i8
ALBERTINA AGNES VAN ORANJE-NASSAU
van Frederik Hendrik, de geheele erfenis voor zich en namreeds dadelijk de graafschappen Lingen en Meurs in bezit,ongehinderd door de Staten-Generaal. Wel had Willem 111dezen de zorg voor de naleving zijner testamentaire be-schikkingen opgedragen; maar zij hadden reeds bij het levendes konings geweigerd in te gaan op diens verzoek om deerfopvolging in de stadhouderlijke waardigheid, nu hij zelfgeene kinderen had, over te dragen op zijnen neef, denjongen vorst van Nassau-Dietz. Thans scheen het den Staten,anti-stadhouderlijk gezind als zij waren, niet ongevallig tezijn, dat althans een deel der goederen in vreemde handenoverging en dat daarmede de kracht van het Oranjehuis werdverzwakt. Zij vreesden bovendien het ongenoegen van denmachtigen Pruisischen nabuur en hielden de zaak slepende.Zoo begon de lange successiestrijd, waarvan Amalia vanAnhalt zoo min als haar zoon het einde heeft beleefd. Maaronvervaard door de moeilijkheden van het ingewikkelderechtsgeding, liet zij haren zoon reeds dadelijk den titel vanprins van Oranje voegen bij dien van Nassau-Dietz; enterwijl zij zelve onvermoeid zijne belangen in rechten voor-stond, deed zij den aankomenden jongen man tijdens denSpaanschen successieoorlog ter schole gaan bij prins Eugeniusvan Savoye en bij den hertog van Marlborough. Onder deleiding van deze beroemde veldheeren ontwikkelde JohanWillem Friso zich tot den jongen held, wien de Staten-Generaal reeds in 1707 het opperbevel over hunne infanteriemeenden te kunnen opdragen. In datzelfde jaar, het jaarzijner meerderjarigwording, nam Friso ook het stadhouder-