MARIA VAN ENGELAND.
231
„bad God om mij te helpen en te leiden in al mijne wegen.„Van dat oogenblik tot dat ik wegging, was ik in eene voort-durende jacht en het is een wonder, dat mij het hoofd niet„duizelde van al die menschen, die kwamen en al de dingen,„waarover zij mij onderhielden. Van zes ure in den morgen„tot laat in den avond was ik geen oogenblik alleen. Het„groote leedwezen, dat men mij betoonde over mijn heen-gaan, trof mij zoo, dat ik het nimmer vergeten zal, maar„trachten de aanhankelijkheid, die mij hier is betoond, bij„alle gelegenheden te gedenken en te vergelden."
Hare afreis werd nog vertraagd eerst door het ijs, datden mond van de Maas gesloten hield en, toen de dooiinviel, door aanhoudende Westewinden. Maar den 22^'' Fe-bruari landde zij toch in Engeland aan. „Ik zoude moeilijk„kunnen wedergeven, wat er in mij omging," verhaalt zij,„bij het gezicht van mijn eigen geboorteland. Ik blikte„achterwaarts en zag de uitgestrekte zee tusschen mij en„Holland, dat mijn land was geweest meer dan elf jaren„lang. Het smartte mij, dat ik het verlaten had en, naar ik„meende, voor altijd; die gedachte viel mij zwaar en ik„behoefde meer vastberadenheid, dan ik mij op beroemen„kan, om het geduldig te aanvaarden. Maar toen ik voor-waarts blikte naar Engeland, mijn vaderland, waar ik door„lange afwezigheid eene vreemdelinge was geworden,„voelde ik toch eene geheimzinnige vreugde, die on-twijfelbaar voortkwam uit eene zekere natuurlijke sym-pathie. De gedachte, dat ik mijnen echtgenoot mocht be-groeten als den bevrijder van dat land, stemde mij trotsch