Schilders en Schilderessen.373Men mag van gemelde Konstenaars zeggen alsJunius van Pyrcicus, dat hy schynt verstant: genoegte hebben om het groote in de konst te volgen, tenwaar zake dat hy zig willens tot allerlei geringe din-gen begeven hadde. Daar waren weinige die Pyr.cicus in de konst te boven gingen (zeit Plinius) maarik weet niet of hem zyn voornemen bedorven heeft;want alhoewel hy een grooten luft tot slechte geringedingen hadde, nochtans verkreeg by hier in dengrootsten lof. Hyschilderde Baartscheerders, Schoen-makers winkels, en Ezeltjes, en diergelyke dingenmeer: zynde in deze dingen uit der mate vermake-lyk, zoo dat de aiderſtatelykſte tafereelen van ande-re konſtenaars, minder plachten te gelden dan dezegrollen van Pyrcicus. 'T is even dus ook met depenceelkonst van de voorgenoemde Teniers en JanSteen gelegen. Hunne potzige tafereelen wordengretig gezocht en wel betaalt, terwyl andere konsttraaglyk aan den man wil. En wy zyn ook metJunius van gedachten dat zulken geen vernuft ont-breekt om waardiger voorwerpen met roem te kon-nen verbeelden, wanneer zy zig daar toe stelden;daar wy ook al stalen van gezien hebben. 'T iswaar dat dusdanige tafereelen met potzige voor-werpen,den eenen tyd min, en den anderen tyd meerbeminnaars aantreffen, en dat al de geenen die opeen onsterfelyken naam hebben gedoelt, altoos zigmet groote gedachten, en waardige verbeeldingenhebben opgehouden: maar wie kan de Natuur-drift paalen zetten? wy willen de zelve ook geenwet voorschryven; aangezien de konstlievendenzoo wel met het een als het andere gedient zyn, maarwillen wel ten beste raden. Onderwyl denkenwy aan 't zeggen van Longinus: Het en is nietonmogelyk dat die genen welke den geheelen tyd hunnesAa 3le.
Einzelbild herunterladen
verfügbare Breiten