S. 1 . the said Hier war Jul. 1 (1-mh 3 Mit Kupfertitel, Titeloignette 7 Kupfestafeln Ogaffan sin text, mit Postrats sowie - Faltiafeld Porträt. Von Arnold Houbraken Hollstein, I.F.M. Eig. IX, No. A56-162 Zu den Portritts von Jacob Henbraken sa. Th.-2.XVII.ESS I. 426 u. 437: Erste Pousgabe Schlossa Trhmt III, 31078 . als DE GROOTE SCHOUBURGH DER Nederlantsche KONSTSCHILDERS EN SCHILDERESSEN. Ex libris Petri Krahe 174 OP DE ELIRIN 1 E KONSTGODES vervoert door yver Verbeelt de Konstzucht van den Schryver Die zig geen moeite en vlyt ontzag; Om naam en roem der Konstenaren, Die door den tyd verduistert waren. Op nieus te stellen in den dag: Noch dit de Leerjeugt konde weig'ren Die op hun spoor ten Konstberg steig'ren. Men ziet haar driftvuur aangesteken. Den snellen TYD zyn scizsteng breken En wederhouden in zyn loop. En zynen vluggen gang beteug'ien, Door 't fnuiken van zyn' snelle vleug'len. De Beeltenissen over hoop Geworpen worden, voor het knagen Der wormen, rustig wech gedragen; Op dat de Kunstjeugt die mocht sieren Met palm, en groenende Lautieren, Of voerenze op naar d'Ecuivigheit. Dan mag de Nyd haar gal uitbraken. De blinde onwetenheit dit wraken, Haar is een vaste glans bereit. Daar zy voorheen gedaalt in 't duister, Steets pralen met vernieuwen luister, 1. DE GROOTE SCHOUBURGH DER Nederlantsche KONSTSCHILDERS EN SCHILDERESSEN. Waar van 'er vele met hunne Beeltenissen ten Tooneel verschynen, en hun levensgedrag en Konstwerken beschreven worden: zynde een vervolg op het Schilderboek van K. v. MANDER. DOOR ARN. HOUBRAKEN. I. DEEL. . S — TAMSTERDAM, Gedrukt voor den Autheur, daar de zelve ook te bekomen zyn, 1718. Raca . N. O. LANDE CHD STADT BELIOH DOSSEIDOSI a — DEN EDELEN GESTRENGEN HEERE DEN HEER JOHAN VAN SCHUILENBURCH, RAADSHEER, SECRETARIS, EN GRIFFIER, VAN DE NAGELATEN DOMEINEN VAN WYLE ZYN KONINKLYKE MAJESTEIT VAN GROOT BRITTANJE HOOGLOFFELYKER GEDACHTENISSE; ENZ. ENZ. GROOT BEMINNAAR VAN DE SCHILDERKONST. WORT WORT DIT EERSTE DEEL VAN DEN GROOTEN SCHOUBURGH DER KONSTSCHILDERS EN SCHILDERESSEN, MET EERBIED OPGEDRAGEN, Dear . Zyne Edelheits onder. danigen dienaar. ARNOLD HOUBRAKEN. Aan Aan de BEMINNAARS Van de SCHILDERKONST, KONSTOEFFENAARS en LEERLINGEN. ECENATEN van de Kunst, Konstaankwekers door wier gunst Kunst en Konstenaren leven: Koesteraars van dezen schat, Die een dierbaar goet bevat Dat die oeffening komt geven, Daar zy levend in 't verstant, 't Recht begryp der dingen plant: Vond uw Konstgenegen oog, Als het wikte, of als het woog, In een Konstwerk naar de Reden Vergenoegen; daar 't penceel Met Natuur stryt op 't Tafreel, En des Hemels wonderheden In de Schepselen verspreit, Ziet door 't Konstpenceel verbreit; Gy hebt meerder reden thans, Nu dit werk des nyv'ren Mans U een oegst van Tafereelen, Daar des makers geest in speelt Door zyn pen aan u verbeelt; Om uw zucht hier door te streelen, Daar een yder voort gebracht Staat te pronk in volle kracht. KONSTE KONSTENAARS die moeite en zweet Daaglyks aan uw werk besteet Om uw Konst in top te stieren; Hier verschynen op een Ry Konstenaren zy aan zy In hun Beeltnis, met Laurieren Van onwelkb'ren roem op 't hooft, Die noch Tyd, noch Wangunst rooft. Dit moet u een spoor zyn, om In vrou Pallas Heyligdom Daar nooit vadzige aterlingen Maar het yv'rig echte kroost, Door dat yvervuur geroost Met gerekten hals indringen; Daar de Weldaad van haar troon Reikt aan elk verdienden loon. Klimt den Konstberg rustig op, In uw yver. Op den top Staan de blinkende Laurieren; Die door moeite en zweet gerooft, Na verloop van tydt het hooft Van den overwinnaar sieren. Vestigt hier op uwe hoop. Kunst is maar voor zweet te koop. En gy KONSTJEGT die het zoet Van de Konstvrucht smaakt, hou moet. Valt die vrucht zomwyl wat bitter In 't verkrygen zwicht maar niet; Niemant kryg' hier aan verdriet, Zoo hy worden wil bezitter Van zyn oogwit en zyn wensch, 't Doelwit van den veegen mensch. . Span Span den boog van uw verstant, Val met onvermocide hant, Steeds aan 't werk met lust en yver, Op het spoor en voorbeelt van Menig braaf en wakker man, In de Konst; die van den schryver Wort op zyn Tooneel vertoont, En met eer en roem bekroont. D'een verstrekt een baak in Zee: D'ander wyst een goede ree, Daar zy volgen d'een na d'ander Op den SCHOUBURG kleen en groot, Yder by zyn Jaargenoot, Op het voorbeelt van VAN MANDER: Daar verhaalt word wie door kunst Drongen in der Vorsten gunst. Hebt gy zucht en wetenslust? Elk tooneel is toe gerust Tusschen 't spel, in stee van Reyen, Met vertogen die 't verſtant Zeker leiden met de hand, En ten steylen konstberg leien, Op een gladde en effen baan, Door den Leidsman eerſt begaan. Zyt g'een onbedreveling In des waerelts wisselin, In den SCHOUBURG zult gy leeren, Hoc gy u op 's waerelts vlood Dragen moet in tegenspoed: En uw driften zult beheeren. Als u't luk gelyk een bal Toerolt, denk, 't is 't los geval. Laat Laat geen luiaardy of waan Door gewoonte u kleven aan. Laat uw leidstar niet ontglippen Uit het oog in volle zee Daar gy dobbert naar de ree. Myd dees twee gevreesde klippen Daar gy schipbreuk lyden kont En uw hoop zien gaan te gront. Die zig in zyn eigen oog Kleen verbeeld zig nooit bedroog: Maar die te ydel zig vermeten Konst en leyding te verstaan, Zullen als 't 'er komt op aan Schand'lyk toonen niets te weten. Al wie zig op waan betrout Op te zwakken grontsteun bout. Gader als de nyvre By, Uit deez' letterlekkerny Voorraad voor de Wintertyden: Of gelyk de Mieren doen, In het prilste van 't saizoen. Wil geen moeite of arbeit myden; Voor gy hebt de nuttigheit Tot uw voordeel opgeleit. AL DOENDE LEERT MEN. Oż Op den GROOTEN SCHOUBURGH Der SCHILDEREN En SCHILDERESSEN, Gesticht door den Kunstryken Heer ARNOLD HOUBRAKEN. O Schilderleerling, dien de hant Des meesters leit, om uw verstant Te scherpen, en de kunst te leeren, Die d'edele Natuur braveren En wezens stellen kan in t licht, Tot lust en voedsel van t gezicht: ô Schilderleerling, lees de bladen, Waar in gy ziet de brave daden Der Kunstenaren, hier genaemt, En al de werrelt door befaemt. Hier staan voor u verbeelt naar 't leven, En door de nyvre pen beſchreven De Schilderhelden, welker naam Heeft stof gegeven aan de Faam. Hier ziet men RUBBENS en VAN DYKEN Met hunne tafereelen pryken, In Vorſtenhoven hoog ge-eert, Daar hun geen haat of wangunst deert, Hoe Hoe wrokkende, hoe zeer verbolgen. Men ziet, hoe later geesten volgen Op dien doorluchten heldendraf. Hun naam verydelt doot en graf, En leeft in weerwil van de tyen. Hier maken ernſt en boerteryen Een mengeling van zuur en zoet, Tot een verpozing voor 't gemoedt, Dat zich vermeit in't een en 't ander. Dus hout HOUBRAKEN t spoor van MANDER En van SANDRART, en van DE BY, En ſchaft ons keur van lekkerny. Ook geeft hy lessen waart te hooren, Voor dien de Kunst heeft uitgekoren Tot haren lieven voesterling, Die voedsel van haar hant ontfing. Maar hoe zyn veder is te loven, Nogh gaat haar zyn penceel te boven. D. VAN HOOGSTRATEN. DE DER FEN, Bladzyde — DE GROOTE SCHOUBURGH Der NEDERLANTSCHE KONSTSCHILDERS En SCHILDERESSEN. Te *S al van oudts af in gebruik gethe weest, dat men de Beeltenissen van Mannen, die in Wetenschap pen en Konsten boven het gemeene Volk uitstaken, in marmer XV of metaal heeft opgerecht, om der zelver gedachtenisse onuitwisselyk te maken: hun ne namen, en bedryven op duurzaam Perkament, tegens den verslindenden tyd geboekt: en hunne Afbeeltzels op Tafereelen gemaalt, opgehangen; op dat die den Nakomelingen, tot verwonderinge, en spoor tot navolginge verstrekken zouden. De waarheit van dit gezeide is zoo zonneklaar. dat niemant daar bewys toe vorderen zal: noch ook der Edele Schilderkonst, vergeleken met de Beelthouwery en Schryfkonst, daar omtrent den voorrang betwisten; wyl zy boven dien Beelte nissen en andere dingen der zichtbare natuur, met zulk een levendigen zwier, natuurlyke koleur. en gevolglyk met onvergelykelyk meerder volI. DEEL. maakt Schouburgh der maaktheit, en daar al het andere maar als dootverf by te gelyken is, weet na te bootzen. Overzulks is het niet om te verwonderen, dat de Schilderkonst in zoo groote achting is geweest, in die tyden en plaatzen daar de Wetenschappen en Konsten het hoofd opstaken, en het vernuft en de vlyt der deftige Mannen, door eere, en belooninge (de ware Voedsters van de zelve) wierden gespoort, en opgewakkert. En van hoe groot eene waardy de Schilderkonst oulings by de Grieken geschat is geweest, blykt uit deze voorbeelden. Attalus, anderen zeggen, Ptolomeus, boodt den Konstschilder NICIAS voor een zyner Taferelen, daar Ulysses op afgebeelt stont, 60 Talenten, dat is zesendertig duizent goude Kroonen, doch dees weigerde 't zelve te verkoopen; maar gaf het Athenen, zyne geboortestadt, ten geschenk. Dezelve Attalus gaf voor een stuk Schildery van ARISTIDES (volgens getuigenis van Plinius) 100 Talenten Ook schilderde ASCLEPIODORUS. twaalf beelden van Goden, en Mnason gaf hem 300 Minen voor yder der zelve. Zelf in later tyd getuigt gemelde Plinius, Dat Julius Caesar van TIMOMACHUS den Byzantiner heeft laten schilderen de beelden van Ajax en Medea, om in den Tempel van Venus de Teelster op gehangen te worden, en hem daar voor betaalt 80 Talenten. Eyndelyk, wat hoogagting men oulings voor de Schilderkonst had, zal uit Demetrius blyken. Deze gestoort op die van Rhodus, om dat zy een verbond hadden aangegaan met zyn vyand Ptolomeus: dat zy gedood 3600 Mienen zilver voor de 12 Geschilderde Godebeel den n naar de uitreekening van zommigen 63000 gulden. tver Schilders en Schilderessen. dood hadden Alcinus den Epiroter, een wakker Krygshelt: dat zy een schip hadden aangehouden met een ryke lading, hem van zyn Huisvrouw Phila toegezonden, en het zelve aan Ptolomeus verzonden; kwam met zyn krygsmacht voor die vesting, met voornemen om de zelve door vuur en zwaard te verwoesten. Wat gebeurt 'er? de belegerden zenden gezanten, om hem te smeeken, dat hy niet hen, die misdaan en sulks verdient hadden. wilde verschoonen, maar alleen een Konststuk van JALCHUS: om welk op te maken, PROTOGENES van Caunus bezig was. Demetrius belust, gaat dit Konststuk bezien, en wort zoodanig door het verwonderlyk Tafereel bewogen, dat hy zyn voornemen staakt. Zie Plutarchus in 't leven van Demetrius Hierom zietmen ook dat de beruchtste Schryvers onder de Grieken, en Latynen de Schilderkonst hoog verheven, en daar van met grooten roem geschreven hebben. Maar wat hunne Konstwerken, als ook de Boeken die men zeit dat ANTIGONUS, PROTOGENES, THEOPHANES, EUPHRANOR, XENOCRATES en APELLES, over de Schilderkonst (deze droeg zyn boek op aan zynen leerling Perseus) geschreven hebben aanbelangt, daar mede is 't als met vele hunner Filosofen gelegen, daar men alleen van weet, dat zy boeken van hunne geleertheit en wetenschappen geschreven hebben, maar dat zy zamen door den alles verslindenden tyd vernielt zyn: zynde niet als de roem hunner Konstwerken, en Geleerde schriften de vergetenheit ontvlugt. Gelukkiger zyn de Italianen dan de Grieken, om dat hunne boeken, die zy over de Schilderkonst, en 't leven der Schilderen geschreven hebben, 't beA 2 Schouburg der 't bederf des tyts ontworstelt, noch in wezen zyn; als daar zyn de schriften van den Ridder Georgio Vasari, deze heeft geschreven tot het jaar 1567, en zig daar in van de aanteekeningen van Laurens Giberti, Dominico Girlandai, en van den grooten UREYN bedient. Als mede van Giov. Baglione, welke schryft tot den Jare 1642, zynde een vervolg op Vasari. Carlo Rudolf heeft mede een Boek geschreven van de Konstschilders, maar deze handeld alleen van de Venetianen. Leonard da Vinci, van de Schilderkonst in 't Italiaans, met een lange Voorrede van Rafael du Fresno, Giov. Paolo Lomazzo van de Proportie of Lichaamsmeting. Maar dit kan tot ons oogmerk niet dienen, noch ook Franciscus Junius, hoewel ik 't zyner roem zeggen moet, dat een wonderbare zucht, en geneigtheit tot de Konst zyn boezem bezeten heeft, terwyl hy zig die onnavolgelyke moeite om alles dat tot lof, en bevorderinge van de Konst noodig is te weten, uit d'akelige outheit op te delven niet heeft ontzien, maar loffelyk uitgevoert, en de Konst cen Kroon op 't hooft gestelt, welker luister de nyd, tyd en onwetenheit niet zullen verduisteren; en dus zyn oogwit bereikt. Na hem heeft KAREL VAN MANDER de pen opgevat, en de leerlessen der Konst niet alleen in Vaarzen beschreven, maar is ook d'eerste geweest, die de gedagtenisse der Nederlandsche Konstschilderen (op dat die niet in 't graf der vergetenheid gesmoord wierden) ten voorbeelde der nakomelingen geboekt heeft. Een geruimen tyd daar na heeft KOKNELIS DE BIE, van Lier, het zwaart op gevat, maar wel meest voor de glory zyner Landslieden geschermt, en zig weinig aan de Hollandsche Konstschilders laten Schilders en Schilderessen. laten gelegen leggen. Ook zyn 'er na dien tyd Fransche Schryvers geweest, als Andre Felebien, Florent. le Comte, en Du Pile, die het levensbedryf van sommige der voornaamste Nederlandsche Konstschilders beschreven, en my noch al in dingen die duister waren licht gegeven hebben. Maar meerder dienst heb ik uit dat kostelyke werk De Teutsche Academie van Jeachim van Sandrart / auf Stockau / Hoch-Fürstl. Pfalz-Neuburgischen Raht; konnen trekken. Dit werk beschryft de Konst en Konstoeffenaars van hun eersten aanvang af, even als van Mander, en vertoont daar nevens in 180 Tafereelen, de beroemste Griekse, Roomse, Franse, Hoog- en Nederduitse Konstschilders, door de voornaamste Plaatsnyders in koper gebragt. Waarlyk een werk waar door de Schryver een onverwelkelyken roem behaalt heeft, en ook in 't byzonder moet geprezen worden om dat hy zonder veel eenzydigheit de Nederlantsche Konstschilders zoo wel als de Hoogduitsche, naar mate van hunne verdiensten pryst. En al schoon hymee, als anderen van Mander (in opzicht der genen, die door hem beschreven zyn) volgt en naschryft, gelyk ook de gansche schikking van 't werk op de selve leest geschoeid is; zoo heeft hy 'er meer op zyn lyst; door dien hy vervolgt tot het Jaar 1675. Egter is 't 'er zoo mee gelegen, dat wy met Seneca konnen ze, gen: De genen die voor ons geweest hebben, hebben veel gedaan; doch voor ons is noch wat overgebleven om te doen. Laat ons dan deze dingen, die wy ontfangen hebben, trachten te vermeerderen, en dit erfgoed grooter dan onze nakomelingen overgeven. Dat nu de volgende Eeuwen, ook deze in welke wy leven, roemwaarde Konstenaars konden opleveren: dat de zucht der Konstkwekende. A 3 Schouburgh der de Muzen aan geen lucht of waereldsoort bepaalt is, en dat die buiten Griekenland, en Romen wonen van de selve voor geen aterlingen gehouden worden: als mede dat het gewest daar men de Nederduitsche taal spreekt, hoe kleen in opzicht van Italien en andere Landen en Koningryken, in zyn begryp en omtrek, geenszins onvruchtbaar is geweest, in 't voortbrengen en aankweken van brave vernuften, noch misdeelt van Roemwaardige Konstenaars: maar dat de Schiltgodes zelf binnen den Hollantschen Leeuwentuin, zoo outyts als in later tyd, en noch, doorluchtige Konstoeffenarars heeft doen ontspruiten, zulks lyt geen tegenspraak. Het eerst gezeide heeft KAREL VAN MANDER, wiens yver elk pryzen moet, door menigte van voorbeelden betoogt: en het laatste zullen wy die zyn Boek van het Levensbedryf der Schilderen, voornamentlyk in opzicht der Nederlantsche Konstenaren, voornemens zyn te vervolgen, doen blyken. Egter hebben wy het zelve zoo eng niet konnen bepalen, of wy moesten somwyl een buitenspron, doen tot nabuurige landen; om dat vele van onze voorname, zoo oude, als nieutydze Konstschilders uit Duitslant, Zwitzerlant, Gulikerlant, Keulslant, en zoo voort, zig in Gelderlant, Brabant, en andere omleggende Provincien, als ook in Hollant met'er woon begeven, hunne Konst daar geoeffent, en hunne levensdagen daar als inboorlingen gesleten hebben. Als GASPARNETSCHER, geboren te Praag, in Bohemen. JOH. LINGELBAG, en ABR. MINJON te Frankfoort. Jan Lis, te Oldenburgh. PETER PAULUS RUBBENS, te Keulen. GER. LAIRES, te Luik. Gov. FLINK, Schilders en Schilderessen. te Kleef. NICOLAAS DE HELT STOKADE, te Nimwegen. LUD. BAKHUIZEN, en FRED. DE MOUCHERON, te Emden. ERNST STUVE, te Hamburgh. DIDERIK FRERES 't Enkhuizen. GER. TERBURGH, te Deventer. LAMB. JAKOBSE te Lewaarden, en een groot gedeelte in Brabant. In tegendeel weer Nederlanders die door reislust geprikkelt, hun gantschen levenstyd, buiten hun Vaderlant, hebben gesleten, en hun konst ten dienste van vremde Hoven geoeffent. Om deze hebben wy dikwerf over woeste zeen, en steyle Alpise Gebergten, om bescheiden moeten uitzien; 't welk egter niet belet dat dit Boek alleen den naam van HET LEVENSBEDRYF DER NEDERLANTSCHE KONSTSCHILDERS op 't voorhooft draagt. KAREL VAN MANDER, om ter zake tekomen, sluit (na dat hy een Lyst van de toenmaals levenden heeft opgestelt) zyn Boek met het Jaar 1604. en dus is er van dien tyd, tot nu, een groote hondert Jaar verloopen, zonder dat iemant het