene fraaije mode-muts, om zich het aanzien van eenen zeer verlichtete geven. jPZZ Zs ooA yeen veoneZer/ aeZ/s
(Ze (ZMZveZ ^ee/? an'cA (Zen sc^n vnn eenen en^eZ (ZesZZe/^Zs, II. Korinth. XI., 14. En toch houden dezespoken veel van verandering, en verstaan de kunst,om zich door middel van eenige besmeringen te ver-anderen , even gelijk de heksen op den FZoAs-#er <7 (1). Indien de geleende glans der geleerdheidde ultramontanen, of wat hetzelfde is, de obscurantenniet verlichten, of de Roomsche exorcisten niet ver-blinden zal, dan laten zij uit de diepte van hunnen vul-kaan heldere vonken in hunne oogen schieten, hunnelippen worden gloeijend en zij spuwen vuur. Wie zoudan niet bang worden, vooral wanneer zich daar-bij nog het gerammel der ketenen laat hooren. Delieve jeugd zal weldra bij het gedruisch van zulkeenen bullebak wegloopen en — zich zwijgend ver-schuilen.
De letterkundige spoken gelijken in geheel hun we-zen naar de mystike kabouters, maar de eerste wan-
(1) Wie daaraan mogt twijfelen, leze Je verhandelingen der Prote-stansche Doctoren JOAN. woiv: da Zacrymt'r .sag'arMm, IFa'Mcnicry,1676. VotGT: j9a conrcntM Fagwem ad aaa <SdMa(Aa, guea co-
1678,