LEVENSBERICHT.
XXV!!
slechts te werken voor het leven hier namaals, was ook het gedrag vanJan Luyken: hij beoefende waarlijk datgene wat hij meende de waarheidte zijn en zooals gemeld wordt: was hij „in zijn omgang stil, deftig en„minzaam, doch met weinigen gemeenzaam"; hij beminde de eenzamewandelingen, gedurende welke hij bij alles wat hij zag den indruk ver-nieuwde van Gods nabijheid en Gods goedheid, hetzelfde gevoel dat hemook zijne gedichten in de pen gaf, waarin geestelijke beschouwingenwerden vastgeknoopt aan de meest alledaagsche voorwerpen en verrich-tingen. „Hij bezocht dikwijls de godvruchtigen, maar meest de behoeftige„en geringe en hielp haar nood met groote heimelijkheid vervullen, werd„veel in zijn huis bezocht, ook van lieden van andere plaatsen en schoon„hij weinig sprak, ging ieder gesterkt van hem, want hij drukte hooge„zaken met lage woorden uit. Hij was zeer nederig over zijne eigene be-kwaamheid, gelaten en vol liefde, zoodat hij nimmer het slechte van zijn„naaste ophaalde, gaarne daarentegen het goede."
Evenals hier wordt ook elders bizonder zijne mildheid en groote een-voud geroemd. Houbraken '') vermeldt hoe het herhaaldelijk voorkwam,dat degenen die bij hem bestellingen kwamen doen, hem slechts voorden knecht aanzagen en Kramm '") verhaalt op gezag van Jacob de Vos,dat Luyken zoo gewend was om alles aan de armen te geven, dat toende uitgever Mortier de plaat ontving voor de titelprent van de Jcowg.s,welke hem door Annetje van Vliet werd gebracht, hij haar een zak zes-thalven (ƒ 275.—) als fooi schonk ten einde die voor haar meester aante wenden, omdat hij zeker wist dat, indien deze zelf het geld in handenkreeg, hij daarvan niets voor zich zelf zoude gebruiken.
-Jan Luyken schijnt bij zijne bezigheden ook eene levendige briefwis-seling te hebben gevoerd. Na zijn dood werden door de uitgevers Wed.P. Arentz en K. van der Sys een 127tal zijner brieven verzameld en inhet licht gegeven onder den titel: .BWevew" en in 1741 ver-
scheen nog een 27tal welke in den eersten bundel niet waren opgenomen.In het voorbericht wordt medegedeeld dat deze brieven allen zijn geschre-ven tusschen 1685 en 1712, de laatste zelfs kort voor zijn overlijden endat zij, behalve een vijftal aan zijn zoon Gaspar, (zie pag. XVIII) waren ge-richt deels aan zijne gemoedsvrienden, d. w. z. aan degenen die evenals hij op het stuk der godsdienst dachten, deels aan zijne welmeenendebloedverwanten.
Zeer jammer is het dat de verzamelaar verder opmerkt dat hij„eew daar yelgygw alle datums heeft weggelaten
omdat die op sommige origineelen verzuimd waren in te vullen, maarnog meer dat gelijk reeds bleek (pag. XVII) alleen de godsdienstige uitingen
?3) Levensbeschrijving voor 'sMensclien Begin, Midden en Einde.
7^) III 255.
75) IV 1017.
7 5) Wijlen Frederik Muller, mede een wurm bewonderaar van Jan Luyken,betwijfelde de waarheid van dit verhaal zeer en meende dat zijn ex-collega Mortier er waarlijk de man niet naar was geweest om zich opzoodanige wijze te buiten te gaan.