Druckschrift 
1 (1907)
Entstehung
Einzelbild herunterladen
 

gemaakt; ik hoop, dat het een goed gebruik is geweest; immers, verreweg hetmeerendeel is door mij gecontroleerd geworden, eer ik het hier wederom publiceerde.

In de eerste plaats heb ik bijna nooit de hulp der betrokken familien ingeroepenvoor en aleer ik nagenoeg gereed was met den Staat, en ik niet wist of na kon gaanwaar bijvoorbeeld een der voorvaders of -moeders was overleden ; tot mijn leedwezenmoest ik dan vaak ondervinden, dat vele personen niet eens wisten, waar hun groot-vader of grootmoeder was gestorven ; soms al was dit eerst vijftien of zestien jaargeleden ! En toch hebben wij, Katholieken, in onze bidprentjes zulk een prächtigmateriaal om de nagedachtenis der overledenen levendig te houden.

De drukproeven werden steeds aan eenige leden der familie toegezonden met eencirculaire, waarin beleefd verzocht werd de noodige aanvullingen te doen en verbete-ringen aan te brengen, waar noodig.

Hoe vaak hoorde ik niets meer van die drukproeven, of kreeg ze terug, maandenna dien, wanneer ik, wachtensmoede, reeds toestemming tot afdrukken had gegevenl?

Werkelijk, bij zeer vele der betrokken familien is de belangstelling niet bijstergroot geweest.

Of onverschilligheid altijd de oorzaak was?

Ik vernam, dat men in sommige kringen mijne publicatie niet gaaine zag, omdat men— afgaande op de lijst van familien, omtrent welke ik gegevens verzameld had en diebij het prospectus gevoegd was — vreesde, dat het werk te veel den „roturier” opden voorgrond zou brengen. Waarom ? Het was nooit mijne bedoeling familietrots aante kweeken, wel, van den beginne af aan, mijn voornemen niet alleen de bekendeKatholieke geslachten zooveel doenlijk een plaats te geven, de geslachten, die honderdenjaren aaneen de oude tradities getrouw bleven en eer en voordeel niet achtten, datgekocht had moeten worden door verzaking van het oude Geloof en afval van de oudeKerk; maar ook ruimte over te laten voor de talrijke Katholieke familien, die in deambtenaarswereld, in den landbouw, in de nijverheid, in den handel hun bestaan von-den, zieh wisten te handhaven in hun ouden Staat, dan wel stap voor stap de ladderwisten op te klimmen; die den steun waren en zijn van het Katholicisme in ons vader-land en die door de emancipatie der Katholieken meer naar voren zijn gekomen. Densteun waren . . . ., niet alleen moreel en financieel, maar die ook door hun persoon deschatting betaalden, die elk Katholiek aan zijne Moeder verschuldigd is.

Ik heb getracht, dat uit te doen körnen, door van sommige geslachten juist vandie leden een kwartierstaat op te nemen, welke als geestelijke, hetzij in de wereld,hetzij in eene kloosterorde, meer bijzonder kunnen gerekend worden te behooren totde strijdende Kerk.

Ik heb daarbij lang geaarzeld, over de wijze, waarop ik de wapens dier personenzou voorstellen ; het gaat niet goed aan, die te dekken met den heim van den strijd-bare of met de adellijke kroon, die altijd van eenige ’ijdelheid getuigt, welke hunvreemd is, „die vader en moeder verlieten om den Heer te dienen”.

Ik heb ten slotte in den Annuaire Pontifical van Mgr. Albert Battandier (uitgavevan 1902) gevonden, wat ik zocht: een zeer doorwrocht en gedocumenteerd artikelover wapens van geestelijken.

De bekwame schrijver komt daarin tot het besluit, dat den aartsbisschop hetrecht toekomt zijn wapen, behalve met het dubbele kruis, den mijter en den kromstaf,te sieren met een groenen hoed, waarvan aan weerszijden vier rijen kwasten afhangenvan dezelfde kleur; de bisschoppen voeren het enkele kruis en slechts drie rijenkwasten aan den hoed ; kanunniken dekken het wapen met een zwarten hoed, metdrie zwarte kwasten aan iedere zijde ; pastoors, welke onafzetbaar verbonden zijn aanhunne parochie, dekken het met een zwarten hoed, gesierd met 66ne zwarte kwastaan iedere zijde ; andere priesters voeren het wapen eenvoudig en ongedekt.

Zoo ook de kloosterlingen ; het is evenwel gewoonte geworden aan de wapensvan deze toe te voegen het onderscheidingsteeken of het symbool hunner orde ofcongregatie.

Men zal zien, dat ik met deze voorschriften rekening heb gehouden, en ieder deeer gaf, die hem toekwam.

Over het wapen van Mgr. Schaepman z. n., aartsbisschop van Utrecht, wienskwartierstaat is opgenomen, nog deze opmerking :

Z. D. H. heeft goedgevonden, bij het vaststellen van zijn bisschoppelijk wapen afte wijken van de gewoonte, die den bisschoppen het blazoen doet voeren van hungeslacht, een gewoonte, die o. a. Mgr. van Wyckerslooth, Mgr. van Bommel, Mgr. vanVree hebben gevolgd ; vandaar, dat hij over het zilveren kruis op het roode veld, diehet wapen zijn van het aartsbisdom, niet het roode schild plaatste, beladen met hetzilveren schaap, op groenen grasgrond staande, dat steeds door de Schaepmans isgevoerd geworden, maar de afbeeelding van een herder, vergezeld van twee schapen,vormende ook een zinspeling op den familienaam.

Uit een wapenkundig oogpunt is dit zeker jammer.

Gelukkig, dat de Nederlandsche bisschoppen der latere jaren niet de gewoontevolgen der kerkvorsten in vele andere streken der wereld, welker wapens zoo vaakin strijd zijn met elke opvatting eener gezonde heraldiek; gelijk Mgr. Barbier de Montaultop verschillende plaatsen zeer terecht deed uitkomen, o. a. nog in het Giornale Ara/dico-Genealogico Diplomatico, (deel XXII, 69).

De wapens van Mgrs Snickers, van de Wetering, van Beeck, Leyten, Boermans,