zelve in dusdaniger voegen vervolgt heeft in de Nederduitsche taal. Overzulks was het wel hoogtyd (daar niemant de schade van zoo groot verlies ter harte gaat) dat de pen wierd opgevat, eer dat de verslindende tyd de gedachtenissen van velen geheel had uitgewischt. Gezegent Negental, aankweeksters van eerlyke Konsten en Wetenschappen op Parnas, die door de tintelende vuurstralen van Apolloos Hoofdsierselen in gloet gezet, uwe Gunstelingen, als zy daarom smeeken, door dat zelve vuur den boezem ontsteekt, hunne geesten opwakkert, en een duidelyk begryp der zaken doet hebben, begunstigt A 4 Schouburgh der gunstigt myn voornemen, en helpt my de dingen door de vergetenheit met duisterheid omzwachtelt, ontwindelen; op dat ik een verklaart gezicht kryge van het duistere: de Konst naar hare waarde, en elk der Konstoeffenaren ten Tooneel brenge, eyndelyk na mynen afgesloofden yver zeggen mag met Horatius: 'K heb een gedachtenis den Volken Voltooit, die 't staal verduuren kan. Maar my dunkt, dat ik van ter zyden hoor zeg gen: Waar steekt gy u in? Wat beweegt u ongevergt zulken last op uw schouders te torschen, te waken, terwyl anderen hun rust nemen? en in uwe uitspanningen altyd overkropt met overdenken, onderzoeken en nasporen van dingen, die lang verleden zyn, eyndelyk, u te bekommeren met iets, waar van gy u kond ontslaan; inzonder heit in zulk een eeuw als waar in wy leven, Daar yder voor zig zelven, byna niemant voor een 's anders nut, of voordeel is? en men in dezen bedorven tydt van velen niet alleen weynig danks heeft te wachten voor die moeiten: maar in tegendeel Bedilzuchtigen (daar de spreuk: De beste stuurluy staan aan lant, op toegepast kan worden) op den schryfstyl, op schikking en woordenvoeging (schoon zy van hunne bekwaamheit nooit proef gegeven hebben) zullen vitten en hairklooven. Wat nu gedaan? zal ik dit prysselyke voornemen, dat tot roem der Konstenaren, en tot opbouw der Eedle konst strekt, om het bedillen van Momus nachtbroedzel, dat het heldere licht van wetenschap in zyn Uylegezicht niet verdragen kan, staken: en het den genen die daar naar Schilders en Schilderessen. naar verlangen en reikhalzen onthouden? Neen De Rede leert my, dat, behulpzaam te wezen tot eens anders nut (waar in het ook wezen mach) zo wel als tot zyn eygen, de keten is, die de menschelyke zamenlevinge ſchakelt. Hoe lief zou het wezen als alle menschen naar hun vermogen toeleyden tot elks byzonder en al gemeen nut: de Konstenaars onderling als een lichaam, en elk der zelve als byzondere deelen, gereed waren om elkander dienst te doen, behulp zaamheit te bewyzen, en dus de Konst op te bouwen! Die alleen voor zig zelfs is (zeit de spreuk) toont dat hy een vrek is. Maar het is te beklagen, dat de waerelt thans hoe langer hoe meer bedorven wort, en door die kwade geaartheit oorzaak is, dat velen die tot nut voor 't algemeen, en den weetlustigen in 't byzonder iets zouden konnen voor den dach brengen, hun pen te ruch houden; om dat zoo ras 'er iets aan 't licht komt, 't zelve straks door spot- en lasterschriften wort gehekelt: een misdryf, dat den grondt leid om alle fraaije wetenschappen te dempen, en voor altyt te smoren. Dus begreep het ook de doorluchtige Ystroomdichter, daar hy zeit: Heeft Scaliger niet Flakkus lier, Zoo goddelyk van klank en zwier, Beſchuldigt van vervalſchte ſnaren: En word niet Nasoos eed'le geest Gebrandmerkt, of by onervaren, Te los, en welig was geweest? Wie zoekt zich dan in 't licht te geven, Word dit die Helden aangebreven: T was een vremd begryp van myn meester Samuel Schouburgh der 10 Samuel van Hoogstraten, dat hy zyn Treurspel van DIERYK en DOROTHE, of de verlossing van Dordrecht aan d'Afgonst opdroeg met deze woorden: Maar indien ik om de gemeene sleur te volgen, g houden schyn eenig patroon te kiezen, wel aan, ik offer dan deze verzen aan de verwoede en felle tanden van de verhongerde Nydt. Waarlyk een stout bestaan, de Nydt te tergen, en uit te dagen. Wy willen liever zyne onverbeterlyke konstlessen. dan diergelyke stoutheit ten voorbeeld van naarvolging nemen; want de Nyd slaat tyts genoeg, en ongetergt, de klauwen in yders Schriften, als ook de Bedilzuchtigen, zonder dat hun oordeel wort gevergt. Maar wyl ik door dit myn schryven niemant in den wech loop, of schade aan brenge, maar de gedachtenissen der Konstenaren, tot luister van de Konst, en eer hunner nakomelingen, alleen tracht levendig te houden, wil ik een gewenster lot hopen. En beurt het echter dat de laster my hier over aanklampt, ik zal hem met een taay gedult afkeeren, terwyl ik aan den anderen kant my troost met de hoop, dat de bescheydenen deze myne nutte verhandelingen zullen pryzen, en myn yver dank wyten, als die Myn tydgenooten ten geval, Den vrekken tyd den tyd ontstal. Doch dit alles overgeslagen, wil ik my tot het begin schikken, en den bescheiden Lezer voorstellen: of niet wel voeglyk wezen zal, yders Konstenaars Levensbedryf, daar het van Mander heeft gelaten, op te nemen? Zy zullen met my ja oordeelen; want daar zyn veele Kontstschilders, als HENDRIK GOLTZIUS, MATHEUS 11 Schilders en Schilderessen. THEUS en PAULUS BRIL, OCTAVIO van VEEN, HANS ROTTENHAIMER, ABRAHAM BLOEMAART enz. die, wanneer hy zyn Boek eindigde, in 't jaar 1604 noch in leven waren, zoo dat hy hunne geheele levensbedryf, tot het einde van hun leven, niet heeft konnen beschryven. Gelyk ook veele welker naamen hy alleen noemt, als: ADAMVAN OORT, HENDRIK VAN BALEN, SEBASTIAAN FRANKS, FRANSOIS STELLART, ADAM VAN FRANKFOORT, PIETER KORNELISZ. VANRYK, ROELANT SAVERY, PAULUS MOREELSZ., FRANS HALS, HANS SNELLING, TOBIAS VERHAAGT, PIETER LASTMAN, AART JANSZ. DRUIVE STEIN, en meer andere. De laatste achten wy maar als met kryt geschetst, d'eerste maar ten halven af gedaan, of (om naar de wyze der Schilders te spreken) gedoodverft. Waarom wy ons bevly tigen zullen om elks levens vervolg, zoo na 't ons doenlyk is, daar aan te voegen, en alwaar aan hunne Levensbeschryvinge iets komt t'ontbreken, dat te vullen. Inzonderheid zullen wy ook die, welke geheel verzuimt, en door van Mander over 't hooft gezien zyn, tot meerder volkomenheid met hunne Afbeeldzels (gevolgt naar de beste Schilderyen, Tekeningen en Printen die te bekomen waren) daar toe voegen; Als met name, DESIDERIUS ERASMUS, BERNARD van ORLEY, KORN. ANTONISSE, DAVID JORISZ., JOAN DACK, JAN de HOEY, DIRK en WOUTER CRABETH, van welke men tweezints kan zeggen: dat zy doorluchtige werken gemaakt hebben; Mr. ISAK NICOLAI, JAN van KUIK WOUTERS enz. Daar Schouburgh der 12 Daar en boven hebben wy deze Konstwebbe doorgaans met leerzame Zinspreuken, en nutte leeringen voor de Schilderjeugt, als ook met verscheiden Redenvoeringen over voorname grontregelen en wezentlyke zaken van de konst, doorweeven: vele duistere Historien, benamingen, en spreekwyzen opgeheldert: der Heydenen Oudtydze gewoonten, en gebruik, omtrent hunne Feesten, wyze der Veeslachtingen, Offerdiensten, en toerustinge der Offerdieren aangeweezen. Als ook mede de gedaanten der Altaaren met hunne versierselen, en Offergereedschappen, uit de oude marmere overgebleven gedenkteekenen, en Roomsche Muntstukken opgedragen, in printverbeeldingen, tot zonderlingen dienst der Leerbegerige Schilderjeugt vertoont, nevens onze Aanmerkingen, en Redenvoeringen over de zelve. Ook de wyze van Strafoeffening, Lykbegravingen, en Zinteekeningen op Standaarden en Leegervaandedelen der Hebreeuse, Grieksche en Romeinsche Volken, welke oulings in gebruik waren. Wy vertoonen ook in print verscheide Beeltenissen van d'aloude Waereltvorsten, als Antiochus Epifanes, Filippus van Macedonien, Alexander den Grooten, &c. ook Filosofen, inzonderheid welker bedryven het penceel en de teekenpen stoffe geven tot verbeeldingen; om de ware beeltenissen, in stee van verdichte in het tafercelwerk te konnen gebruiken. die wy alle gevolgt hebben naar hunne medalien, en marmere Kopstukken, welke voor egte bestempelingen in de Konstkabinetten opgesloten en bewaart worden. Al het welke wy tusschen de bedryven zullen invoegen; om den Lezer door die veranderinge (even als de aanschouwers der Tooneelen, by tusschenpoozen, door het snarenspel verVan maakt worden) te verlustigen. Schilders en Schilderessen. Van de Konst der overledenen zullen wy vryborstig ons oordeel geven, en 't een tegen 't andere in vergelyking brengen: doch van de penceelkonst der levenden alleen zeggen, waar in hunne Konstwerken bestaan, en aanwyzen waar, en in wier Konstkabinetten eenige van hunne voornaam ste Konststukken te zien geweest of noch te zien zyn; dienende met een tot wegwyzer voor alle vremdelingen, die geneigtheid hebben om de konst der voornaamste Nederlantsche Konstschilders te zien. Ook zullen wy, op 't einde van ons werk de Tooneelwetten, anders 't Gebruik en Misbruik des Tooneels van den braven Dichter Andries Pels, op de Schilderkonst toepassen, en uit der zelver grontwetten voorbeelden tot Bespiegelinge aflei den. Waar uit blyken zal dat de Dicht- en Schilderkonst eene en zelve Grondregelen tot haar Basis, of voetstuk hebben: en dat de meesters der Toneelen, gelyk de Historyschilders, die noodig hebben te weten; dienende niet alleen tot de Schilderjeugt die zich tot de oeffening der Historien wil begeeven: maar ook met een tot de Konstminnaars; op dat zy met een konstkundig oordeel, eene onfeilbaare keure zouden konnen doen, Zoo 't ymant verwaantheid mochte denken te wezen dat wy van zoo veele wigtige zaken, en 't edelste van de Konst bestaan te oordeelen: dien antwoord ik in dit opzicht als de genoemde Pels in zy ne vertaling van Horatius, in opzicht van de Dichtkonst, met een weinig verandering: 'K zal, als de slypsteen doen, die't yzer wel kan scherpen, Al blyft zy zelve bot; 'k zal onderwyzen, hoe Men wel moet schild'ren, alhoewel ik 't zelf niet doe; Schouburgh der 14 'K zal toonen, waar de schat der Maalkonst is versteken, Wat brave Schilders maakt en voort weet aan te kweeken; Wat wel en kwalyk voegt; hoe hoog de kundigheid Van Schilders legt, hoe ver de dwaaling hen verleidt. Ten minsten zal ik de brugh leggen, daar anderen konnen over stappen tot meerder volmaaktheit. Wy hebben ook aangewezen de veranderingen die de Konstoeffenaars, zedert dat de Keizer Maximiliaan de zelve geadelt heeft, zyn onderhevig geweest: Hoe dezelve naderhand door de Stedebedienders onder Ambagtsgilden betrokken, en hoe daar weer uit ontworstelt zyn, met de verzoekschiften, en Acten van scheydinge enz. Hier benevens heb ik my van een klaaren en verstaanbaren Schryfstyl bedient, het slepende onrym somwylen met een vaarsje doormengelt, dat de tong by beurten op maat doet huppelen, een verandering die de verdrietelykheit in 't lezen beneemt; dewyl ik niet alleen den genen die in de letren geoeffent, de boeken met een gefronst voor hoofd doorbladeren, maar elk tragt te behagen en dienst te doen. Een schakel van agtereenvolgen de zaken van gelyken aart te lezen maakt den Lezer verdrietig: en voordachtelyk duister te willen wezen, is wel een vond om den lezer vol verwondering te brengen over het verstant van den schryver: maar 't is te gelyk ook waarheit dat een inhoudende of raadzelagtige styl, onbekende, en t'zaamgewronge woorden den zin verworgen, waar door de lezer, die zig daar niet aangewent heeft, niet verstaat wat hy leest. een last, die mynen Konst ge Schilders en Schilderessen. genooten, voor wien dit werk ten meerendeelen is opgestelt, niet is te vergen. Wy hadden met den aanvang van dit werk geen gedachten, of toeleg, om Konstenaressen ten tooneel te voeren, of Glasschilders in myn Boek nevens andere in te voegen; maar verscheide redenen hebben ons daar toe doen besluiten. 1. Om dat wy zagen dat van Mander ons daar in was voorgegaan, die een gansche Lyst van vernuftige Vrouwen opgemaakt heeft, en de Glasschilders, als ook de Schilders met Ey, Lym en Waterverf, mede Schilders noemt, en zulke die hun werk daar van maken mede onder de Konstschilders telt: gelyk ook Samuel van Hoog straten; aangezien het zelve meede door behulp, of 't gebruik van 't penceel geschied. 2. Dat veele van de oude, en jongertydsche Olyverfschilders ook het Glasschilderen hebben gehanteert, als oulings Luc. v. Leyden, Lange Pier, Marten Heemskerk, Hendrik Goltzius, Jan van Bronkhorst, Pieter Holstein, Abraham Diepenbeek enz. en jongst geleeden Jakob van der Ulst, Borgermeester van Gorkum. 3. Om dat de Glasschilders, zoo wel als de Oly verfschilders voor opbouwers en voortplanters van de Konst in dien vroegen tyd moeten geacht worden, als uit welke weêr andere zyn ontsproten, en uit hunne Konstlessen en Voorbeelden voortgeteelt; als onder veele de Vader van den beruchten ANTONY VAN DYK, die mede in zyn tyd een Glasschilder was in 's Hartogenbosch. Gelyk ook die twee gebroeders DIRK en WOUTER CRABET, daar Gouda nu noch trots op is, welke een zoon en verscheide brave Meesters hebben voort 16 Schouburgh der voortgeteelt en naargelaten enz. Als ook om dat de Glasschilders thans maar weinig in getal en die konst met hare bewerkers genoegzaam ten grave gedaalt zynde, over zulks ons weinig werk, en by gevolge dit boek niet veel meer dikte konden geeven, of toebrengen. Deze zelve Rede deed my ook besluit nemen van zulken die uit een enkele drift en zucht tot de Konst, (zonder toeleg om voordeel daar van te genieten) het penceel hebben geoeffent (schoon in die volkomentheit niet als andere die het met een tot hun kostwinning dient om hun yver te gedenken. Daar en boven hebben wy ons een schikking in dit werk voorgestelt, waar door elk Konstschilder volgens zynen stipten geboortentyd te voorschyn zal komen en veele met hunne Beeltenissen, die een groot honderd zullen uitmaken, behalven verscheide andere platen, elkander in rang zullen volgen, en men daar by ook op het Jaartal zal konnen zien, wie'er in tegendeel (zoo veel ons doenlyk is geweest) gestorven zyn. Daar van Mander niet heeft opgelet: want hy plaatst MICHIEL MIEREVELT geboren 1568. voor HENDRIK GOLTZIUS die geboren is 1558. gelyk ook KORNELIS VAN HAARLEM geboren 1562 voor OCTAVIO van VEEN Geboren 1558. Noch ook heeft KORN. DE BIE daar zoo naauw acht op gegeeven, maar zomwylen den eenen voor den anderen gestelt. Uit dien hoofde of in gevolge van onze voorgestel de leyding komt na 't openen van onzen GROOTEN SCHOUBURG der KONSTSCHILDERS, d'eerste te voorschyn, met zyne Beeltenis, DE A.P.16. S Schilders en Schilderessen. DESIDERIUS ERASMUS. Wy hadden niet gedacht dat dit groote licht der geleerthelt onzen SCHOUBURG zou beschenen hebben; (want wy al ter halver wegen van ons pennewerk gekomen waren, eer wy hadden ontdekt, dat hy ook 't penceel uit konstliefdigheid gehanteerd had) en noch minder dat wy met dit zelve het Tooneel openen zouden. Maar Dirk van Bleiswyk gaf ons in zyne Beschryving van Delf, de gelegenheit daar toe aan de hand, op de 321 en 360. bladzyden. Hy is geboren binnen de Stadt Rotterdam in 't Jaar 1466, op den 28 van Wynmaand. Anderen willen dat hy tot Gouda geboren is, en tot Rotterdam aan de Maas opgevoed. Wy laten het die Stedelingen betwisten. Zyn Vader was Gerard, en zyn Moeder Margriete genaamt, af komstig van een eerlyk geslacht te Zevenbergen. De ze, ontydig door de pest uit deze waerelt wechgerukt zynde, quam onze Gerard Gerardzen (welke benaminge hy naderhand in DESIDERIUS ERASMUS verwisselde) onder het bestier van drie opzigters of voogden: die hem (na dat hy al vorens tot Deventer de beginselen der taalgeleertheid aangevangen had) in s'Hartogenbosch in 't Fraterhuis bestelden, met voornemen om hem tot de Kap op te brengen. Maar alzoo de pest aldaar hand over hand toenam, wendde hy zij weder tot zyne voogden, die nergens meer op toeleiden dan om hem het Kloosterleven smakelyk te maken; gelyk hy dan hunne geneigtheid ten gevalle, zig begaf in het vermaarde Klooster, dicht by Delf gelegen, Sion genaamt. Dit was ontrent den jare 1486. De proefjaren uit, en hem gevraagt zynde wat I. DEEL. Schouburg der 18 hy nu van zin was, gaf hy den Oversten van 't Klooster tot antwoort: Dat hy noch de waereld, noch het kloosterleven, noch ook zig zelven recht kende, en gevolgelyk tot geen Verband kost besluiten. maar voornemens was, gelegenheit te zoeken van zig vorder in de geleertheit te oeffenen. Doch dit ging zo vlot niet, ten zy de Biisschop van Uit recht hem een voorspraak waar geweest, die hem ook een byzondere gunst bewees, met hem voor te dragen by den Bisschop van Kamerik, die voor genomen had een reis door Duitschland en Vrankryk, naar Italien te doen, en iemant zocht, die bedreven was in veele talen: 't geen onzen DE SIDERIUS beter geleek, dan binnen den ringmuur van een Klooster beſloten te zitten. Die reis volbracht, en hy weder in Holland gekomen zynde, lelden zyne twee Voogden, (een was onderwyl gestorven) hem op nieuw, als voren aan 't oor, zelf met bedreiginge, dat hy zij tot het kloosterleven schikken zoude. Daar echter te niet toe zoude gekomen hebben, ten ware een zy ner goede kennissen, daar hy in zyne jeugt te Deventer mee ter school gelegen, en op een kamer geslapen had, hem door schoone woorden had weten te bekoren. Gelyk hy gevolgelyk zig dan in het klooster Emaus, of ten Steene genoemt, by Gouda, op den Yssel gelegen, begaf. Of het nu is geweest de geneigtheid tot zyn ouden Vriend, de overvloed van deftige Boeken, daar men doen ter tyd zoo gereed niet als thans aan konde geraken of dat de wetten van dat Convent, hunne kloosterlingen zoo eng in hunne doeningen niet bepaalden, dat hy dit voor andere verkoos, weet ik niet; hoewel ik rede vind om het laatste te gelooven; aangezien hy, aldaar in zyne uitspanningen, Schilders en Schilderessen. 