LOUISE DE COLIGNY.
115
eene taak, waaraan de prinses-douairière van Oranje vol-gaarne hare krachten wijdde, Hendrik IV, die het wist enreeds meermalen aanleiding had gehad om hare diplomatiekebekwaamheden naar waarde te schatten, vond in haar danook eene trouwe bondgenoote bij zijn pogingen om Mauritste bewegen den vrede, dien het afgestreden en uitgeputteSpanje aanbood, niet te weigeren. De groote veldheermeende, en niet zonder reden, dat het geen tijd was omvrede te sluiten op het oogenblik dat de zege wel verzekerdscheen, maar nog niet feitelijk was behaald. Doch eenemachtige partij, waarvan Johan van Oldenbarnevelt de leiderwas, achtte, dat nu genoeg geofferd was aan goed en bloed,en riep steeds dringender om een verdrag of ten minsteeenen wapenstilstand, die ook door Frankrijk vurig werdgewenscht. Want Hendrik IV droomde van grootsche ont-werpen. Wel was Spanje krachteloos geworden; maar eenenanderen, nog meer te duchten tegenstander zag 's koningsoog aan den politieken horizon verrijzen: het Huis vanOostenrijk, dat, steeds toenemend in macht, gereed stondom den ouden strijd tegen de Hervorming, dien Spanjeopgaf, over te nemen, en dat het staatkundig evenwicht vanEuropa dreigde te verstoren. In aller belang moest menzich wapenen tot den onvermijdelijken kamp, alle protes-tantsche Staten vereenigen in ëén groot verbond: allereerstde Nederlanders, die zich zulke moedige, onversaagde, on-overwinbare strijders hadden betoond.
Dit was het „groote plan" van Hendrik IV, dat hij slechtsweinigen vertrouwden openbaarde, en onder dezen ook