Dat ander dat die aerſte hebben ſellen. is datſe ſellen reyn en̄ kuyſch van leuen weſen. om datmen hēdie heymlicheit der vrouwē dicwijl moet laten weten en̄ handelen. ſo iſt recht datſe rein en̄ kuyſch ſijnheymlick ſcamel en̄ ſtille. als een biechtuader. endeniet onhoeſch van woordē of handelinge. mer rechtegehulpſamich en̄ radelick als een wijf den anderen.Men leeſt van Vpocras dē groten meiſter. dat hijenen helen nacht bij enen ſconen wiue ſtille lach. en̄des morgens ſeide dat wijf. ſi had bij een block vā enen boem gelegen en̄ niet bi enen man. alſo onberuelick had hij bi hoer geweeſt. Dat derde is. Sijſellen weſen trouwe van vaſten geloue ſcker. niet alleen ī hoerre cūſtē mer oec ī horē diēſte. bedachtelikte werken. en̄ ſine pocien en̄ purgacien te ordiniren.want een aerſt mach lichtelick enen minſche verſu-mē. Hijrom ſel hij hem beſorgen recht oft ſijn kijntwaer. en̄ hij ſijn ſiecte in ſijnre herten droege. wantareſtotiles ſeit. Gelijck die gedaente en̄ beeldt eensdinges van ſteen of hout. Is eens minſchen ſiel. alſo is die ſiecte eens cranken minſchen ins ieiſtersherte. Ende daerom ſalmenſe eeren. want om desminſchen noot heeft god die medicijn vander eerdenDat derde capitel is vanden ouden.geſcapen.die aen beiden ſiden des coeninks en̄ der coeningin-nen was geſet. Een olt man ſittende op enen recht-ſtoil. Ende voer hem ſo was een open boeck. dat an
e