19 de Schilderkonst geleert, en geoeffent heeft; ja zoo hoog daar in door byzonderen vlyt, en vernuft is opgeklommen geweest, dat de Gedenkschriften melden, dat de Prioor Kornelis Musius, eertyds een Tafercel, verbeeldende de kruissing van Christus, gehad heeft, dat ERASMUS geschilderd had; 't geen van alle Konstkenners geprezen, en van gemelden * Musius voor wat byzonders in zyn Konstkabinet bewaard is geweest. Een groot vernuft vind de toegangen, die tot de wetenschappen leiden, gebaant. Zoo dat Gratiaan te regt zeid: Daar zyn lieden die ras volmaakt worden, in alles wat het ook wezen mag; andere ook die tradg of zelden daar toe geraken; de rede is, om dat de een zyne vleugelen, de ander zyn beenen gebruikt. Meerder aanwyzinge van zyne Konstwerken ben ik niet magtig geworden; en geen wonder. de tyd heeft van 't Klooster, waar in hy de konst geoeffent heeft, den eenen steen op den anderen niet gelaten; alleen is de naam, ten bewys dat het'er geweest is, door de loffelyke Schryf- en Drukkonst, in weerwil van den verslindenden tyd, uit het puin, ter onsterslykheid, geborgen. Hy is te Bazel gestorven op den 11 van Hooimaand 1546, oud 70 Jaren, en heeft een onverwelkelyke roem van wegen zyn geleertheid nagelaten. Zyne gevolmachtigden over de uitdeelinge van zyne naarlatenschap, hebben hem te Bazel, in de Groote Kerk, een aanzienlyke Grafstede laten op B 1 rechten. Dit was Kornells Musius, Proost van St. Aachten Klooster, binnen Delf, die naderhand door een meer als Barbarische wreedheid mishandeld, en eindelyk door bevel van Lumey, Grave vander Mark, deerlyk verworgt werd. Zie de Besc hryvingvan Delf p. 444. Schouburgh der 20 rechten. Gelyk ook de Rotterdammenaren tot luister hunner Stad, hem eerst een steenen, naderhand een metalen beeld hebben opgerecht; daar de Prins der Nederduitsche Dichters, dus van spreekt: Wat wysheit Latium en Grieken hield besloten, Begreep gansch Kristenryk zoo haast ERASMUS kwam. En gaf met zynen naam aan Hollands Rotterdam, Een naam, vermids hy was uit haren ſchoot geſproten. Zy, als de dood het licht voor hem had afgeschoten, Noch 't rottende gebeent', noch ſtuivende aſſche nam: Maar rechtte een steenen * Beeld. De Nyd spoog vuur en vlam, En zocht geweldig hem van't Outer af te slooten. Dan laas! Geleertheits pronk zig keerd aan nyd noch spyt. Geen graf zyn Faam bestulpt. Hy helderd met den tyt. Zyn krans groent onverwelkt, en bloeid in afgunst veylig: Die onlangs was van Steen, nu glinſtert van Metaal. En zoo de Nyd zig steurt aan deze pracht of praal, Zoo giet men licht van Goud den Rotterdamschen HEYLIG. In den Jare 1572. Op den voet des beelts heeft men dit van J. Oudaan: Hier rees die groote Zon, en ging in Bazel onder: De Ryksstad eer' en vier' dien Heilig in zyn Graf; Dit tweede leven geeft, die 't eerſte leven gaf; Maar 't licht der talen, 't zout der zeden, t heerlyk Wonder, Waar met de Liefde, en Vrede, en Godgeleertheit praalt, Word 21 Schilders en Schilderessen. Word met geen Graf geeert, noch met geen beeld betaalt: Dies moet hier 't luchtgewelf Erasmus overdekken, Nadien geen mind're plaats zyn Tempel kan verſtrek ken. Hier aan volgt de Konstige Glasschilder DAVID JORISZ Hy was geboren te Delf: maar in wat jaar is my tot nu toe onbekend; alleenlyk word besloten, dat hy een Delvenaar was, uit de predikinge der zesentwintig Apostelen, die van den Koning der Wederdooperen waren uitgezonden, wel ke onder andere nieuwe verzinzelen den Volken verkondigden, dat'er zederd Kristus, vier Propheten waren opgestaan: twee valsche, te weten de Paus van Romen, en Martyn Luther. en twee waarachtige, namelyk Jan van Leyden, en David van Delf. Deze was (voor den tyd dat hy door Obbe Philips tot Bisschop over de Doopsgezinden tot Delf gesteld wierd) een konstig Glasschilder van zyn beroep; waar van noch zommige overblyfzelen te Delf, in 't jaar 1667. te zien waren. Hy was een Speelmans zoon, onbedreven in taal kunde, doch volgens getuigenis van alle die van hem hebben geschreven, eigen wys, en niettemin byzonder loos, enz. schoon van aangezicht, en wel gemaakt van leden, in zeeden gemaniert, en wel bespraakt. Hy had een langen gekrulden geelen baard, waar aan hy ook, als men hem, begraven zynde, na derhand weder ontgraafde, om te verbranden, kenbaar was. In den jare 1538 den 2 van Loumaand kwamhet eerste Placcaat tegen hem uit; waar uit men by gissinge eenigzins zyn levenstyd kan afmeten: en het tweede Placcaat den 2den van Sprokkelmaand daar aan B 3 Schouburgh der 22 aan volgende, binnen welken tusschentyd zyn moeder (die in het doodvonnis genoemt word Marytje, Jan de Gorters Dochter, Weduw van Joris de Coman en Moeder van David Jorisz) om dat zy herdoopt was, binnen 't Klooster van de Cellebroers te Delf wierd onthooft, en ook daar begraven. Wanneer hy zich dan langer, uit vreeze van aangegrepen te worden, en in banden te geraken, in de Nederlanden niet dorst vertrouwen, is hy in 't Jaar 1544 met zyn Huisgezin naar Bazel vertrokken, en na dat hy daar elf jaren gewoont had, op den 26 van Oegstmaand 1556 gestorven, en in de Parochie- of Hooftkerk, (zyn naam verandert hebbende in Jan van Broek om niet agterhaald te worden) begraven. Heden worden noch van zyne Teekeningen by de Liefhebbers t'zyner gedachtenisse bewaard. De Konstliefdige Jakob Moelaart te Dordrecht heeft 'er vier stuks die van zyn eigen hand geteekend zyn, te weten: de Vinding van Mozes. De verbeelding van 't Lant van belofte: Daar Petrus de sleutels ontfangt. En de verbeelding van den Hoofdman over Honderd. Deze met de pen omgetrokken en met het penceel geschaduwt, zwemen naar de handeling van Lucas van Leyden. Zyn beeltenis kan men zien in de PLAAT A nevens die van Erasmus, waar onder aan de byvoegzelen der Konstgereetschappen zich een masker omwoelt van een slang ('t geen ten Zinnebeeld van zyn levenswyze strekt) doet zien. Volgt in order van tyd KORNELIS ANTONISZE geboren tot Amsterdam. Van zyn penceelwerk ziet men op Zie hier van breeder in de Beschryving van Delf pag.763. Schilders en Schilderessen. op de Thesaurie Ordinaris de afbeelding van Amsterdam, in dien stant als het zich vertoonden in zy ne eerste bemuuring, die in 't jaar 1482 begonnen werd. Dit stuk is door dezen KORNELIS ANTONISZE in 't jaer 1536, toen ter tyd Schutter der Voetboogs Doelen, en in 't jaar 1547, Raad dier Stad geworden, naar 't leeven gemaalt, en de Dichter Jan Vos maakte daar op deze regelen: Hier beurt zich Amsterdam; vol hoop, uit brakke veen. Zoo wort een Visschers buurt de haven aller zeên. Op zulk een grontvest weet het Land zyn Staat te zetien. Men bloeit door Koopmanschap, men leeft door wyze Wetton. Deze heeft ook naderhand het zelve oud Amsterdam met deszelfs Kloosters, Kerken, en andere gestichten, in 12 plaaten Houtsnee gebracht, doen drukken, en aan Keizer Karel den V. toen Graaf van Holland, opgedragen, die het zelve met Octroi bestempelde voor 't namaken. Waar van afdrukken onder de Minnaars van Oudheden berusten. En nevens hem verscheind: JAN DE HOEY geboren te Leyden in 't Jaar 1545. By wien dees de Konst geleert, of wat hy geschildert heeft, weet ik niet. De roest des tyds heeft de gedachtenis van 't zelve uitgewist, en ons alleen flaauwe merkteekenen overgelaten tot bewys, dat 'er zulk een Konstenaar in die vroege eeuwe geweest is; wiens Penceelwerken met de goedkeuring van Hendrik den B 4 Schouburgh der 24 den IV Koning van Vrankryk vereert zyn geweest. Die hem ook tot zyn Kamerdienaar, en opzich ter zyner Schilderyen of Konstbewaarderschap verheven heeft. En Fl. le Comte in zyn Kabinet der Konsten getuigt: dat hy in al zyn bedieningen tot zyn zevenstigste jaar toe, wanneer hy stier 1615, een gerust leven (dat zeldzaam is) gehad heeft; aangezien de Nyd voornamentlyk in de Hoven zich ontdekt: 't geen ons doet besluiten dat hy zich op de Staatkundige levenswyze grondig verstaan heeft, welke Gratiaan een byzondere hoedanigheyt noemt die niet in boeken, noch in de Scholen wort geleert, maar op de Toneelen van het vernuft, en in den Schouburg der bescheidentheid. En besluit: Dat de kundigheid van met alle menschen te konnen omgaan, zommigen meer dienst en nut gedaan heeft dan de zeven vrye konſten t'zamen. Onder de heldere Konststarren die van Rome de Waerelt omscheenen hebben, was R AFAELVAN URBYN inzonderheid in dezen tyd berucht: Des ve len al vroeg die Leidstar in haar Stantplaats hebben opgespeurt; om door behulp van dat hemelsche Konstlicht de diepe verborgentheden der Konst t'ontdekken. Onder deze (waar aan van Mander maar met wy nig woorden gedenkt) was BERNARD VAN ORLEY, gebooren in Brabant, maar in wat Stad of jaar weet ik niet; aangezien een lange reeks van verloopen jaren de gedachtenisse daar van begraven heeft: maar het is klaar af te meten, dat hy een goeden ouderdom bereikt heeft, wyl hy is geweest een Leerling van dien grooten Rasael van Urbyn, die in 't jaar 1520 tot groot verlies van de Konst, pas 37 jaren oud gestorven, van onzen ORLEY in den jare 1550 op dat spoor gevolgt is Flo 25 Schilders en Schildereffen. Florent le Compte zeit: dat hy by Rafaëls leven zoo ver in de Konst gevordert was, dat hy hem aan zyn groote werken heeft helpen schilderen. Naderhand heeft hy zich ook tot het Schilderen van Beesten, Beestejachten en Lantschappen begeeven: zonder nochtans het Historie- en Beeldenschilderen af te laten, als onder blyken zal. Groote Geesten (zeit Gratiaaan) hebben altyd getracht een nieuwen weg in te slaan, om roem te bejagen; dog op zoodanige wyze dat de voorzichtigheid hun altyd tot Leidsman gedient heeft. Of zy hebben liever getracht d'eerſte te wezen in de tweede, als de tweede in d'eerste Bende. Of dit laatste, reden tot verandering in zyn verkiezinge, ontrent de voorwerpen zyner penceelkonst gegeven heeft, kan ik niet zeggen: maar wel dat hy roem in 't een en 't ander behaalt heeft. In Brabant wedergekeert, geraakte hy berucht voor den beste in 't Schilderen van Jachteryen in dienst van Keizer Karel den V. voor wien hy heeft geschildert het Bosch van Soigne, met al de aangename gezichten, om en by dezelve. Diergelyke ook voor de Hertogin van Parma om de Tapitzeryen na te bootsen, voor welke hy (als ook voor de afbeelding van den Keizer, en voornaamste van 't Hof) rykelyk beloont werd. t'Antwerpen heeft hy voor de Kanonniken, om een hunner Kloosterkapellen te sieren, de verbeeldinge van 't laatste Oordeel geschildert, op een vergulden gront. En voor de Gebroederschap te Mechelen een groot stuk, waar in St. Lucas zit, de beeltenis van de waardige Moedermaagt Maria af te malen. MICHIEL COIXI heeft naderhand de deuren die dit Konststuk voor het te sterke dag licht, B 5 Schouburgh der 26 licht, en stof dekten, van buiten beschildert. Gelyk van Mander daar ook aan gedenkt in 't leven van Michiel Coixi leerling van onzen ORLEY, met deze woorden: Daar waren ook te Mechelen van hem twee deuren aan d'altaartafel van St. Lucas, waar van het binnenſte Tafereel door Bernard van Brussel (dus noemt hy onzen ORLEY) beschildert was. Doch deze deuren zyn door de Kloosterlingen tot een hoogen prys, aan den Harto Mathias van wegen de konstige beschildering verkocht, en buitens land vervoert. Zes Cartons zyn 'er na de dood van BERNARD ORLEY onvoltooit gebleven, welke door J. Jordaans naderhand zyn opgemaakt. En dit is 't al wat ik 'er van weet te schryven. Deze hebben hun rol uitgespeelt, en maken ruimbaan voor de twee gebroeders, Konstschilders daar Gouda niet al buiten reeden op roemt, na mentlyk DIRK EN WOUTER CRABET. Men is verwondert, dat Karel van Mander in zyn Schildersboek geen een woord van dezelve meld. Doch des te meer (zeit de Stads geschiedenisschryver) dient hunne heugenisse vernieuwt. Eenigen hebben gemeent dat zy van af komst Duitschers waren; anderen dat zy uit Vrankryk waren gesproten; doch hunne nazaten getuigen dat zy uit Holland afkomstig zyn. Van Mander melt op pag. 148, a, van eenen Adriaan Pietersz. Crabeth, wiens Vader door de wandeling Krepel Pieter wierd genoemt. Deeze was een Leerling van Zwart Jan, of Jan Zwart, Schilder van Groeningen, welke hy door vlyt te boven geleert hebbende naar Vrankryk vertrok, daar De hy ook gestorven is. B.P. 27 Schilders en Schilderessen. De Heer Almeloveen is van gedachte dat Claudius, anders Krepel Pieter, niet alleen Vader van gemelden Adriaan, maar ook van DIRK, en WOUTER geweest is, en gevolgelyk ADRI AAN, DIRK, en WOUTER broeders. Hy styft zyn gevoelen daar mee, dat de twee laatste zoo wel Pieterszoonen als de eerste genoemt worden; behalven dat ook de tydrekeninge van alle drie te gelyk uitkomt. Willem Tomberg, zoon van Daniel Tomberg, Glasfchilder van Gouda, is van gedachten dat zy by eenige Kloosterlingen hunne eerste grondbeginzelen geleert hebben. Van WOUTER word verhaald, dat hy Vrankryk en Italien heeft bezocht, en voor gewoonte had, op alle plaatzen, daar hy doorreisde, een glas alleen ten staal van zyn Konst agter te laten. Deze is by alle Konstkenneren geoordeelt boven zyn broeder uit te steken, voornamentlyk in het welteekenen, ook stak zyn werk uit in helderheid, en dat van DIRK in tegendeel was krachtiger in zyn koleuren, zoo dat men van ouds zeide; 't geen Dirk doet door zyn diepzels, werkt Wouter uit door zyn hoogzels. Beide waren zy brave meesters, zoo wel in groot als klein werk, en dat met zulke vaardigheid dat het byna niet te gelooven is; 't geen egter uit de Jaarmerken blykt. WOUTERzyn eerste Glas, waar de Koninginne van Saba in afgebeelt staat in 't Jaar 1561, afgemaakt hebbende, leverde 's jaars daar aan het groote glas, dat Her togin Margariet bekostigt had, en aan de Kerk schonk. In't jaar 1564, dat van Christus geboorte, en 1566 dat, daar de Tempelroof van Heliodorus in vertoont word, alles binnen den tyd van zes jaren: en noch was DIRK vaardiger in 't werken, Schouburgh der 28 ken: want hy maakte zes glazen in drie jaaren af, die immers zoo groot waren. Want in 't jaar 1555, maakte hy 't glas daar Christus gedoopt word. 's Jaars daar aan de twee volgende, en in 't jaar 1557 maakte hy drie glazen af, dat van den Koninvan Spanje, Johannes den Boeteprediker, en den Doop van den Moorman, zynde die alle zes van de grootste maat. In den jare 1567 maakte DIRK het Glas daar Christus de Wisselaars uit den Tempel dryft. En 1571 daar Judith Holofernes het hoofd afslaat, 't welk zyn laatste werk is geweest, dat hy in de Kerk van Gouda gemaakt heeft. Zy waren, schoon broeders, zoo konstnayverende, en hielden zich ontrent de Konst zoo bedekt voor elkander, dat wanneer de een diesaangaande iets vraagde, den ander hem tot antwoort gaf: Ik heb het door vlyt gezocht, doe ook 200. Dit ging zoo ver, dat wanneer zy by geval eens op elkanders winkel kwaamen (dat niet veel gebeurde) het werk dat zy onder handen hadden, voor dien tyd overdekt wierd, overzulks wanneer zy elkanderen iets te zeggen hadden; lieten zy het over en weêr schriftelyk weeten. Ook word getuigt dat zy voor hun Kerkwerk geen grooten loon bedongen hebben, waarom zy ook daar benevens het Glazemaken aan de hand hielden, zoo lang zy leefden. DIRK bleef ongetrout en woonde op de westzyde van de Gouwe, over de turfbrugge, daar nu het Amsterdamse Veer is, en leefde noch in 't Jaar 1600. Wouter woonde agter de Vismarkt, op de Noortzyde, en troude een vrouw uit het oud geslacht van Proyen, en liet een zoon na, Pieter genoemt, Schilders en Schildereſſen. noemt, die naderhand Borgermeester wierd. Hy werd in zyn ouderdom beroert, maar het jaar, waar in hy gestorven is, weet ik niet. De Plaatsnyder Reynier van Parzyn, met Wouters zoons Dochter getrouwt, liet hunne afbeeldzels in print uitgaan, die wy nagevolgt vertoonen in de PLAAT B.: daar de vermaarde Dichter, Joost van den Vondel, dit volgende gedicht onder schreef: Offert WOUTER met Elias, Doove verf schynt hemels vier Eet hy 't Paaslam met Messias, Zyn penceel vol aart en zwier, Draaft te moediger en ſtouter. Stel het beeld op 't Schilders outer. DIEDRIKS uurglas is verloopen, Noch volhard by met Sint Jan, 'T volk te leeren en te doopen. Daar het grimmeld om dien man, Zoo vol yver als boetvaardig Is die helt geen konstkroon waardig: Deze twee groote meesters in die konst zyn gestorven, en ook de konst met hun, zegt W. Tomberg. Hoewel de Heer Almeloveen wil, dat in de Boekzaal van den Heere Joachim Feller, een of twee boeken gevonden wierden, daar deze konst in te leeren was. Hoe het daar mee is, weet ik niet, maar wel, dat men van de uitwerkzelen van dat geschrift niet meer gehoort heeft. Gemelde Willem Tomberg, geeft wel eenig beduid ontrent de stoffe, die zy daar toe gebruikt hebben, maar belyd zyne onkunde in de wyze Hoe, zy die stoffe Schouburgh der 30 stoffe tot zulken gebruik gebracht hebben, en begromt de zulken, die zeggen, dat men thans zulke schoone verwe niet heeft, als ouling in de glazen gebruikt is, even als of het glas toen met zulke schoone koleuren beschildert wierd, daar in te gendeel de koleuren aan 't glas gegeven worden door zilver, yzer, koper, bloedsteen, Menie, enz. daar over te stryken en in glasovens te gloejen. Waar naderhand de diepzels door het penceel, op 't reeds gekleurde glas bewerkt wierden, en andermaal gegloeit, enz. Deze W. Tomberg was de zoon van Daniel, zoons zoon van den Predikant Herboldus Tombergius; die eerst zeven jaren die konst had geoeffent, by Westerhoud van Uitrecht, die doenmaals tot Gouda woonde, en naderhand dezelve voort leerde by meergemelden Vader van Ant. van Dyk, waar door hy zo ver in die konst kwam, dat hy voor den besten gehouden wierd; gelyk hy ook naderhand, over het onderhouden van de Kerkglazen tot Gouda gestelt is geweest, van welke hy 'er ook verscheide, voor een groot gedeelte vernieut heeft, wanneer die door het schrikkelyk onweer in den jare 1674 waren ingeslagen. Dog hebben de koleuren zoo in kracht, als helderheid, by de vorige niet konnen halen. Ook word gezegt, dat naderhand nooit de stof gevonden is van 't swart, waar mede 't kleed van d'Abdisse van Rynsborg, in 't glas van Koning Salomon geschilderd is. Hy stierf in 't jaar 1678. oud 75 jaren. In en na den tyd van DIRK en WOUTER CRABET, waren ook in bloei Willem Tybout, en Kornelis Ysbrantse Kusseus. Van deze maakt, behalve den Goudze Chronyk, ook Samuel Ampsing, in zyne beschryving van Haarlem gewach, en pryst hun Schilders en Schilderessen. 