xxvtn
LEVBNSBERtCHT.
uit die brieven zijn overgenomen, terwiji alles wat van eenigsints per-soonlijken aard was, of familie-aangelegenheden betrof, zorgvuldig isweggelaten, evenals de namen van hen aan wie de brieven gericht zijn;de eenige uitzondering daarop zijn bet vijftal brieven aan zijn zoon Gaspargericht.
Door deze wijze van behandeling toch is eene rijke bron voor onzekennis van Jan Luyken's leven onbruikbaar gemaakt, en vallen uit diebeide bundels slechts luttele bizonderheden op te maken. De meestebrieven zijn gericht aan „.Beminde of aan „BewMMfc ZMS^r",
natuurlijk in geestelijken zin; een drietal '?) is bestemd voor zijnewelke tante op dringende wijze wordt uitgenoodigdhem nog eens te komen bezoeken. Zij schijnt daar inderdaad gevolg aante hebben gegeven, althans brief 120, gericht aan zijn „BemMtde CoMzyw"is vermoedelijk bestemd voor haren zoon en vermeldt hoe diens moederwas overgekomen en wegens den verren afstand nog eenige dagen langerzoude blijven, dan waarop zij aanvankelijk plan had. Een drietal isgeadresseerd aan zijn rVeg/j" die blijkt chemicus te zijn geweest,
en die hem eene zending „salvolaad" had doen toekomen.
Overigens bepalen zich de bizonderheden tot de vermelding eenerzware ziekte, waaruit hij weder begon te herstellen, vermoedelijk toenhij in 1691 zijn testament maakte;'") verder de ontvangst van een mandjemet fruit"°) en eene uitnoodiging aan een vriend om met zijne vrouwden volgenden Zondag Luyken te komen bezoeken en bij hem het mid-dagmaal te houden.
Ook blijkt daaruit, dat hij niet afkeerig was om de kerkelijke feestdagenaan huiselijke vreugde te wijden, en spreekt hij van het talrijke bezoek,dat hij op Pinksteren verwachtte ^*) en van een maaltijd, welke hij opKerstijdavond had gehouden met een zijner vrienden en diens vrouw ^).
De laatste jaren zijns levens waren voor Jan Luyken hoogst pijnlijk,daar hij door zware inwendige smarten werd aangetast, welke hij evenwelmet groote gelatenheid droeg. 17 Januari 1712 schreef hij nog aanRoelof Bellinckhuys en dochter een brief, "*) waarin hij een zwaren valvermeldt door den dochters man van Aart Gerritse, ten gevolge van degladheid, en waarin hij verder de groeten overbrengt van jonge JantjeLuyken, diens moeder en Annetje van Vliet. Vermoedelijk was dit eenzjjner laatste brieven. Den 30 Maart 1712 werd hij overvallen door zeerhevige koortsen. In het Levensbericht wordt een' vrij omstandig verhaalgegeven van zijne laatste uren, gedurende welke zijn Christelijk gemoed
TT) No. 118, 119 en 121.
TS) No. 121, 122 en 123.
T9) No. 13 en 11.
8°) No. 5.
ST) No. 105.
82) No. 18.
88) No. 108.
84) Afgedrukt achter het Ferfe.