203
onze verzamelaar gewag van ongewone straatschenderijen, die aanhet einde van het jaar plaats grepen, en waarhij men onverhoedsaangevallen, met messen in de kleederen gesneden, en zoo mishan-deld werd, dat op Nieuwjaarsnacht van 1749 tusschen twee en drieure, omtrent het Leidsche veer, van twee zoodanig aangevallenen,de een op de plaats dood bleef en de ander den volgenden avondoverleed.
Den 4 Januarij verscheen hierop eene Bekendmaking van HeerenSchout, Burgemeesteren en Schepenen, waarhij van deze straat-schenderijen openlijk kennis gegeven en ggM
6M&7M uitgeloofd wordt „ aan diegene / die zoodanige Aggres-seurs en straatschenders komen aan te brengen en bekent te maken /zoodanig dat deselve in handen van de Justitie geraken / en daar-van werden overtuygt." Voorts
als boven beloofd aan dengenen, die de Boosdoeners van het feit in deLombertstraat, omtrent het Leidsche veer gepleegd, kon aanbrengenof bekend maken; „ en zal de naam van den Aanbrenger ofte Aan-brengers / des verzoekende / werden gesecreteert."
De daders, een Fransche pruikmaker en zijn bediende, gewoondhebbende in het ARoopen van de Wagestraat, benevens een branders-knecht, ontdekt en door den Schout Van Gelder gevat, werden daarnagevonnisd en het vonnis geëxecuteerd. Het vonnis van den branders-knecht wordt niet medegedeeld, de beide andere, inzonderheid datvan den bediende van den pruikmaker, teeken ik op, uithoofde vanhet eigenaardige der regtsbedeeling in die dagen.
Volgens sententie dan, werd de pruikmakersknecht op een kruisgebonden, eerst de regterhand afgehakt en hij tweemalen daarmede inhet gezigt geslagen, daarna levend geraadbraakt, vervolgens op hetgalgenveld, met de hand op een pen boven zijn hoofd, op een radbevestigd.
De pruikmakersbaas werd, in zijn blaauwe chambre-cloak, meteen strop om den hals onder de galg te pronk gezet, om de justitievan zijn knecht te aanschouwen; daarna op het schavot ontkleed,aan den geeselpaal gebonden, strengelijk gegeeseld en gebrandmerkt,en — zoo onzen aanteekenaar wel heugt — voor 50 jaren in hetwerkhuis der stad gedetineerd, om aldaar met zijne handen zijnbrood te verdienen, hoewel hij, naar gissing, maar omtrent 10 jarendaarin geweest is.
Waren er nu eenige jaren van zorg en bekommeringen bij in-wendige beroeringen en bij vreeze voor oorlogsvuur van buitenvoorbijgegaan, des te algemeener was de vreugde in het ganscheland en bij het volk nu Hun Hoog Mogenden de Heeren StatenGeneraal, met bewilliging van de Edele Groot-Mogende Heeren Sta-ten van Holland en Westvriesland, goed vonden, dat op Vrijdagden 13 Junij 1749 des avonds alom in het gansche land vreugde-teekenen over den gesloten vrede, met luiden en spelen der klok-ken , opsteken van vlaggen, spelen der orgelen in de kerken, lossenvan het kanon en het branden van pektonnen, zouden bedrevenworden.