31 hun konstwerk aldus in vaarzen: Hoe dapper meesterlyk kon TVDOUT glazen schryven, En wat heeft KUFFEUS hand in deze konst gedaan? W. Tybout stierf den 24 van Wiedemand in 't jaar 1699. oud 73 jaren. en Kornelis Ysbrantse Kuffeus den 24 van Blocimaand, in 't jaar 1618. D. van Bleiswyk in zyne Beschryving van Delf, gedenkt op 't Jaar 1563. van gemelden Willem Ty bout, en zeid: Dat by, in t Noordkruiswerk van de Nieuwe, of St. Ursels Kerk te Delf, een uitnemend konstig glas geschilderd heeft: waar in het afbeeldzel van Philips den Tweeden, Koning van Spanjen, nevens dat van zyn derde vrouw Elizabeth de Valois, oudste Dochter van Hendrik den Tweeden, Koning van Vrankryk, beide knielende voor een tafel daar twee boeken op lagen, vertoond wierden. Zy waren in hun pragtig Koninklyk gewaad afgebeeld, ieder met een beschermheilig achter zich, en de geslachtwapenen boven hun hoofd. In de bovenhelft van 't glasraam stond afgebeeld de Oostersche Koningen, eerbied bewyzende aan Jesus, die op den schoot van Maria zat, met een groot gewoel van Beelden rondom haar heen: braaf geteekent en geschildert. Zulks de konstkenners daar groote agtinge voor hadden. Gelyk ook voor 't konstig geschildert glas in de Kapel van de Hooge Heemraden van Delstand, die alle levensgroot ten voeten uit, in 't harnas natuurlyk geleeken, afgemaald waren, door den Konstigen LAURENS VAN KOOL. Van WILLEM TYBOUT, zietmen nu noch, ten staal van zyn Konst, op de glazen van het groot vertrek van de voorste Doelen, binnen Leiden, alle de Hollandsche Graven, ten voeten uit geschildert, Schouburgh der 32 dert, welke hy gevolgt heeft (schryft Michael Vosmerus, in zyn Boek, dat hy noemt Principes Hollandiae.) naar de afteekeningen die hy gemaakt hadde, naar de oude muurschilderyen in 't Klooster van de Karmeliter Monniken, of de Lieve Vrou we Broeders, gesticht in den jare 1249 binnen Haarlem, na dat de beschilderde paneelen, met de zelve Beeltenissen der Graven beschildert waren. Doch Kornelis van Alkemade (in zyn Voorbericht op de Hollandsche Rymkronyk van Melis Stoke, spreekt gemelden Schryver dies aangaande op pag 8. tegen, en wil dat deze alleen voor egte namaak zels, gehouden moeten worden, welke de Kloosterlingen (wanneer de eerste en egte afbeeldzels met waterverw op den muur geschilderd, door afbryzelinge des muurs en onduurzaamheid der wa terverwe verdonkert waren) op houte paneelen lieten schilderen, en die van de Magistraten van Haarlem, in 't laatst van de 15 Eeuw, uit de klaauwen der Beeldstormers gered, en geplaatst zyn op de voorzaal van hun Stadhuis, daar zy noch te zien zyn. Waarom gemelde Alkemade, de zelve ook heeft uitgekeurt, om er den laatsten druk van Melis Stokes Rymkronyk, mee op te sieren. Ik laat deze tegenrede in hare volle waarde, maar moet omtrent de printverbeeldingen zeggen: dat, zoo de zelve in allen deelen naaukeurig gevolgt zyn, naar de oude afbeeldzels op de Klooster pancelen, ik my niet verbeelden kan de ware Beeltenissen der Hollandsche Graven te zien: Aangezien verscheide beelden noch gaan noch staan konnen, noch eenige maatschikkelykheid van deelen tot het geheel, daar in is waargenomen, 't geen my doet agterdenkende worden, dat de Teekenaar even zoo min achtgevingen, in 't navolgen den onder Schilders en Schilderessen. 33 onderscheiden wezenstrekken gebruikt hebben. Deze zoo overheerlyke oude pronkstukken (gelyk Alkemade verder voortgaat) met veel arbeid geschildert en zorge bewaart, by de liefhebbers der oudheden in zoo groote agting, dat ze die Stadt niet doorreizen, ten zy ze deze eerwaarde oudheit begroet, en met veel genoegen beÅ¿chout hebben, enz. mogen wezen wat zy willen, ik wilde liever hebben die konsttafereelen van Kornelis Korneliszen daar 't Prinsen Hof te Haarlem mee pronkt: en die in zoo groote waarde gehouden werden, dat voortyts voor een geschilderde Voet (zoo die uit een der Tafercelen gesneeden mocht worden) 600 guldens geboden wierden; waar op de Dichter Jan Vos spreekt, en als met den vinger daar op wyzende, zegt: Dit is de Voet daar Luit tot honderd pont voor biet: Maar Utrecht heeft een Voet, dien gaf het graag voor niet. Zyn hondert pond, daar niet, wat heeft het Stichi voor reden: Haar Voet wil uit de Kerk, tot in het Raadhuis treden. De meenigte Glasschilders die Gouda voortgebracht heeft, schynen my toe, genoeg geweest te hebben, om alle de Kerken van Holland, met hunne konstwerken te vullen: want behalven die door anderen zyn voortgeteelt, zoo zyn uit de School van de Broeders CREBETTEN voortgesprooten Jakob Caan, Jan Dirksz Lonk, Govert Hendriksz, Jan Damesz, Aart Verhaast, Gysbert vander Kuil, Dirk de Vrye, Adriaan vander Spelt AART VERHAAST, en GYSBERT VANDER KUIL, waren yverige Konstgezellen, en getrouwe reisbroeders, door Vrankryk tot Romen toe. Verhaast, op bedreiging dat hy, indien hy niet weder in 2yn Schouburgh der 34 Vaderland keerde, versteken zou wezen van zyn erfgoederen, nam naa 't verloop van elf Jaren de te rugreis aan; dog vander Kuil bleef volle twintig Jaren uitlandig, waar naar hy wedergekeert tot Gouda stierf, in 't Jaar 1673. wanneer Verhaast al in 't Jaar 1666. overleden was; en zig scheen verhaast te hebben, om eer zyn reisgenoot weder kwam, voor uit te wezen, op de reis naar de eeuwigheit. DIRK DE VRYE verwisselde (na dat hy verscheiden maalen op zyn konst door Vrankryk gereist had) 't penceel voor de Vroedschappelyke en Borgermeesterlyke waardigheit tot Gouda, en stierf 1681. ADRIAAN VANDER SPELT was by toeval te Leyden gebooren, maar zyn afkomst aan Gouda verschuldigt. Hy was een uitstekend Bloemschilder, en had zig lang aan 't Hof van Branden borg onthouden. Eindelyk keerde hy weder tot Gou da, daar hy voor zyn derde Vrouw, een Groenings kwaadaardig wyf troude, die hem niet alleen den lust, maar ook zyn levenslamp, eer hy noch den middeltrap zyns ouderdoms bereikt hadde, in 't Jaar 1673 uitblies. JAN FRANSEVERS YL, JAN DAME DE VET, JAN CH PIETER DONKERS, zullen op hun beurt op het Tooneel komen; dog van de rest weet ik niet veel te zeggen. Maar eer dat wy daar aan beginnen, diend by de voorige (waar aan van Mander niet gedenkt) noch gevoegt te worden, JOAN DAC. Deze was een Keulenaar, en leerde de Konst by Bartholomeus Spranger, in den jaare 1556. die hy naderhand voortzette in Italien; daar na ook in Duitsland; waar door 't gebeurde dat Rudolf de Tweede, de zoon van Schilders en Schilderessen. 35 van Maximiliaan daar een welgevallen in kreeg, hem in zyn dienst nam, en naar Italien zond, om de geagtste Antique voor hem af te teekenen. Wedergekeert maakte hy veele roemwaardige werken voor den Keizer. Hy stierf aan 't Hof, en had eer en goed vergaderd. De geenen welker levensbedryf Karel van Mander maar ten deele heeft beschreven, hebben wy als maar gedoodverfd aangemerkt, en zullen nu, na voorgaande overleg, de hand daar aan leggen, om zyn tafereel daar 't gebrekkig is; op te maken. Onze pen zal tot penceel verstrekken, om 't geen ingescho ten, en duister is, door een vernis op te helderen. op dat elk in het byzonder, duidelyk en klaar gezien magh worden. De eerste die na orde van Jaren in de hand komt, is JOHANNES SNELLINKS. Karel van Mander noemt hem Hans Snellink, en spreekt, in 't leven van Octavio van Veen, aldus van hem: Daar is te Antwerpen een uitnement Schilder, gebooren (zoo ik 't wel heb) te Mechelen, wonder fraai in't verbeelden van Historien, en Bataljes. Hy is van Princen en Heeren dikwils gebruikt geweest, om Nederlandſche veldſlagen te ſchilderen, en wiſt heel eigentlyk het krygsvolk, hier en daar door den damp van 't buskruid bewolkt, te verbeelden. Hy mach nu 1604. een man van 55 jaren wezen. By gevolg geboren 1549. Meer weet ik ook niet van hem, als dat de groote VAN DYK, hem van wege zyne Konst heeft waardig geacht, onder de beste Konstschilders te stellen, en zyn beeltenis door eigen hand af te malen. Gelyk het zelve ook onder die, welke in print uitgaan, getelt wort. Ik heb hem in de PLAAT A boven aan plaatsingeruimt. My is nooit van zyne werken, maar wel de roem van de C 2 zelve Schouburg der zelve voorgekomen. Het had de Bie, die zoo veel korter op van Mander gevolgt is, doenlyker geweest, van hem wat te melden, dan my, nu'er zoo veele jaren verloopen zyn. Maar wat raad? wy moeten 't ons getroosten, dat wy van sommige Konstschilders, die in onzen tyd noch geleeft hebben, maar weinig weten te zeggen; ja naaulyks agter sommiger geboortentyd hebben kunnen komen; zoo om dat 'er van de zelve geen nageslacht meer overig was, en zy die hen in hun leven gekend hadden, dood waren, als ook om dat sommigen, die noch al veel bericht daar omtrent zouden hebben konnen geven, zig daar aan niet lieten gelegen zyn; 't geen my dikwils verdrietig gemaakt heeft, ziende dat myn yver zoo traag geholpen wierd. Ja ik kan den Lezer wel verzekeren met waarheit, dat, indien ik een yder, waar van ik onderrigtinge, in dingen die duister voor my waren, verzocht hebbe, in dien zelven yver en geneigtheit gevonden had, als daar ik in was, veele zaken meer in 't licht zouden gekomen hebben, die nu wel voor altoos in 't duister zullen begraven blyven. Om dezen tyd, of wel wat vroeger werd tot Leyden geboren Mr. ISAAK NICOLAI. Den netten tyd van zyne geboorte heb ik niet konnen naspeuren. Ook verwonder ik my dat Karel van Mander niet een woort van hem melt, te meer dewyl hy een Man van aanzien, en verscheidenmalen Borgermeester der Stad Leiden geweest is; daar en boven lang genoeg voor zyn tyd geleeft heeft om het gerucht van zyn naam en konst te konnen hooren; want men vint zyn naam al in den Jare 1596 op de Rol der Borgermeesteren getelt. * Daar en boven waren toen al van zyne Konst* Zie de Beschryving van Leiden p 618 Schilders en Schildereffen. 37 Konstwerken te zien, inzonderheid in de Vierschaar, op de groote Looyhal, en verscheiden groote huizen te Leiden, die naar dien tyd pryslyk gehandelt zyn. Wat zucht deze Heer voor de Konst gehad heeft, blykt hier aan, dat hy alle drie zyne Zoonen daar toe heeft aangekweekt. Den oudsten JAKOB ISAAKS is langen tyd te Napels geweest, alwaar hy ook een vrou troude en met de zelve in den Jare 1617 in zyne Vaderstad Leiden kwam, en de Konst tot genoegen der lief hebberen aldaar, en op andere plaatsen oeffende, tot dat hem door de Dood de draad des levens afgesneden wierd binnen Uitrecht in 't jaar 1639, daar hyook begraven is. KLAAS ISAAKSZ. zyn tweede Zoon, onthielt zig in den Haag, en zyne Konst was gewilt. WILLEM ISAAKZ. was in zyn leven Hopman van de schuttery te Delft, en een geacht Plaatsnyder, maar hem is in 't bloejenste van zyne Lentejeucht op 't jaar 1612, het leven door de Dood zeis afgemaait. Thans verschynt ADAM VAN OORT. Hoe dat dikwerf de gedachtenissen van wakkere mannen, en hunne roemwaardige werken outyds door den tyd en woede van Mars, in de vergetenheit begraven zyn, blykt hier uit, dat ik, na onderzoek gedaan te hebben, niets van hem weet te gen, als dat Karel van Mander, in 't leven van Octavio van Veen, zyn naam melt: en dat Kornelis de Bie zyne Konst pryst, zeggende. Dees Konst die heeft van OORT, zoo wel en fraai gedaan. Dat vele geeſten zelfs daar af verwonderd ſtaan. Die niet en is by 't goud van Creſus te gelyken. Die ryke schat moet voor dees hemelgaven wyken. On Schouburgh der 38 Onder zyn Afbeeldzel door Hendrik Snyers gesneden, leestmen dat hy is een leerling van *Lambert, zynen Vader geweest: dat hy is geboren te Antwerpen, in t jaar 1557. en gestorven 1641. zyne Beeltenis na het zelve gevolgt, zietmen nevens A. Elshaimer in de Plaat C. OCTAVIO VAN VEEN, geboren uit een aanzienlyk en vermaard geslacht, tot Leyden, in 't jaar 1558. Verloor zyn ouders vroeg Zyn Voogden of Opzichters lieten hem de Taalkunde, en teffens de Tekenkonst leren, by ISAAK NICOLAI, die in den jare 1506 Borgermeester tot Leiden was. Met zyn vyftiende jaar bestelden zy hem te Luik, om zig in de taalgeleertheit voort te oeffenen. Hy gaf al vroeg blyken van zyn groot vernuft, zoo in de tale, als in de teekenkunde, daar hy wel inzonderheit toe geneigt was; des zocht hy onder voorwending van de taaloeffening voort te zetten, g legentheit om daar in te konnen voort gaan, 't geen hem gelukte. Hy had byzondere kennis aan den Kardinaal Groosbek (zeit du Pile) die hem brieven van voorschryvens gaf aan den Kardinaal Maducio te Rome, daar hy wel ontfangen werd. Hy oeffende zig voorts in de talen, in de Natuurkunde, Dichtkunde, Wiskunstige Wetenschappen, en Schilderkonst, onder opzicht van Fred: Zuchero, zoo dat hy in Italien wierd aangezien voor een Man op alle wetenschappen afgerecht en gevolgelyk voor een van de grootste verstanden van dien tyd. Na dat hy nu eenige roemwaardige werken gemaakt had, vertrok hy naar Duitschlant en wierd ten Deze Lambert van Oort, van Amisfoort, groot Schilder en Bouwmeester, kwam te Antwerpen in St. Lucas Gilt, in't Jaar 1547. Schilders en Schilderessen. ten eersten in des Keizers dienst ontfangen. Naderhand ook by de Keurvorsten van Beyeren en Keulen. Doch alle de voordeelen die zy hem aan de Hoven aanboden, waren niet machtig om hem lang te houden, maar hy vertrok, en ging vervolgens zyn dienst den Prins van Parma (die toen het bestier over de Nederlanden had) aanbieden, en schilderden des Prinssen Pourtret levens grootte ten voeten uit in 't harnas. Na de dood van dezen Prins vertrok hy naar Antwerpen daar hy veele Konstwerken maakte, die daar noch in de Kerken zyn te zien. Als Aartshertog Albert van Oostenryk het bestier in de plaats van Parma had, ontbood hy hem tot Brussel te komen, en maakte hem opziener van de Geldtmunt; doch niettegenstaande hem dit ampt veel belemmeringe gaf, liet hy niet na te Schildeaen. Hy schilderde gemelden Aardshertog nevens de Infante Clara Eugenia Isabella, Dochter van Philips den II Koning van Spanje, geboren in den jare 1566. en getroud met den Aardshartog Albertus 1599. die een Zoon was van Keizer Ferdinand den II. Welke stukken tot een vereeringe gezonden werden aan Jakob Koning van Engelant Om nu te toonen dat zyn geest tot alles bekwaam was, maakte hy een lange reeks van Emblemataa, of zinnebeelden, een werk alleen voor vernuftelingen. Dus zag men van hem zinnebeelden van Horatius. 