WILHELMINA VAN PRUISEN. 151
„titel, als het wezenlijke slechts wordt bereikt. Zeer nood-„zakelijk echter schijnt het mij, dat het Hoofd van Staat,„welke zijn titel dan ook wezen moge, bij deze gelegenheid„worde bekleed met de vereischte macht om de naleving„der wetten te verzekeren en om naar omstandigheden te„kunnen handelen, zooals het waarachtig welzijn en de„veiligheid der volken voorschrijven. fs /Myw„dat ik in alle nederigheid onder uwe aandacht breng."De prins van Oranje achtte den tijd voor zulke berekeningenechter nog niet gekomen. „Wat Holland betreft," antwoorddehij, „als ik het recht beschouw, vind ik het nog wat vroeg„om ons nu reeds daarmede bezig te houden. Daartoe„moeten wij eerst afwachten wat de komende gebeurtenissen„brengen zullen. Tot nog toe zie ik niet duidelijk welk„operatieplan door de Mogendheden zal worden gevolgd,„en nog minder duidelijk is het mij, of de Mogendheden„reeds eenige bedoeling hebben wat betreft den vorm van„regeering, dien zij in Holland wenschen gevestigd te zien.„Ik voor mij zelven, ik ben gehecht aan de oude vormen„en begeer alleen wijzigingen voor zoover die noodig zijn„om vroegere misbruiken te voorkomen, daar ik overtuigd„ben, dat wij in het heel oude reeds zeer veel bezitten„van wat wenschelijk is, als wij de dingen slechts kunnen„terugbrengen tot het punt, waarvan de provinciale invloeden„hebben doen afwijken, en zoo wij slechts kunnen ver-wezenlijken wat het aan prins Willem I en aan prins„Maurits niet is gelukt te verwezenlijken. De Unie van„Utrecht en enkele verdere instructies leveren daartoe uit-