300.
(273)hoort heb, dat u een zwaar Onweder over 'thet Hoofd hangt. Dat kan niet wezen, ant-woordde ik daarop. Hoe dat? Hernam hy.Mits ik my, verzettede ik, zo dra als ik hetBesluit genoomen heb de Rooms-KatholykeReligie wederom te omhelzen, teneenemaalaan de Goddelyke Voorzienigheid heb overge-geven: Al 't geen my die Voorzienigheid nuzal laten overkoomen, daarmede zal ik ver-genoegt zyn: Goed en kwaad zal ik evenge-lykelyk van de Hand des Heeren ontfangen;en dewyl de barmhertige God alles ten besteweet te keeren, zo vreeze ik voor geen Kwaad.De gemelde Heer was over dat onverwachtAntwoord zodanig verwondert, en gestigt,dat hy betuigde nooit diergelyke Taal vanymand anders te hebben gehoort. En desniet-tegenstaande zou ik my van eenen Ruiter heb-ben laten overbluffen. Dat zal hy ymand an-ders als een vernuftig Hollander moeten wysmaken.De Heer Bronkhorst Procureur en Sollici-teur in den Haag, een van myne beste Vrin-den, die ik ooit in de gemelde Plaats gehadheb (schoon hy naderhand alle de andere moestvolgen, om niet by de Heeren Predikanten inOngenade te vallen) betuigde my zyn Leed-wezen, wanneer hy hoorde, dat ik my wede-rom in den Schoot der Rooms-Katholyke Kerkbegeven hadde, en daarom veele Vervolgin-gen moest uitstaan. Hy poogde my door ver-scheide Redenen terug te houden, doch, MynHeer, zeide ik tot Besluit van onze Zamen-spraak, wanneer wy voor Gods Rechter-Stoelverschynen, alsdan zullen wy zien, wie vanons beide de waare Religie gehad heeft. EnS 2met