't Leven van St. Thomas van Aquina, en zinnebeelden van de ydele liefde; diehy opdroeg aan gemelde Infante, die hem daar voor zoo veel gunst bewees dat zy hem verplichtte ook iet diergelyks te makenvan de Goddelyke Liefde. Lodewyk de XIII Koning van Vrankryk deed hem C Schouburgh der 40 hem verscheiden malen zyn Hof aanbieden, maar re vergeefs; want hy had voorgenomen in de Nederlanden zyn leven in de Konst te slyten. Ge lyk hy ook te Brussel gestorven en begraven is in 't Jaar 1629, den 6 van Bloeimaand. OCTAVIO, komt my voor uit alle omstandigheden d'eerste of voornaamste geweest te zyn, die uit het Oorlogspuin 't hooft boven gesteken, en den opbouw van de Konst in Nederland (daar door de schult des Oorlogs, Konst en Konstenaars ontbraken) voortgezet en aangekweekt heeft, waarom men dan met recht van hem heeft mogen gen: zeg Dum quondam ingentis & Dat op dezen zin uitkomt, waar in hy sprekende word ingevoert, Veel stoffen dat hun pen de Helden tot de wolken Heeft opgebeurt om 't slaan van onverwonnen Volken, En hunnen roem door heel de Waerelt getrompet. Maar my lust onze Konst dus lang door Mars verplet. En in een oorlogsnacht gedompelt en begraven. Weêr op te beuren, en heur luister te doen draven Door al het werreltront. Door myne nyvre hand Is weêr de Kunst gebragt in haren hoogen stant, Waar op ik moedig ben ten trots der lasteraren. om welke rede wy zyne Beeltenis op de Tytel geplaatst hebben. Dat de alverwoestende Oorlog het Graf der Konsten en het bederf der Konstenaren is, geeft de Ystroom Schilders en Schilderessen. stroomdichter niet onsierlyk in den voorzant zyn Zege der Schilderkonst dus te kennen: O Konsten buigt voortaan uw hooft, Als gy de Krygstrompet hoort ſteken: Dat ſchel geluit vermoeit uw ſpreken. De blakende Oorlogsvlam verdoofi Den luister, die u pleeg te sieren; Mars eigent zelf dan uw laurieren Wat baat het, of gy geestig weidt, En trots braveert met uwe waarde, Wanneer een krygsstorm werpt ter aarde Uw ingebeelde onsterflykheit? Voor al ziet elk hoe d'eêlste verven Der Schilderkonst om 't hooft besterven. Dat dezelve noch al zoo arg gedrukt worden door inlantsche Kerkberoerten, en borgert visten, waar door elk genoeg om die rampen, min om de Konst te denken heeft, is door de bevindinge ontdekt; inzonderheit in zulken tyd toen de Konst meer tot pronk der Kerken, als tot huisciersal gebruikt wierd. Nu leefde hy in dusdanig een tyt waarin de Kloosterlingen bedeest stonden te kyken, als beducht voor een algemeen verval van den Roomschen stoel door de predikinge van Johan Kalvyn, Martyn Luther en anderen meer, waar door de gemoederen van 't gemeen tegens elkander in bitterheit en twist aangroeyden. In zulk een stand zomtyds arger, zomtyds beter voor de Konst, bleef het nog al eenige agtereenvolgende jaren. Want Willem Goeree teekent in zyn waereltlyke veranderingen aan, op het jaar 1566 uit van Mander, dat de Brugse Schilder, MarO kus 41 van Schouburgh der 42 kus Geeraards, die veel zig beholp met teekeningen voor de Glasschilders te maken, geheel buiten eenig werk was, wegens de nieuwe predikatien, die de Konst geheel in stilstant bracht. En hy voegt 'er by: Want de Papery raakte in Nederland zoo zeer aan 't slapbakken, dat zelfs de Schilders en Beelthouwers begonnen van slegte neringe te klagen; waarom ook gemelde Geeraards bet etzen van eenige Ezopische Fabelen in 125 kopere platen ter hand nam. welke Fabelprinten naderhand in 't Boek gebracht zyn, dat by ons noch met de naam van Vorstelyke Warande der Dieren bekent, en door den Dichter Joost van den Vondel, met leerzame uitleggingen in Vaarzen opgehelderd is. Dus ver breed genoeg, aan gezien de tyd ons gebied, dat wy zynen jaargenoot ten tooneel voeren, welke zoo 't my toeschynt. al vroeg de donkere wolken van twist, die de Konst drukten is ontvlugt, om ze elders adem te doen scheppen. In wat deel van de Konst JAN DE WAAL zig heeft geoeffent, weet ik niet. Maar wel dat hy de Konst, by den ouden Francois Franken van Herentals, gemelt by van Mander bladz. 161. geleert heeft, en zig met eenen Jan de Mayer, die een goed Schilder was, naar Parys begeven, alwaar hy zyn Konst met yver heeft voortgezet, en de fortuin hem is gunstig geweest. Hy was een Antwerpenaar van geboorte, en stierf in 't jaar 1633 oud 75 jaren. Nevens hem verschynt zyn tytgenoot ADRIAAN NIEULANT, gebooren tot Antwerpen. Deze heeft de grondbeginselen van de Konst geleert by Pieter Fransz, die te Helzevor in de Sond, in het jaar 1569 geboren is, dog een Haarlemmer van afkomst was, en tot Amsterdam woon- Schilders en Schildereffen. 43 woonden. Hy begaf zig daar na tot het onderwys van Francois Badens, die wel een Antwerper van geboorte was, maar 't zedert zyn vyf jaren met zy ne ouders, die om den Spaansen moordlust t'ontwyken, in den jare 1576. tot Amsterdam was komen woonen. Hy was een goet Schilder van kleene Beeltjes en Landschappen, en stierf op den 5 van Bloeimaand 1601. De Bloemen, welke met hare menigerhande schoone gestalten, aangenaame koleuren, en verkwikkende geuren, de hooven sieren, en het oog der aanschouwers verlustigen, ontspruiten in 't prilste van den Zomertyd; maar onze ABRAHAM BLOEMAART, een der schoonste en welriekenste bloemen in den bloemhof der Konst, ontlook in den guuren wintertyd, ontrent Kersda in 't jaar 1564. binnen Gorkom. Hy was een konstig Bouw- en Vestingbouwmeester en zyn Vader een Beeltsnyder, zeit K. de Bie by vergissing. Dog van Mander zeit: zyn Vader Kornelis Bloemaart ge noemt verſtont zig op de Bouw, en Veſtingbouwkun de, daar beneevens was hy een Konſtig Beeldſnyder. 't Is klaar dat de Bie (die 't levens bedryf uit van Mander ontleent heeft) in 't naschryven geen genoegzame acht heeft gegeeven. Van Mander geeft reden waarom zyn Vader uit zyne geboortestad Dordrecht met er woon naar Gorkom vertrok, van daar naar 's Hartogenbosch, van daar weer naar Uitrecht, hoe dat onze A. BLOEMAART van Parys 't huis gekomen, van Uitrecht te Amsterdam kwam wonen met zyn Vader die aldaar voor Stadts Bouwmeester is aangenomen geworden. Na des Vaders overlyden keerde BLOEMAARD weder naar Uitrecht. En hy is (zeit de Bie) over Schouburgh der 44 over drie of vier Jaren eerst gestorven. Alsmen 4 Jaren aftrekt van 1662 (wanneer zyn Boek gedrukt is) zoo komt het uit op 1658. Dog het is niet te denken, dat hy dus oud zouw geworden zyn. Dus moet men het zeggen over 3 of 4 Jaren, nemen op den tyd als hy dit boek schreef, dat veel Jaren kan geweest zyn eer het ter drukpers kwam, en over zulks deze rekening onzeker is. Doch dat hy een oud man geworden is, blykt uit het Rym, waar in men aldus leeſt: De Dood had hem geſpaart omtrent de hondert Jaren. Wat Meester hy tot onderwyzer in de Konst gehad, en wat voorname stukken hy gemaakt heeft, en welke noch van hem te zien zyn, kan in van Mander nagelezen worden op p: 209. die daar in met de Bie verscheelt dat hy verscheiden Meesters met namen optelt, waar by Bloemaart geleert zou hebben, d'andre daar en tegen zeit: Meest heeft hy uit den geest dees Konst alleen bekomen En zonder onderwys Zyn Beeltenis zietmen in de Plaat C boven de beeltenissen van Elshaimers en Ad, van Oort, Hy heeft drie Zonen naargelaten die mede de Konst hanteerden. HENDRIK, d'oudste, had de Schilderkonst by zyn Vader geleert, doch weinig van zyn geest en aart overgeerft, ook geene bekwaamheit om met de Waerelt te konnen omgaan, waarom Sandrart geestig van hem zeit: Hy heeft zyn gelukskogel niet vernuftig genoeg weten voort te ſchieten, en dus is het afzetzel van die schoone Bloem verstikt. In de tweeden, ADRIAAN ge P.45. C 7 Schilders en Schilderessen. 45 genoemt, was meer geest en yver. Hy werd een goed Schilder, en trok naar Italien om zyn Konst voort te zetten, daar in hy dapper toenam. Daar na raakte hy in dienst te Salsburg by eenen Benedictus groot beminnaar van Konst, en maakte daar vele fraje stukken. Maar geraakt in woorden met een Student, werd hy door gesteken. KORNELIS de Jongste had zig ook tot het schilderen begeven, maar verwisselde 't penceel voor 't graafyzer, naardien zyn natuur daar toe meer geneigt was. Hy leerde de behandelinge van 't graafyzer by Krispyn van de Pas: en kwam in korten tyd zoo veer dat hy verscheiden platen, zoo naar teekeningen van zyn Vader, als van anderen in koper snecd, waar van de drukken noch onder de lief hebbers van Printkonst in agting zyn. Hy vertrok om gelegentheit tot het maken van grooter werken te hebben eerst naar Parys en van daar naar Romen, daar hy veel heerlyke Printen na Schilderyen van de geachte Italiaansche Konstschilders gemaakt heeft. Zyn Vader die groote geneigtheit had om hem voor zyn dood noch eens te zien, ontbood hem; maar het overkomen werd van hem zoo lang vanden eenen tot den anderen tyd verschoven tot dat zyn Vader stierf, en hy toen voornemens wierd daar te blyven. En stierf'er in grooten ouderdom. Hoe verschillig de Konstoeffenaars zyn, in opzigt van de verkiezinge hunner voorwerpen, en hoe deze tot dit, en wederom andere tot dat deel van de Konst door een natuurlyke zucht worden aangedreven, zalmen doorgaans in ons werk konnen bespeuren. TOBIAS VERHAEGT was gezet op 't schilderen van Geboomte, Gebergten, Ruinen Schouburgh der 46 nen, Gebouwen &c. K. de Bie melt tot zynen roem, Hoe fraay dat yder stuk verzacht is in't verschiet: De Boomen ſchoon getroſt en levendig geſchildert, De gronden los en mals, de takken dicht verwildert. Hy is om zyn Konst heel bemint by den Harto van Florensen en sedert te Romen beroemt geweest, Daar hy ook heeft gemaakt den Babilonsen toren, Die daar meer werd geacht als eenig werk te voren: Gelyk hy naarmaals noch gemaakt heeft drie of vier, Waar van m'er eenen vint geschildert binnen Lier; Die Frank heeft gestoffeert met aardige Figuren, Waar door dat zynen roem zal eeuwig blyven duuren. In 't Leven van Octavio van Veen vind ik zy nen naam onder de Aankomelingen geboekt. Hy kon roemen dat hy een grootmeester tot onderwyzer gehad heeft, en door dat zelve Konstzog ook een groot moester (te weten Petr. Paul. Rubbens) opgekweekt heeft. Hy is geboren te Antwerpen in den jare 1566. en aldaar ook gestorven in't Jaar 1631. Nu volgt de Konſtige Portraitſchilder MICHIEL MIEREVELT, geboren te Delf 1567. wien wy moge vergelyken met de Aardvruchten, die hunnen bestemden tydt hebbende om te volgroeien, echter menigmaal, wanneer de Natuur de zelve door bekwamen reegen en zonneschyn gunstig is, eerder tot rypheit komen, dan de Landman gewacht had, 't geen hem dan hoop geeft van zyn oegst en winst zeker te hebben. Dus is het Schilders en Schilderessen. 47 het gebeurd met onzen MIEREVELT, van wien getuigt word, dat de vruchten van zyn vernuft vroeger als naar gewoonte tot rypheit gekomen, groote hoop van eenen gelukkigen uitslag aan zyne ouders gaven; want met zyn agtste jaar kon hy trots den besten Schoolmeester van Delf schryven; waarom hy al van zyn twaalfde jaar af, by den vermaarden Konstschilder Anthony Blokland besteld werd, om de Konst te leeren, welkers penceelhandeling hy in weinige jaren wist na te bootsen. Ons lust het levensbedryf, van dien puikschilder zyner Eeuw in Pourtraiten, te vervolgen tot aan zyn grafstee, daar wy uit 's vaders lykas een jongen Fenix, den Vader niet ongelyk in schoonheit, zullen zien voortspruiten. Van Mander, breekt de schakel van zyn levens bedryven af, met tot zynen roem te zeggen, op pag 196. Dat hem de Hertog Albertus, om zyn verheven Konst, met grooten ernst heeft aangezogt. En Sandrart zegt. dat hy zo ver in de gonst des Hertogs door zyne Konst was ingedrongen, dat hy hem vergunde en vryheit gaf, om zyn Mennonisten Godsdienſt die toenmaals naau vervolgt werd, onverhindert te mogen beleven. En als wy de oude gedenkschriften der Stad Delf doorsnuffelden, vonden wy ook t' zyner eere geboekt, dat, als Koning Karel de eerste troude met Henriette de Bourbon, Dochter van Henrik den IV. Koning van Vrankryk, in den jaare 1625, hy verzocht werd om te Londen by zyne Majesteit te komen, het welke hy ook gedaan zoude hebben, ten ware in dien zomertyd het pestvuur zig te Londen zodanig verspreid hadde, dat de Koning en Koninginne zelf geraden vonden, de stad te ruimen, waar door zyn voornemen gestuit zynde hy besluit nam het overige van 48 Schouburgh der van zyn levenstyd in zyn eigen Vaderland te eindigen. Gelyk hy ook, na dat hy vele Vorsten en Heeren geschilderd heeft, tot Delf gestorven is, op den 27 van Hooimaand 1641. en een goeden naklank nagelaten heeft. De vermaarde Dichter Joa chim Oudaan maakte 't zyner gedachtenis dit tydtellend Grafschrift: DAT AAN DEN GROOTEN MIEREVELT STERFLIK VVAS. ALS 'T TOT ASCH EN STOF HEEN VIEL, IS HIER GESTELT, HET ANDER LAAT GEDACHTENIS AAN DEES KREITS; OF REE WEITS NAAR 'T RIIK DAAR GEENE NACHT EN IS. M. DC. XLI. Ik vind ook een ander op zyne afbeelding door hem zelf geschildert, aldus: Dit 's d'uiterlyke schyn van Michiel MiereVELDT, Die door zyn groote geest hem zelfs onsterflyk steldt. Onder zyne leerlingen worden geteld inzonderheit Paulus Moreelze, Pieter Gerritze Monfoort en Klaudius Kornelisze. Hy was een wel bespraakt en vrindelyk man, waar door hy over al aangenaam was: men gelooft dat hy in zyn leven wel 5000 Portraitten gemaakt heeft, waar onder zyn geweest daar hy 150 gulden voor gehad heeft. Een groot getal van zyn Pourtraitten ziet men in koper gesneden van zyn zwager Willem Delff, in druk uitkomen, deze is gestorven voor zyn schoonvader, Schilders en Schildereffen. 49 vader, welke overleden is te Delfden 27 van Hooimaand 1641. en heeft naargelaten twee zoonen, den eersten PIETER MIEREVELT, geboren 1595 den 5 October, die een uitmuntend Pourtret schilder geweest is, gelyk men zien kan aan een stuk op de Snykamer tot Delf, zynde van den zelven aart als van zyn Vader. PAULUS MOREELSE is geboren tot Uit recht, in 't jaar 1571. Karel van Mander gedenkt aan hem in zyn Boek op pag. 212. B. en zegt: Ook is t'Uitrecht een Schilder geheeten Paulus Moreelze. Deze is byzonder in het Konterfeiten zoo groot als 't leven: heeft 'er tegenwoordig verscheide onder handen, welke meesterlyk behandelt zyn, als van den Graaf en Gravinne van Kuilenborg ten voeten uit, zoo groot als 't leven; de Huisvrouw van Sr. Knotter, welke trooni konstig gehandelt is, en andere meer. Deze is een leerling van Michiel Mierevelt, en noch redelyk jong. Wy voegen hier by, dat hy toen al in Italien geweest had, en daar door in zyn Konst merkelyk was toegenoomen. Hy had zig te Romen zynde geoeffent in 't schilderen van Historien, maar vond daar toe geen tyd om eenige Historistukken te maken, om dat hy door de menigvuldigheit der Portretten, die hem van alle kanten toevloeiden, belemmert of belet werd. Hy was niet alleen een konstig Schilder in diervoegen, dat hy grooten roem behaalt heeft, maar daar nevens ook Bouwmeester, waarom ook de Katrynepoort, te Uitrecht, naar zyn bestek gebout is. Hy is gestorven Raad en Schepen der Stad Uitrecht, in het jaar 1638. en zyn lyk werd met een statig gevolg ter aarde bestelt. Dit mogt den vromen JAN VAN KUIK WOUTERSZOON, konstig Paneel- en Glasschilder niet gebeuI. DEEL. ren, Schouburgh der 50 ren, hebbende zyn noodlot gewilt, dat zyn lichaam levendig door de vlamme verteerd wierd. Het is byna niet om te geloven, dat menschen waar in de rede, liefde, verdraagzaamheit, medelydzaamheit en alle Kristelyke deugden en hoedanig heden, volgens het voorbeeld en de leere van hunnen patroon Jesus, onder welkers Baniere zy zig hebben laten inschryven, behoorden plaats te heb ben, zig tot zulken vervloekten drift, haat, en dwingelandy hebben konnen uitlaten, zoo niet menige voorbeelden ons hadden doen zien, dat de drift der zulken veel ongetoomder, hun haat vinniger, en hunne meesterschap met dwingelady verzelt gaat. Trouwens ieder byna weet wat de Latynsche spreuk, Odium Diabolicum, en Odium Theologicum, beduiden wil. Maar wat zullen wy zeggen? wy zien dat het egter dus gebeurt, tegens het recht der natuur aan, die yder in opzicht van zyn Godsdienst vrye keur laat, zoo dat, wie het zy, niemant bevoegt is over eens anders gemoet te heerschen, en desselfs begrippen, naar zyn oordeel of begrip te dwingen: dewyl yder mensch in dat opzigt op zich zelven staat, en van niemant afhangt dan van zyn Schepper, aan wien hy daar van rekenschap zal moeten geven ten laatsten dagen. Egter, gelyk wy even noch eens zeiden, gebeurt het; en zal het voorbeeld van dezen man hier toe ten bewys konnen dienen. JAN VAN KUIK WOUTERSZE werd om zyn geloofsgevoelen, 't geen van dat der Monniken verschilde, aangeklaagt, en gevolgelyk te Dordrecht op de Vuilpoort, toenmaals de Gevangenpoort, gezet, met Adriaantje Jans van Molenaars Schilders en Schilderessen. 