201
Godt alleen vreese en den Koning Eere; en zoo alle ziele den mag-ten over haar gestelt, onderdanig zijn!"
In den herfst van het jaar vingen verscheidene heethoofdige liedenaan wederom „een ander project t' onthleeden." Het zoude, zeidemen, voor 'sLands kas meest voordeelig zijn en belangrijke sommendoor den tijd aanbrengen, wanneer al de ambten, staande nu terbegeving van Burgemeesteren, bij vacature, openbaar geveild enaan den meestbiedende verkocht werden. Men adresseerde zich tendien einde zoo lang, dat op den 6 November eene groote menigtemenschen zich voor het Raadhuis verzamelde, uit welke eenigenverzochten om in „Burgemeesteren Kamer binnen te staan" en bijmonde voornamelijk van Laurents van der Meer, die beleefdelijk,maar tevens zeer vrijmoedig het woord voerde, dit verzoek aan hunEd. Gr. Achtb. uit liefde en ten nutte van het Vaderland voor-droegen. De uitwerking hiervan was, dat denzelfden voordenmid-dag — na voorafgaand klokkengelui — van het Raadhuis afgekondigdwerd eene Notificatie, die vervolgens gedrukt en ter plaatse gewoonin de stad werd aangeplakt. Deze Kennisgeving, alleen door devier Heeren Burgemeesteren en derzelver Secretaris, en niet door deEd. Gr. Achtb. Heeren der Wet onderteekend, bevatte de toestem-ming van dit verlangen, behelsde de voorwaarden, en bepaalde hoedie zouden uitgevoerd worden.
Gedrukt en aangeplakt, en door een ieder gelezen, werd zij doorde meesten met groote verwondering aangezien, als schijnende eeneonbegrijpelijke verandering in de zaak der ambten.
Weinig tijd daarna zag men naast genoemde Notificatie, doorPieter van Waesberge bewaard (1), eene Tegen-Waarschuwing aan-geplakt, en gedrukt uit den Haag gekomen, waarbij Zijne HoogheidWillem Carel Hendrik Friso, als Stadhouder etc. een ieder deedkennelijk zijn, dat men binnen deze stad op den 6 November 1747,op het Raadhuis, den Heeren Burgemeesteren en Vroedschappen detoenmaals genomen Resolutie ter verkooping van de ambten enz.,had afgevergd en dus zulk eene handelwijze met groot ongenoegenbij Zijne Hoogheid was vernomen; dat derhalven die afgevergdeNotificatie door Zijne Hoogheid werd beschouwd als te zijn afgedwon-gen, gelijk zulks ook geschied is; waarbij eenieder, die zich daaraanschuldig gemaakt had — schoon voor ditmaal nog gepardonneerd —op het ernstigste werd aangemaand en gewaarschuwd, zich in hetvervolg daarvoor te wachten; en ingeval zich iemand daaraan schul-dig maakte, deze als een verstoorder van de algemeene rust etc.,zoude worden aangemerkt etc., en dat vervolgens de gemelde Notifi-catie van Heeren Burgemeesteren dezer stad moest gehouden wordenvoor nul en van geener waarde etc.
Niet lang daarna had de Pachters-geschiedenis plaats, die, hoeweleen vernieuwd bewijs van den woeligen geest onzer zoo zeer ge-vierde voorouders, door de wijze beradenheid der toenmalige stads-
(1) Zie Bijtage Z.