51 Molenaarsgraaf. Daar hy eenen langen tyd gevangen zat, om rede (gelyk my klaar toeschynt, dat de Hoofdschout, Jan van Drenkwaert Boudewynsze, hem wel liefst had willen verschoonen: en dus, gelyk men gemeenlyk in zulk geval doet, het uitvoeren van het vonnis van tyd tot tyd uitstelde, en sleurende hield. De gemelte Hooftschout was noch jong en ongebaardt, waarom zyn Pourtret ook konde dienen voor Salomon, in de Historische vertooning van zyn eerste Recht, waar van hy een groot tafereel in de gevangenis had beschilderd voor den Opperschout. Doch dit doen veroorzaakte niet alleen agterdenken by de Monniken, maar zy hadden de stoutheit van in hunne openbare Predikatiente zeggen: dat de Schout hem dus lang in de gevangenis hield. om dat hy voor hem zoude schilderen; en lasterden zyne slaphertigheit. Waarom de Schout zig gedrongen vond, hem ten slagtoffer hunner woede over te geven; gelyk geschiedde, zoo dat hy, op het nieuwe werk te Dordrecht op den 28 van Lentemaand 1572. in weerzin van de meeste aanschouwers, te gelyk, met de voorgemelde Adriaantje Jans, levendig om de getuigenissen van Jesus Christus, is verbrand. Hy liet na een bedroefde Vrouw, een Dochtertje van 7 jaren, en een goet gerugte. Hem volgt SEBASTIAAN FRANKS, van wien van Mander, op pag. 208, aldus meld: Hy heeft geleert by Adam van Oort, en is nu 1604 oud omtrent 31 Jaren; is geestig in 't maken van Landschappen, Peerdekens en Beeldekens. K. de Bie meld daar benevens van Gabriel, en D 2 de Zie Matt. Balens beschryvinge van Dordregt p. 841. en 't Bloedig Tooneel der Doopsgezinden, pag. 590 en 628. Schouburgh der 52 den Jonge Frank, dien ik gis dat hy naderhand in zyn rym Jan Baptist noemt, op pag. 100. en onder de Pourtretten van Van Dyk, zietmen Sebastiaan; Fransois, en Fransois Francs den jongen. SEBASTIAAN komt my voor als de grondwel, waar uit de andere Konstbeken afvloeijen, of hun ne afkomst hebben. Immers hy schynt my toe de eerste van dien Konststam te wezen, aangezien van Mander van geene anderen meld. En hier in komt de Bie, met van Mander over een, dat SEBASTIAAN, een braaf Schilder van Landschappen en Figuurtjes was. Myn schoonvader Jakob Sasbout Souburg had in zyn tyd twee Landschappen, met fraaije Figuurtjes van hem, op koper geschildert, die my altyd wonder wel bevielen. In 't eene stond afgebeeld, hoe de kinderen van Bethel, die den Propheet, Kaalkop na riepen, door de Beeren verscheurd wierden. In het ander was een Historie uit het Nieuwe Testament, en de beeldjes waren vast geteekent, en los gekleed. Van den jongen FRANKS zegt de Bie, dat zyn Konst bestond in het verbeelden, zoo van Historien van 't Nieuwe Testament, als van het oude Roomsche Volk, het gewoel is zonder ent, het geen zyn eel penceel daar in weet af te beelden, en met een lossen aart daar kragtig uit te haalen. Wie nu van deze de Konstvertrekken, behangen met veelerhande Konststukjes, in 't kleen, en zoo, dat men daar in de behandeling klaar ziet, van elken meester, geschildert heeft, weet ik niet. Wy zien dat de beruchte van Dyk hunne Beeltenissen heeft waardig geacht, om onder de groot ste Konstschilders van dien tyd gestelt te worden. Nu komt in orde van tyd ten Tooneel de Konstschilder ADAM ELSHAIMER, geboren te Frank Schilders en Schilder essen. Frankfoort, in 't jaar 1574. Zyn Vader was een Pottebakker, anderen zeggen een Kleermaker, die in hem van jongs af aan een groot vernuft, en drift tot de Schilderkonst bespeurende, hem besteedde te Frankfoort, by Philip Offenbach, * een goed teekenaar, en Schilder: dien hy nadethand veer in konst heeft overtroffen. Hy was wars van alle geselschap, doorgaans droefgeestig, en geneigt tot eenzaamheit. Tot zyne uitspanningen verkoos hy de afgelegenste plaatzen, waarom hy dikwerf in Kerken en oude vervalle Ruinen, by zig zelven gevonden werd, en van die geneigtheit niet was af te trekken tot gezelschappen van zyne Konstgenooten of anderen, zeggende: Toen ik my wende met de menschen te verkeeren, Vond ik dat by hen niet, als kwaatdoen, was te leeren. Door welk doen hy wel een tweede Democriet scheen te wezen, die (volgens het schryven van T. Stanley uit Lucianus en Agellius) in eenzame plaatſen, en in de Graven, die door hunne eenzaamheit en duisterheit tot overdenkingen best dienden, gelyk ook tot het oeffenen van de kracht zyner verbeelding, zig verbergde, om buiten het gewoel der menſchen te wezen. Hy heeft weinig stukken, maar kragtig, uitvoerig en met veel moeite bewerkt, in zyn leven geschildert. Doch heeft echter aan dat kleen getal genoeg doen blyken, dat hy een groot meester in de Konst was. Had hy in zyn leven voor zyn KonstD 3 Van dezen Offenbach of Uffenbach, Leermeester van A. Elshaimer, is een groot Altaarstuk, te Frankfoort, in de Kerk van de Predikheeren, verbeeldende de Hemelvaart van Christus, te zien. Hy had zig in de Borgerlyke oproeren gemengt, en stierf in 't Jaer 1640. Schouburgh der 42 Konstwerk zoo veel gekregen, als 'er nu voor betaald word, hy waar licht niet arm gestorven; want dat stukje 't geen Ceres verbeeld, daar zy een jongen, om dat die haar bespotte, in een Hagedis herschept, daar Ovid in't 5. B. af vermeld, en dat door H. Goud gesneden, in print uitgaat, is verkogt voor de somme van 800 gulden. Maar wat zal ik zeg gen? de minste van de Konstenaars zien de waarde van hun Konst betalen by hun leven, en moeten zig overzulks met onzen Elshaimer getroost hou den; die niets naargelaten heeft, voor al zyn vlyt, dan een beroemden naam, die met zyn doorblokte penceelwerken, eeuw in eeuw uit stand houder zal. In welk opzicht men zegt: 't geen op een sprong gemaakt wort, is met een weder gebroken. 't Geen een eeuw duuren moet, moet in een eeuw gemaakt worden. Het kostelykste van alle Metalen groeit allertraagst. Michiel Angelo, die zeer lang aan zyne werken bezig was, zeide: Dat de verhaasting niet docht in de Konsten: en dat gelyk de Natuur langen tyd bezig is om de dieren te vormen, die lang moeten leven; van gelyken ook de Konst, die zig voorſtelt de Natuur te volgen, enz. De vroege lentevruchten kan men niet lang bewaren. Waarom ook Apelles eenen Schilder, die hem een zy ner penceelwerken vertoonde, en daar nevens zeide, dat hy 't zelve in zoo korten tyd gemaakt had, tot antwoord gaf: Men heeft geen moeite om dat te gelooven, want men ziet het aan't werk. Maar het was licht aan het penceelwerk van onzen Konstenaar te zien, dat hy 't met het kostelyke zweet van zyn vernuft, en door een weergadeloos gedult bearbeid had. Sandrart zegt: Hy had een Roomsche Vrouw getrout, en had veel Kinderen: waar door hy in Schulden Schilders en Schildereffen. 55 schulde verviel, arm werd, en eindelyk in de gevankenis raakte in den jare 1632. leefde zyn vrouw noch, en verscheide zoonen, maar toen was by al lang dood. David Tenier de Oude, heeft in Italien by hem geleert. Maar inzonderheit word zyn leerling Jakob Ernst Thoman van Landau, geroemt, die zyn handeling zoo net wist na te bootzen, dat 'er weinig onderscheid in te vinden was. Van een geheel anderen aart en begrip was zyn Jaargenoot LUCAS FRANSOOIS, de oude. De Voorste beminde de stille eenzaamheit, deze het Hofgewoel: de eerste veragtte het geld. of behield niets, de laatste had het lief en bedienden zig daar van. Hunne begrippen verscheelden ook zoo veel, als hunne geboorteplaatsen van den anderen lagen; want hy begreep: dat de Hoven de fortuin van de Konst zyn, en dat men die by de hairen moet houden zoo lang zy hare gunſt aanbied. Zes jaren heeft hy in Spanjen en Vrankryk zyn Konst, zoo wel in Historien als Pourtretten met lof geoeffent. Men ziet noch van zyn Konstwer ken te Mechelen, daar hy geboren is, in het jaar 1574 op den 25 van Louwmaand, en is gestorven op den 16 van Herfstmaant 1643. naarlatende twee zonen Pieter en Lucas, die brave Konstschilders geweest zyn, en dien wy op 't jaar van hunne geboorten zullen gedenken. In den tyd dat Adam Elshaimer, daar wy even te vooren van gesproken hebben, te Romen was. was HENDRIK GAUD, geboren te Uitrecht, uit een doorluchtig geslacht, ook daar. Deze hield groote gemeenschap met Elshaimer, 't zedert hy kennis met hem gemaakt had, wanneer hy in Holland was, en had groote achting voor zyn konst, waarom hy niet alleen kocht, 't geen hy maakD 4 te, Schouburgh der 56 te, maar gaf hem ook gelt voor af, om voor hem te schilderen. Hy zelf schilderde ook op die wyze, waarom hy die ten Model hield, maar inzonderheit stak hy uit in 't plaatsnyden, gelyk hy ook de opgegaarde konst van Elshaimer, wedergekeert tot Uitrecht in koper bracht, 't geen zyn eerste en laatste werk geweest is. Want een Juffrouw die graag met hem wilde trouwen, gaf hem iets in, dat in stee van hem verlieft te maken, hem 't verstand deed verliezen (dit was in 't jaar 1624) zoo dat hy geen weet van iets had, ten zy men hem over de Konst aansprak, daar van hy tot zyn dood toe wist te oordeelen. ROELANT SAVRY Jakobszoon is geboren te Kortryk in Vlaanderen, in 't jaar 1576. Gelyk de neiginge der menschen zo wel als hunne wezens onder malkander verschillen: zo is de een ook van een vergenoegder aart als de ander. Vele hebben zich vergenoegt met slegts een gering deel van de Konst te bezitten, en waren met hun lot te vreden. M. HONDEKOETER Schilderde Vogelen: P. SNAYERS viervoetige Dieren: OTTO MARCELIS Slangen, Hagedissen, &c. EEMONT Watervogels, Kruiden &c. Deze beelden, geene Landschappen. Maar R. SAVRY verstond dit alles, zoo dat men niet kan zeggen, in wat deel hy best was. Zyn Vader JAKOB SAVRY, die mede een goed Schilder was, leidde hem tot het Schilderen van Vissen, Vogelen, en andere dieren, maar deze bepaling scheen hem veel te eng; dus oeffen de hy zich daar benevens in Landschappen, inzonderheid Noortsche gezigten, als Klippen en Watervallen. Ondertusschen geviel het tot zyn geluk, Schilders en Schilderessen. 57 luk, dat de Keizer Rudolph van zyne werken quam te zien, zyn werkzamen aart prees, hem in zyn dienst nam en gelegentheid gaf om met een Heer na Tyrol te reizen, om alle fraje gezichten van Landschappen en Watervallen na 't leven af te tekenen, en zich den aart en natuur der dingen door gestadige beschouwinge in te drukken, het geen hy ook wonder vlytig in agt nam: teeke nende alles wat hem schilderachtig voorkwam in een boek, 't voorste werk met de pen, de verschieten met potloot, en voorts met kleurige sape jes, of met flaauwe waterverf overwassen: waar van hy zich naderhand bediende als hy te Praag de Gallery met Landschappen beschilderde, waar van de meeste door Egid. Sadelaar, en zyn leerling Izak Major, in koper gesneden in print uit komen. Na de dood van Rudolf, die voorviel in 't jaar 1612. begaf hy zich naar Holland daar hy veele zoo groote als kleene Konststukken voor de liefhebbers geschildert heeft. Hy was een man van middelbare gestalte, maar diklyvig, 't geen aan zyn kopstuk of borstbeeld, dat op verscheide wyzen in kooper gesneden uitgaat, wel te zien is. Wy hebben ons bedient van dat gene welk van P. Moereels geschildert, en door Geertruyd Rogman in koper gesneden is, waar van wy een proefdruk vonden by den Konstliefdigen E. Fey tama, waar onder Hend. Lamb. Rogman 1640, met zyn eigen hand geschreeven had: ROELOP SAVRY Schilder van Rudolphus en Mathias Roomse Keizeren &c. met eenige Rymregelen die op dezen zin uitkomen: He D 5 Schouburgh der 58 'T schynt dat SAVRY. Natuur te booven heeft gestreeft; Wanneer by Bosch en Rots, en grazige Valeyen, Waar in 't viervoetig vee gaat lustig spelemeien, Door konst verbeeldde. Zy hem daarom nydig heeft Den Dood geport zyn zeis, tot zyn bederf, te wetten. De Konſtgodes betreurt dit droef en deerlyk lot Van haren Lieveling, ſchoon oud, te vroeg geknot. Maar Veerman Charon kon zyn ziel naau overzetten; Om't Elizeesdom, 't geen zyn boot aan allen kant Omringde, en vreugdig aan den nieuling bood de hant. Ik heb eens een groot stuk van hem gezien, verwonderlyk konstig geschildert, waar in Orpheus een Tracisch harpspeelder, zoon van Apol en Kalliope, een der negen Zanggodinnen, verbeeld was, daar hy als Nazo in zyn II boek der Herschepping, zeit: 't Geboomte, t grimmig wiltgedierte en steenen door zyn snarenspel verrukt, lieflyk streelt en naar zich lokt. Dit is de Fabel. maar zy wil te kennen geeven, dat hy wilde en woeste menschen heeft weten te temmen en van aart verwisselen, hen afleidende van de ongeregelde wyze van leven, door wetten te geven en Godendienst in te stellen, waar door hy dezelve tot deugt, beleeftheid, vriendschap en Gastvryheit geleit heeft. Justinus zegt: dat Midas, die ryke Koning van Frygie, zoon van den Ossenhoeder Gordius, van Orfeus onderwezen in Frygien, de Godendienst instelden. Horatius heeft deze Fabel insgelyks zoo verklaart. Hoor zyn Vertaler A. Pels op g.34 ........ want Orpheus, zo in zynen tyd geacht, Die tolk der Goden, heeft het menschelyk geslacht Door Schilders en Schilderessen. 59 Door vaarzen afgeschrikt van moord, en beestig leeven; Waarom die brave naam den held is nagebleven, Dat hy de Leeuwen, en de Tygers temmen kon. En vervolgt: Ja Vorst Amphion, die oud Thebe zelfs begon Te bouwen, kreeg dien naam, dat hy de harda steenen Kon leiden door zyn luit, en vleyend dicht, waar heenen Hy wilde. Dusdanige uitlegging hebben wy ook elders in 't breed aangetoont. Gelyk door de warmte der Zomerzon de vrugten tot hare volkomene rypheid worden gebragt: zoo word ook het verstand van een Konstschilder door de kundigheid van de bedoeling der Fabelen tot volkomen begryp gebragt, om alle verbecldingen, van wat aart zy ook zyn mogen, door dit behulp, uit de byvoegselen spraak by te zetten, doende dus de stomme Schilderyen spreken. By 't eerste voorkomende voorwerp zullen wy de proef van ons gezegde opmaken, en aantoonen wat nut zulks te weten, een Konstschilder geeft. Immers zoo ons de lust daar toe byblyft, en de draad van ons leven zich zo ver uitstrekt, dat wy ten einde van dit werk, eens tot rust zullen gekoomen wezen, zullen wy den uitleg der Fabelen van Ovidius ter hand neemen, op dien voet als het PALEPHATUS begonnen heeft, in zyn boekje van de Ongelooflyke Historien. Hy had zich gewent des morgens naarstig te schilderen, en 's namiddags in gezelschappen te gaan, en bleef ongetrouwd; en zoo hem iemand naar den Schouburgh der 60 den waarom vraagden dien zette hy af met de spreuk van Horatius: ........ Melius nil caelibe vita: dat is: Niet beter als een ongetrout leven. Of ook wel met het vaarsje dat uit den Dichter Menander, dus vertaalt is: Wie trouwen wil mag trouwen; Maar wie de rust bemint, Die wagte zich van vrouwen. Hy leefde wel vernoegt, en woonde t'Uit recht daar hy ook gestorven is, in 't jaar 1639. Dit jaar 1577 ruim zoo vrugtbaar als de voorgaande in 't voortbrengen van Konstenaaren, brengt uit Antwerpen, de wieg van zoo menig vermaard Konstenaar, ADAM WILLAARTS te voorschyn. Deze had zich gezet tot het Schilderen van Rivieren, niet Barken, Schuitjes, en Galeyen vol gewoel van kleyne Beeltjes, gelyk ook Zee, en Stedehavens, woelig door 't dryven van Koophandel, en laden of ontladen van vragten, 't geen hy alles heel uitvoerig, natuurlyk en konstig door zyn Konstpenceel heeft afgemaalt, zoodanig dat hy door het zelve is geroemt geweest. Inzonderheid ('t geen ik by na overgeſlagen had) muntte hy uit in 't verbeelden van Brand. Hy is t'Uitrecht. daar hy woonden, overleden. AART JANZE DRUIVESTEIN, dien van Mander in 't laatste van zyn Boek onder de aankomelingen gedenkt, werd een fraay Landschap en Beesteschilder: doch oeffende die konst nit 61 Schilders en Schilderessen. uit enkele liefde tot de zelve, en niet uit noodwendigheid. Hy word onder de Borgermeesteren van Haarlem getelt, en was ook voor dien tyd Ouderling van de Gereformeerde Kerk. Hy overleed op den 5 van Oegstmaand 1617 oud 50 Jaren. Nu volgt zyn brave tydgenoot JAKOB WILLEMSZ DELFF. Deze was een goet pourtretschilder, als kan gezien worden op de Stads Doele te Delf, aan het rot Schutters dat hy in den jare 1592 heeft geschildert, 't welk met het opspringen van 's Lands Buskruidmagazyn in 't jaar 1654 nevens meer andere Konststukken gekneust en aan flarden raakte, maar om de agting, welke zyn zoons zoon de Heer Jakob Delff daar voor had, weder gekalfatert en herstelt wert. Hoe groot een zucht en liefde JAKOB voor de Konst had, blykt daar uit dat hy alle drie zyn zonen daar in heeft opgekweekt. KORNELIS DELFF, de oudste, had eerst zyn Vader, daar na Korn. Kornelisze van Haarlem tot Leermeester in de Konst, en was een goed Stillevenschilder. ROCHUS DELFF, de tweede, een goet pourtretſchilder. WILLEM DELFF, de jongste, een konstig plaatsnyder. Deeze was getrouwt met een Dochter van den beruchten M. Mierevelt, wiens voornaamste pourtretten hy in Koper gesneeden heeft. Hy is overleden op den 11 van Grasmaand 1638. In dit zelve jaar 1577. den 28 van Wiedemaand is dat grote zonnelicht, aan den Nederlandsen konsthemel Schouburg der 62 hemel, namentlyk, PETRUS PAULUS RUBBENS, tot Keulen, aan den Ryn, tot grooten luister dier stadt, opgegaan. Want heeft de Duitsche Maro, Joost vanden Vondel, door zyn geboorte de Agrippyner stedekroon een paerel bygezet: zoo heeft zy geen minder luister ontfangen, door het te voorschyn brengen van dezen nieuwen Apelles, aan wiens helder konstvuur veelen hun lamp hebben aangestoken. Zyn Vader Jan Rubbens, van edle afkomst, en Raadsheer in den Raad van Braband, vond zich gedrongen door een inlandse beroerte, Antwerpen te ruimen, en zyn wyk te nemen, met zyn Vrouw tot Keulen, om dat haar zwanger zynde door schrikken, geen ongeval mocht overkomen, by welke gelegentheit dan onze PETRUS PAULUS RUBBENS aldaar geboren is. Dus verhaalt du Pilé, het welk bevestigt wort door Florent. le Comte, dien ik doorgaans veel netter en opmerkender bevind als Kornelis de Bie, die Antwerpen tracht door RUBBENS geboorte te vereeren. Doch het zy daar mee zoo 't wil: de konst vind reden van zig te verheugen over de geboorte van dat konstlicht, dat over de geheele waerelt schynt. De onlusten gestilt, trokken zyne ouders van Keulen weder naar Antwerpen. Zyn Vader na verloop van weinig jaren gestorven, werd hy door zyn Moeder en Voogden ter school bestelt om talen te leeren; met voornemen om hem in de Rechtsgeleertheit op te kweken, ten einde hy daar na het aanzienlyk ampt van zyn Vader mocht bekleden. Daar benevens verzorgden zy hem van bekwaame meesters; om hem in zyn buitentyd andere eerlyke Wetenschappen en Konsten te laten leeren, aangezien zyn geeft tot alles bekwaam scheen P.65 Schilders en Schilderessen. 63 scheen; en ziende hem ook zonderling geneigt tot de teekenkonst, bezorgden zy hem een goed meester, om eenige van zyne buitenuuren in die oeffeninge te besteden. Maar 't was niet lang daarna of zyn drift en geneigtheit groeide tot die Konst zoo sterk aan, dat zyn Moeder en Opzigters geraden vonden, zyn geneigtheit op te volgen, en geheel tot het leeren van die Konst over te geven, en bestelden hem dus by OCTAVIO VAN VEEN, Schilder van den Hertog van Parma, en den Aartshertog Albertus: of wel eerst by TOBIAS VERHAACHT, wiens Beeltenis met die eer, il este premier mai$tre du fameux P. P. Rubbens, pronkt. Anderen willen dat ADAM VAN OORT zyn eerste onderwyzer in de Konst geweest zy. Het lust ons niet eene pennetwist, om zyn geboor teplaats, of wie in hem de eerste gronden der konst gelegt heeft, aan te rechten: maar ik zeg als Basilius Kennet, in de levensbeschryving van den Grieksen Dichter Homerus, by gelegentheit van den twist der * Steden, over zyne geboorte: Ondertusschen hebben de beminnaars van de Dichtkonst zig van die onzekerheit bediend, en gewilt, dat zoo wel hun groote meester, als hun konst, van een Goddelyken oorſpronk behoort te worden geoordeelt. Dit is uit opzicht dat het menschelyke vernuft, waar uit de konsten geteelt worden, en voortspruiten. van Lang hebben de Steden Rhodus, Colophon, Salamis, Theo, Argos, Athenen en Smyrna, over het geboorterecht van Homeer getwist. Herodoot schynt die eer aan de laastgemelde toe te wyzen, aangezien zyn Moeder Critheis wel tot Cuma in Aeolien, woonde, en van hem zwanger was voor zy van daar vertrok, dog egter by hare vrienden te Smyrna zynde, op een feestviering, nevens andere Vrouwen by de Rivier Meles, onverwacht van hem verloste, en het kind naar de plaats van zyn geboorte Melesigenes noemde, Schouburgh der 64 van een Hemelsche afkomst is, volgens de Bybelspraak in het Boek des Uittogts, daar Mozes wel uitdrukkelyk in den naam van JEHOVA, van Bezaleél den Zoone Ury, en Ahaliab zeit: Dat hy haar heeft vervult met den geest van wysheid, verstand en kennisse, om allerley konstige werken te maken enz. Doch dit alles overgeslagen, RUBBENS, na dat hy zich van 't onderwys van gemelde Leermeesters bediend had, verkoor eindelyk weer OTTO VENIUS, niet om dat hy een grooter Konstschilder was als de vorige; maar om zyn groot verstant en vernuftige bespiegelingen, tot dat hy eindelyk door zyn uitstekenden vlyt, goed onderricht, en hulp van zyn vernuft zoo ver in de konst gevordert was, dat zyn werk met dat van zyne onderwyzers om den prys dong. Kort hier op bekroop hem de reislust, waar op hy zich begaf door Vrankryk naar Italien; alwaar hy eenige jaren zyn verblyf hield; zomtyds schilderde, en voorts zyn tyd doorbragt; om alles dat te Roomen, zoo van Beeldhouwery, als Schilderwerk, uitsteekt in schoonheid van omtrek, en behandeling naauwkeurig, en met opmerkin ge te bezien. Hy begaf zich in den zelven tyd na Venetien, tot de School van Titiaan, (toenmaals den voornaamsten hoogvlieger in de Konst) en maakte kennis met een Edelman van den Hertog van Mantua, die hem uit des Hertogs naam verzocht, als Edelman, en Schilder in des zelfs dienst over te gaan: welk verzoek hy inwilligde en aannam, om dat 'er te Mantua uitstekende Schilderyen van de geachtste Konstschilders waren. Hier onthield hy zich een tyd lang, maakte zich by den Hertog by Schilders en Schilderessen. 65 byzonder bemint, en arbeidde met grooten vlyt aan de Konststukken van Julio Romano. Van daar vertrok hy weer naar Romen daar hy zig voorts oeffende in alles wat dienstig was tot op bouw van zyn Konst, en kreeg gelegenheit, om in de H. Kruiskerk, als ook in de nieuwe Kerk van St. Pieter, eenige Altaarstukken te schilderen. Gelyk ook voor Albertus, Aardtshartog van Oostenryk. Thans was het in 't zevende jaar, als hy de tyding kreeg, dat zyn moeder gevaarlyk ziek was, dat hem zonder eenig uitstel van Rome deed vertrekken. Maar zy was al overleden, eer hy te Antwerpen kwam. Opmerkelyk is, 't geen verhaalt wort, namentlyk, dat hy weinig afteekeningen of modellen van Romen met zig bracht, en als 'er hem, nu t'huis gekomen) naar gevraagt wierdt, om ze te zien, tot antwoort gaf: dat die in 't Kabinet van zyn geheugen waren opgesloten. Het bleek ook wel aan de kragtige wyze van schilderen, die hy zig had gewent, dat hy de beruchte Konstwerken van Titiaan, Paulo Veronees, en Tintoret gezien had. Doch dit moet ik tusschen beide zeggen: dat de Faam den roem dien hy te Rome, en Venetien door zyn schilderen behaald hadde, reeds voor zyne overkomst al had over gekraaid, waar door de een voor den ander na, begeerte hadden, om van zyn penceelkonst wat te hebben: en hy overzulks gelegentheit vond om veel gelts daar voor te konnen bedingen: 't geen oorzaak is geweest, dat veelen hem ook met een scheef gezicht aanzagen. Onder deze was ABRAHAM JANSZEN, die hem tot een schilderstryd om den prys uitdaagde, willende 't zelve aan 't oordeel van alle Konstkenners Schouburgh der 66 ners stellen, 't geen hy geestig afsloeg, met dit antwoord. Dat by zulks al lang gedaan hadde, en het zelve aan 't oordeel van heel de waerelt had gestelt, en dat hy het op gelyke wyze ook konde doen. Het verstand dat hy bezat, en de bedrevenheit in de wyze van de waerelt te behandelen, vond middel om zyn benyders tot zyn vrinden te maken. Hy volgde namelyk de les van Cleobulus, doe uwe vrinden wel, op dat zy nog meer uwe vrinden worden. en uwe vyanden, op dat gy hen tot vrienden maakt. Daar benevens was hy bescheiden, beleeft en minzaam, tegen ieder een; een hoedanigheit, die hem by grooten en kleenen bemind maakte, inzonder heit ook tegen Konstenaren, waar van wy een opmerkenswaardig staal zullen aanwyzen. Zyn Moeder, als gezegt is, was gestorven, 't geen hem beweegde te trouwen, dat eerlang geschiedde met Catarina Brintes, met welke hy vier jaren in der minne leefde, tot dat zy stierf, 't geen hem zoo aan 't harte ging, dat hy om de droefheit wat te verzetten, goed vond een reis naar Hollant te doen, om in alle de steden de Konstscholen, Konst genootschappen, en Konstoeffenaars te bezoeken, waar aan de Beschryving van Gouda ook gedenkt, gelyk ze ook in 't byzonder verhaalt, dat hy JAKOB REUGERS BLOK aan zyn huis ging bezoe ken, om zyn Konst te zien; waar van wy breeder in des zelfs levensbeschryving gemelt hebben. SanDRART, die hem in die tyd heeft leeren kennen, en zederd de vrindschap met hem onderhouden heeft, getuigt: Dat hy t'Uitrecht gekomen, t eerst by G. HONTHORST kwam, des zelfs Konstwerk zag, en ook met een een stuk van hem, dat noch maar begonnen was, verbeeldende Diogenes, daar hy met een Lantaren op helderen dag, te Athenen Schilders en Schildereffen. 6) op de markt naar menschen zoekt, kocht, en den aanleg van het stuk byzonder prees. Dat gemelde Sandrart zyn dienst aan Rubbens aanbood, om terwyl zyn meester Honthorst onpasselyk was, hem vorders te geleiden, eerst by A. BLOEMAART, daar na by KORNELIS POELENBURG, voor wiens konst hy veel agting betoonde, en verscheide stukjes aanbesteedde, gelyk by zoo by ieder Konstschilder in't byzonder deed. Van daar vertrok hy naar Amsterdam, daar Sandrart hem verzelde, alwaar hy veertien dagen doorbragt, om alles te bezien. Hier benevens had hy ook een zonderlinge zucht tot alle soorten van wetenschappen en konsten, zelfs tot de taalgeleertheit. Hy zelf was geoeffent in verscheyden talen: daar by uyt eigen aart welspre kent, en zyne uiterlyke wezenstrekken vertoonden de inwendige gaven van zyne eedle ziel, overzulks hy van wegen zyne bekwaamheden, van Philips den IV, Koning van Spanjen, voor wien hy veele roemwaardige werken gemaakt heeft, om eenige byzondere verrigtingen wierdt gezonden aan het Brittannische Hof: en du Pilé voegt 'er by, dat dit door de Infante, die hem gunst bewyzen wilde, zoo by Philips bekuipt was; dat hy, in de waardig heit als Ambassadeur naar 't Engelsche Hof gezonden wierd. Hy verhaald vorder hoe Karel de eerste Koning van Engeland, hem beleeft ontfing, en hem in tegenwoordigheit van't Parlement een present dee van een Degen en Cordon, bezet met diamanten, waardig twaalf duizent Ryksdaalders. Waar op hy weder naar Spanjen vertrok, om rekenschap te geven van zyne verrigtinge aan zyn meester, van wien hy groote geschenken kreeg. Dog anderen gelooven dat dit wel ten meerendeele geschiedde, om RUBBENS daar door gelegenheit te geven van den E 2 Koning Schouburgh der 68 Koning te spreeken, met wien hy belangen had, van wegen het beschilderen van de zaal te Withal, 't geen wel bedongen was, maar niet betaalt welke stukken hem, wyl hy tot Londen was, van Antwerpen, daar hy dezelve geschilderd had, werden toegezonden. Karel Stuart', die men gelooft dat dien toeleg begreep, bewees hem ongemeene beleeftheit, en vrintschap. My, in den jaare 1714 daar zynde, dreef een zucht, zoo om het Konstwerk, als de Zaal, waar uit Koning Karel de slachtbyl te gemoet trad, te zien, welke zedert den tyd van die Marteldood, niet meer tot een gerechtsbank, maar om 'er vreem de Potentaten en Ambassadeurs op te onthalen, waarom nu als noch Bankethous genoemt wordt, gebruikt werd. Thans worden 'er om de schaarsheit van Kerken, die men te Londen heeft, alle naar middagen de Common preers, de gemeene gebeden, in voorgeleezen, en des Zondags in gepredikt. By dit, mochten wy ook wel gedachtig wezen, als een zyner voornaamste werken, de galery van Luxemburg, een werk dat hem zoo veel roem heeft bygebracht, en nu noch, vermits het in zyn geheel door de beste Graveerders, als G. Edelink. G. Duchange, Kornelis Vermeulen, B. Picard, A Loir, en B. en J. Audran, in koper gesneden is, de drukken daar van door alle Landen en Koninkryken verspreit, de waerelt doen zien, wat hy door de Konst vermocht. Overzulks zoude het tevergeefszyn dat wy breedwydig zynen lof melden. Al die Konsttafereelen, tot Altaarstukken of ergens anders toe gebruikt; ook een menigte Pourtretten, voor Vorsten en Princen geschildert, melden zelf den lof van hunMyn nen maker. Schilders en Schilderessen. Myn pen had byna zeker voorval, dat RUBBENS in Spanjen is ontmoet, voorby gestapt, en dus den lezer dit volgende verhaal ontrooft, 't geen voeglyk diend gemeld, eer wy hem weder in zyn Vaderland aanschouwen. Jan Duc de Bragance, die naderhand Koning van Portugal werdt, een beminnaar van de schilderkonst, schreef naar Madrid aan een zyner vrinden, ten einde hy aan RUBBENS wilde verzoeken, den Hertog te komen bezoeken, in zyn woonplaats Villa-Vizoza. RUBBENS bewilligde dit verzoek, en begaf zig, verzelt met een groote sleep, op weg. De Harto verwittigt, dat RUBBENS, die hy misschien maar alleen verwagtte, met zulken grootzen toestel, en sleep verzelt, Vizosa reeds naderde, zond hem in aller yl een Edelman te paard tegen, om hem te zeggen, dat den Hartog om gewigtige reden elders vertrokken was, en hem niet had konnen afwag ten; maar tot vergoeding van zyne kosten en verlet, liet aanbieden 50 pistolen. Maar RUBBENS weigerde de zelve aan te nemen, en zeide: dat het veel te gering was, dewyl hy voorgenomen hadde 14 dagen zyn verblyf te Vizosa te nemen, en duizent pistolen daar te verteeren. Na dat RUBBENS nu noch een wyl in Spanjen geweest had, vertrok hy naar Antwerpen, daar hy zoo veele heerelyke konstwerken gemaakt heeft, dat men'er zig over moet verwonderen: ja men zoude het geen menschen konnen doen geloven, ten zy men dezelve daar by met een bericht geeft, dat hy veele Leerlingen in zyn tyd heeft aangekweekt, die hy tot schilderen van kleederen, gronden, verschieten, gebouwen en andere sieraden, ook wel tot het aanleggen der naakten, gebruikte, waar door hy zig, en inzonderheit zynen leerlingen grooten dienst dede, Schouburg der 70 dede, gelyk 'er door het middel van hem veele brave meesters in de konst zyn voortgesproten, die zyne grootsheit van ordineren en de kracht van zyn schilderen van hem afgezien, en zig daarvan in hunne eigen werken bedient hebben; daar zy by het leven van hunnen meester niet te veel gelegentheit toe hadden, immers tot groote en voordeelige werken niet, dewyl hy de vermogenste luiden aan zyn snoer had, en het dus meest al in zyne handen viel, of ongezocht toevloeide. Dit is aan verscheiden stalen van brave meesters, die zyne Leerlingen geweest waren, inzonderheit ANTONY VAN DYK, gebleeken; die als hy al wat voor de Kloosterbroeders gemaakt hadde, van hun dusdanig beknevelt wierd, dat het schildervuur daar door meer gedooft, als aangestookt wierdt. 't Gebeurde, om dit met een voorbeeld te bevestigen. dat ANT. VAN DYK eens een Kerkstuk schilderde, 't geen tot een Altaartafereel zoude dienen, in die tyd, dat hy al van zyn Meester afgescheiden was, daar de gekapte Broeders zoo veel op wisten te vitten, dat het te duchten stond, of hy aan het bedongen geld de vingers wel blaau zou tellen; want zy hielden zig, als of zy 't hem aan de hand wilden laten houden, 't geen hem ſmartte, inzon derheit wyl hy in dien tyd, als het spreckwoord zeyt, overladen was met geld, als de Rikvorschen met veeren. Overzulks hy over 't onrecht hem aangedaan als mymerende, zig begaf buiten de stad, en daar in eenzaamheit by zig zelf alleen over leide, wat middelen best diende by de hand genomen, om in dat geval zig best te redden. "I gebeurde ter dezer tyd dat RUBBENS zig met zyn Koets, tot uitspanninge zyner geesten, liet door de Velden omryden, daar hy VAN DYK ontmoet- Schilders en Schilderessen. 71 te, aan wiens wezen hy met den eersten opslag wel zien konde, dat 'er iets aan scheelden. Dus vraagde hy hem naar de reden van zyn eenzaam wandelen, en droefgeestigheit, 't geen hy zuiver aan zyn gewezen meester opbiegtte, die hem zyn zwaarmoedigheit verlichtte, met tegens hem te zeggen: dat hy des anderendaags aan zyn huis zoude komen, om het werk te zien, en middel bedenken, om hem daar in dienst te doen. Dit geschiedde; want hy kwam des anderendaags by VAN DYK, zag het werk, betaalde hem in gereed geld de som , welke hy daar voor bedongen hadde, en liet het naar zyn huis dragen. De Kloostervoogden daar niet weinig in verlegen, wyl zy nu wel begrypen konden, dat RUBBENS, hunne vrekagtige behandelinge ontdekt had, schaamden zig voor hem, die in groot aanzien en agting was; en waren bly dat zy t uit zyne handen voor den zelven prys weder kregen. 't Zoude een groote ondankbaarheit schynen te wezen, zoo ik zeyde dat VAN DYK met RUBBENS naderhand in geen min en vrindschap leefde en omging, zoo ik de geheime reden daar van niet ontdekte, 't geen ik op zyn regte plaats doen zal. RUBBENS dan, gelyk ik meermalen gezegt heb. was, zoo ten aanzien van zyn geboorte, gedrag, cerentytelen en konst, by alle de grooten geacht en gezien. Hier kwam noch by, dat hy tot zyn tweede vrouw getroud had Helena Forman, die een Helena in schoonheit was. Een schoon voordeel voor een schilder om de koste van 't model te sparen. Zy bezat daar by veel verstand en veel geld; hoedanigheden daar men'er drie in't byzonder mee zoude konnenuitrusten, en had daar by vermogende vrinden, die hem dienst E 4 Schouburgh der 72 dienst konden doen. Overzulks vloeiden alle de voordeelen van 't penceel voor 't grootste deel hem gemakkelyk en van zelf toe. Daar en boven had hy een zonderlinge bekwaamheit om alle grooten te vleyen, en dus tot zyn voordeel in hun gunst te dringen. Zulks dat men de spreuk van J. de Bruin, in zyn Banket werk, op hem wel mag toepaſſen : Dat gaauwe verſtanden van alle hout weten pylen te maken, om hun oogwit te beschieten. Hy boude voor zig een huis binnen Antwerpen, dat hem wel zestig duizent gulden kostte, en daar in een zaal op de wyze van de Rotonde te Romen, daar het licht door eene opening in 't dak, van boven in neerstraalde. Deze zaal behong hy met gegaarde Italiaanse, Fransche en Nederzyne of landsche Konststukken, en daar onder ook sommige van zyn eigen hand, welke Konstzaal alom berucht was, zoo dat de Hartog van Bukkingham die zyn paleis teffens met konst wilde opsieren, order gaf, aan den Heer Michiel le Blon, liefhebber en goed kenner van Konst, om voor 60000 gulden aan konst daar uit voor hem te koopen, 't welk ook geschiedde. Daar RUBBENS zekerlyk goed gevoelen van zal gehad hebben, daar nu zyn mes, als het spreekwoord zeyt, aan weerzyde snee, en hy den weg om geld te winnen op alle wyzen heeft geweten. Dus stapelde hy eenen onnoemelyken schat op; en 't moest heel de waerelt kenlyk worden. Het was niet lang na dien uitkoop, of een doorslepen knaap maakte aanslag op dien vetten buit, doch vond zig in zyn voornemen schandig bedro gen. Het was de berugte Alchemist Mr. Brendel van Londen. Deze klampte RUBBENS met veel hoopgevende redenvoeringen, en verzeker ingen van de Schilders en Schilderessen. 73 de wisse gevolgen van zyn Goudmakerykonst aan boord; biedende hem zyn dienst tot de bewerkinge van 't zelve, voor de halve winst, zoo Rubbens een Laboratorium wilde doen opslaan, en de noodwendigheden, die daar toe vereist werden, bezorgen. Maar RUBBENS, naar dat hy hem met veel gedult had hooren uitspreken, antwoorden hem beleeft, verstandig en geestig aldus: Myn Heer ik bedank u voor die aanbieding. Gy komt juist 20 jaren te laat; want zedert dien tyd, heb ik door 't penceel den regten Lapis Philosophorum gevonden. En wees hem dus van de hand af. Nu is'er byna niets van zekerder gevolg, als dat, wanneer yemant door zyne byzondere bekwaam heden, die hy boven anderen in konst en wetenschappen heeft, en wanneer hy daar door tot den top van eere opklimt, zoodanig dat de Faam het gerucht daar van alom verspreid; zulks straks veroorzaakt in anderen eene aanritzelinge tot een drift, welke na de geaartheit des gemoeds, tweederhande uitwerkingen heeft, een ten kwade, dat men afgonst noemt; om dat zy cens anders welwezen benyd, en zynen luister niet dulden kan, en een ten goede, dat wy nayver noemen, om dat die niet misgunt eens anders welwezen, maar zich zelven ook wenst in dien staat te mogen zien; 't geen niet te laken is; en des noch te min, als dit hun diend tot een prikkel en spoor, om dien zelen we in te slaan, waar door men tot die eer en dat ge luk wort verheven, dat men boven anderen uitsteckt. Waarlyk de bevinding heeft ons doen zien, dat de konst in geen eeuwen zoo gebloeit heeft, als in dien tyd van PET. PAUL. RUBBENS, aan wiens fakkellicht veelen hun kaars hebben aangestoken. en E) Schouburgh der 74 en wie weet wat dienst hy al meer aan de konst zoude gedaan hebben, zoo zyne levenszon in volle luister niet waar benevelt geworden, door een onvermydelyke duistere wolk van 't nootloot; het welk ons leert, dat Al wat geboren is, eens moet het leven derven. Een jaar twee of drie voor zyn dood, kreeg hy een beving, op de wyze van een beroertheyt, in zyn handen; waarom hy het groot werk moest aflaten. Doch hy schilderde egter kleine stukjes, meest Landschappen, op den Ezel, daar hy de maalstok meer tot zyn gebruik konde nemen. Hy is overleden te Antwerpen, op den 30 van Bloeimaand, in het jaar 1640. en begraven met een aanzienlyke en pragtige Lykstatie; want voor het Lyk ging 'er een, dragende een swart Fluwele kussen, en daar op een vergulde kroon, en agter het Lyk volgde een grooten sleep van de aanzienelykste, zoo Geestelyke, als Waereldlyke Heeren, en Konstenaren. Het lyk werd geleid in St. Jans Kerk, daar zyn Grafstee noch te zien is. Hy liet een Dochter na, en een zoon, sommige zeggen twee zoonen uit zyn laatste huwelyk, de oudste ALBERTUS genaamt, is Secretaris, of Geheimschryver der Staten van Vlaanderen g weest. Wy hebben zyn waare beeltenis gevolgt naar de beste afschetzing boven aangeplaatst, in de PLAAT D, op dat de Konstschilders zyn prysselyk gedrag, omtrent de jonge konstoeffenaars, en yver tot den opbouw van de Konst, daar by gedenken zouden, en zoo veel heuglyker zig ten spiegel voorstellen. Beleeft zyn, en geneigt tot elks dienst, doet een man geacht wezen, en zet zyn konst luister by. 'tKan Schilders en Schilderessen. 75 't Kan niet wel wezen dat alle Konstoeffenaars elkander te gelyk minnen: doch nooit moet verschil tusschen persoonen oorzaak wezen, tot veragting van wederzydse konstwerken. Rafael d'Urbyn, en Michael Angelo de Bonarote, waren wel de beste vrinden niet, dog prezen altyd elkanders werk. Rafael was gemeenzaam in zyn omgang. beleeft, vrindhouwende, en geneigt om elk dienst te doen, en die welke van een leerzamen aart waren, openhartig van de konst te onderrichten: waarom hy meest altyd, wanneer hy om een wandeling ging, met een hoop Schilders en Leerlingen verzelt was. 't Gebeurde dat Michael Angelo hem dus op straat ontmoetende, in 't voorby gaan zeide: ecco il Barigello con tutta la sua sbirreria, dat is: Zie den Schout verzelt met zyn bende of dienaars. Daar op Rafael hem toeschoot: e' te caminate solo come la Boja, dat is, en gy wandelt alleen gelyk de Beul. Michael Angelo was van een stuurzer aart, en had voor gewoonte te zeggen wat hy dacht, waar om hy weinig vrinden had, en meest alleen ging zoo dat zyne konst alleen de oorzaak was, dat hy geagt wierdt; want het gebeurde eens, dat de Paus hem zyn konst-en kabinetschatten (een eer die zelden ymand gebeurt) liet zien. De Paus om dat Michael Angelo zich niet eens, als wel anderen t'elkens, daar over verwonderde, zeide Wy konnen niet zeggen, als wel eer Petrus deed Goud nog Zilver hebben wy niet. Dat 's waar, antwoordde Michael Angelo; Dog daarom kan uw Heiligheit ook niet zeggen: ſtaat op en wandeld. Vryborſtig ſpreken heeft zyn tyd. Waarheit word geprezen, zegt Juvenaal, maar moet kouw lyden. Altyd de waarheit te spreken, is altyd vyanden maken: Schouburgh der 76 ken: en daar is geen gevaarlyker woestyn, als zonder vrinden te leven. Te leven zonder vrinden, zeit het Spaansche spreekwoord, is sterven zonder getuigen. Onder een groote meenigte konstschilders, die Rubbens door zyne Leerlessen aangeteelt heeft, wort ook getelt PIETER SOUTMAN. Dezen alzoo wy noch zyn geboorte of sterftyd hebben konnen ontdekken, hebben wy niet voegh ker konnen plaatsen, dan achter zyn meester. PIETER KLAASZE SOUTMAN noemt hem Samuel Ampzing, en gedenkt hem ook in de beschry ving van Haarlem, daar hy gebooren en gestorven is, met dit Vaarsje. Hoe zou hier ook de naam van SouTMAN zyn verswegen, Die door zyn kloek penceel, zig heeft dien staat verkregen, Zig heeft door zyne konst die eer en roem bereit, Dat by de Schilder is der Pruische Majesteit. Hy wordt geoordeelt mee van de beste geweest te zyn, die uit die school voortgesprooten is. Hy was toen hy aan de konst kwam, een borst van een grooten geest, en doordringend vernuft, 't geen meer en meer door goed onderwys geslepen, hem heeft doen klimmen tot den roem van een groot meester. De stalen, die hy ook van zyne Konst naargelaten heeft, toonen dat hy niet door gonst, maar door zyne verdiensten, aan 't Poolsche Hof bemint en geeerd is geweest. Hy schilderde Pourtretten, Koren groote ordonantien. Schilders en Schilderessen. 77 KORNELIS SCHUT, uit de zelve School voortgesprooten, was te Antwerpen geboren. De zang berg had zyn geest begunstigt, met Poëtische vindingen, het geen in zyn Ordonnantien doorstak, en zyne Konst te meer bemind dede zyn. Hy zette zig tot kloeke en woelige voorwerpen te vertoonen: en heeft beneffens het schilderen ook den Etsnaald gehanteert, als te zien is aan de menigte Printen, die van zyne hand uitkomen, die schoon zy niet in allen deelen even beschaaft en vast van omtrek zyn, nochtans zyn vlugge geest te kennen geven. Kornelis de Bie zinspeelt mede op zyne Etskonst, daar hy zegt: Het werk betoont de daat, wat hoeft'er meer gezeit? De Drukpers wyst ook aan zyn konst vol aardigheit. De groote VAN DYK heeft zyne Beeltenis ter liefde van zyn Konst, nevens zyn Konstgenooten ten dienst des Plaatsnyders, mee in 't klein geschildert, en wy om dezelve reden zyn borstbeeld geplaatst in de PLAAT E, by Fr. Snyders en Joan Breugel, onder aan. Nu volgt SAMUEL HOFMAN, van Zurich. Deze kwam, na dat de Faam den roem van Rubbens werken, op hare wieken, in dat waereldoort omgevoerd hadde, afzakken naar de Nederlanden, en begaf zich in de School van RUBBENS, daar hy door desselfs leerlessen, en het afzien van zyne behandelingen, tot een goed meester in de Konst op wiesch. Hy zette zich naderhand te Amsterdam neer, daar hy veele brave Konststukken, ook Portretten gemaakt heeft, en troude in den jare 1628. en trok daar na met zyn vrouw naar Zurich, daar hy door zyn Konst grooten roem behaalde, en Schouburgh der 78 en gelegentheit kreeg, om voor den Hertog van Milanen eenige Konstwerken te maken: van daar te Frankfort aan de Main, daar hy een groot stuk op 't Raadhuis geschildert heeft. Eindelyk zyn levensrol afgeloopen, stierf hy aan het Podegra, in den jare 1640. Zyn Vrouw en Kinderen, onder deze een dochter die een schilderesse was, trokken na zyn overlyden weder naar Amsterdam. JAN VAN HOEK, Antwerpenaar, heeft het geluk gehad, dat hy, om zyn grootze schikkingen, kragtige wyze van schilderen, en vleyend penceel, niet minder als zyn meester RUBBENS, by Koningen en Vorsten is bemint geweest. Hy heeft te Romen zynde, voor verscheiden Kardinalen geschildert, die zyn penceelkonst in groote waarde hielden. Ook nam de Aartshertog Leopoldus, hem voor Edelman mee, naar de Nederlanden, daar hy gestorven is in 't jaar 1650. Eer ik vorder gaa, moet ik gedachtig wezen, zyn braven Stadgenoot MARTEN PEPYN, die gelyk de Arent alle vogelen braveert, ook alzoo in Italien zynde, zyne tyd- en landgenoten te boven streefde, zulks hy door Italien en Romen voor een hoogvlieger berucht was, en grooten roem behaalde. Ik was verlegen waar ik hem plaatzen zoude, tot dat my uit zeker verhaal, 't geen volgen zal, bleek, dat hy by 't leven van PET. PAUL. RUBBENS, al overleden was. Men hout het voor een spreuk, toepasselyk op de geleerden, Dat zy niet graag zien, dat hun licht door anderen betimmert wordt. RUBBENS, die zyne snelle vlucht in de Konst kende, en hoorde dat Schilders en Schilderessen. 79 dat hy van Rome naar Brabant stond te komen, was daar over verzet. Maar wanneer kort daar aan het tegendeel door 't gerucht verspreid wierd, te weten dat hy van voornemen verandert, een Roomsche vrouw getrout had, liet hy zig ontvallen: Nu PEPYN getrout is, heb ik geen vrees dat my alhier ymant zal overtreffen, of boven t hooft komen. Het geen bevestigt, dat hy een groot konstenaar is ge weest. Op hem volgt ABRAHAM JANSZEN. Deze, alzoo noch by Sandrart, noch by de Bie, eenig merk van zyn geboorte of sterftyd word gevonden, dagten wy voeglyk te wezen, dat agter Rubbens geplaatst wierde; niet alleen om dat hy een tydgenoot van hem geweest is, maar ook om dat hy een rol in zyn levensbedryf heeft. Hy is te Antwerpen geboren, en was een der voornaamste Schilders in dien tyd. Dog heeft niet veel stukken gemaakt, maar die er van hem zyn, zyn voortreffelyk konsti geteekent, en naar 't leven uitgevoert. Zyne geneigtheit viel . op 't schilderen van groote Historien, met levens groote Beelden, waarom alle Vorsten en Potentaten begerig waren naer zyn Konst, om in Vorstelyke Galeryen, Konstzalen en Kerken op te hangen, en naar alle bedenken, (dus wort 'er getuigt, had niemant zyns gelyk geweest, indien hy met yver op dien voet was voortgegaan. De verheffing van Rubbens was naar allen schyn, de eerste oorzaak van zyn val. 't Is waar dit behoorde hem een spoor geweest te hebben, om met des te meerder yver naar de volmaaktheit der Konst te streven, en Rubbens die hem in 't bejagen van voordeelen, door dien hy zoo veele vrinden had, voor uit was, door een onvermoeiden vlyt, met het penceel te volgen, in plaats van de moet verloren Schouburgh der 80 loren te geven, en hulp te zoeken in zyn bederf. Maar wie, zegt de spreuk van Amphilogus, is t'aller uuren even wys? en als de kloot aan t gaan is, zegt het spreekwoord, rolt hy voort. Dus ging het ook met onzen ABRAHAM JANSZEN; hy verkoos zyn verderf, te weten de liefde, tot zyn vertroostinge, en stiet al zyn welvaren aan den steen van zyne ontydige min te mortel. Hy ging met zyn nieuwe vrouw dagelyks om een wandeling en koesterde de ledigheit, die hem als de motten verteerde, waar door zyn huisgezin in slegten staat, eindelyk tot armoede verviel, terwyl hy met een berooit hooft omzwervende, troost zocht in de herbergen, en de swarigheit met den drank af spoelde. Zulke voorbeelden konnen de schilderjeugt ten baak verstrekken, om zig voorzigtig te vermyden voor die klip. Gelyk dat van Rubbens, om gerustelyk aan te zeilen, tot de haven van 't geluk. die door onvermoeiden vlyt, in stadige oeffeningen en spaarzaamheit alleen bekomen wort. Op zyn beurt komt nu te voorschyn HORATIUS GENTILESCO. Deze was een Florentyner van geboorte, doch wort onder de Italianen niet getelt, om dat hy den meesten tyd van zyn leven in Spanjen, Engeland, Brabant en Holland heeft gesleten, waarom wy hem ook een kleine plaats onder de Konstschilders hebben in geschikt. Zyne geneigtheit liep meest tot het schilderen van groote Historystukken. Sandrart verhaalt: dat hy twee stukken tot Amsterdam van hem heeft gezien, die hy voor Koning Karel den eersten geschilderd had. 'Teene verbeeldde een om hare zonden treurende Maria; 't ander Lot met zyne twee dochters. die puik goed, en zoo ten opzigt van teekening, als koleur, Schilders en Schilderessen. 81 koleur, wel gehandelt waren. Hy werd naderhand van den Koning naar Engeland geroepen, om voor hem te schilderen, daar hy ook gestorven is; maar in wat jaar heb ik niet konnen te weten komen. De Brabanders noemden hem Gentiel. Hy was een goede bekende van Sandrart, die ook, als hy te Napels kwam, zyn dogter Arthemisia, die een Schilderesse was, ging zien, en de groete van haar vader bracht. Zy ontfing hem beleeft, en vertoonde aan hem 't geen zy toenmaals gemaakt had, zynde een David, vertoonende het hooft van Goliat levensgroot, 't welk uitvoerig en stout geschildert was. Zy schilderde ook portretten, en was wel gezien by de gemalin des Onderkonings van Napels. Ly teekende ook op de Academie. In dezen tyd moeten wy ook gedagtig wezen. aan den beroemden Brabantsen Konstschilder HENRIK VAN BALEN. Deze is, volgens het getuigen van Karel van Mander, een leerling geweest van Adam van Oort. Wat zyne Schilderkonst aanbelangt, die is zoo in opzicht van ordinantie, teekening en wyze van schilderen deugzaam goet, zoo dat zyn werk wel by de Konst van geagte Mecsters hangen mag. In 't byzonder moet ik ook zeggen, dat hy zyne naakten zoo schoon van omtrek, en zoo rond en kragtig heeft uitgevoert, dat byna alle andere Konst daar by afvalt. Onder vele van zyne groote Konstwerken, steekt uit de verbeeldinge der zondige waerelt, ten tyde van den Boetprediker Noach: Het dorstige Israël, drinkende van 't water uit den Steenrots: Ook een stuk daar de Egyptische Koning Pharao verdrinkt in 't RoodeMeer, en Israël dus de vervolger ontkomt. Van 't zelve voorwerp heb ik noch korts geleden een Schouburgh der 82 een kleiner stuk gezien, heel woelig, wel gekoppelt en vol veranderingen van kleederen. De grootste troep der vlugtelingen was op den tweden grond, in den klaren dag gestelt, en de Figuren opden voorgront beschaduwt, 't geen een goeden welstant gaf aan dat koppelende gewoel op den tweeden grond, dat zig weder tegens den benevelden bergagtigen agtergrond, en 't blaauw verschiet redde. Gelyk ook mede een klein stukje op koper geschildert, verbeeldende het oordeel van Paris; en waren de drie Godinnen, inzonderheit Venus, die zig van agteren liet zien, zoo rond, kragtig en uitvoerlyk geschildert, dat ze schenen buiten 't Tafereel uit te steken. Daar benevens was de grond, waar op zy stonden, met gras, kruitjes, en voorts het geheele landschap, uitvoerig en konstig door den Fluweelen Breugel geschildert. Behalven vele historische vertooningen, die hy konstig door zyn penceel verbeelt heeft, vintmen ook Zinnebeelden vernuftig en leerzam door hem toegepast. De Hr. en Meester J. van Schuilenburg, Raad en Griffier over de Prinsselyke Domeinen, enz. heeft diergelyke in zyn berucht Konstkabinet, in 's Gravenhage, verbeeldende een deugtzaam man, zittende onder een pragtig behangsel, met eene kroon van eere op zyn hooft. Minerva, Godes der Wysheit, staat ter linker zyde nevens zyn zetel; ter rechter hand de Gerechtigheit, met een weeg schal in de hand, waar in zig in de eene de hoofden van een zwyn, vos, wolf en paauw, zinteekeningen van Gulzigheit, List, Rooflust en Hovaardy, doen zien, welke tegens den Winkelhaak. Liniaal, Oyevaar en Breydel, zinteekenen die op een deugdzaam gedrag toegepast worden, in de benedenste schaal verbeelt, te licht worden bevonden. Schilders en Schilderessen. 83 den. Daar nevens aan zietmen Liefde de Nyd van zig stooten, en de Kupidoos, Slangen en andere gedrochten, weg zweepen. Zyn Beeltenis staat nevens dat van R. Savry in de Plaat D. Hy heeft een zoon naargelaten JOHANNES genaamt, die hem 1611 te Antwerpen geboren wierdt. waarvan K. de Bie, op p. 120 zegt: hy heeft de Konst by zyn beruchte vader HENRIK VAN BALEN geleert. Hy heeft de zelve naderhand in Italien voortgezet, en by zyns vaders leven grooten roem verkregen, waar op dit vaers ziet: Pythagoras, * Tyran van † Lemnos, heeft geschreven: Als't Lichaam sterft, de ziel tot slechte of beter stant Verhuist. Wie twyfelt aan dit oude leerstuk, want De Geest van HENRIK leeft in JAN, by 's vaders leven. F 2 H) 't Is klaar dat de oude Latynen door dit woort hebben verstaan, een die heerschappy voert met gezach en opperwaardigheit. Een voorbeeld hebben wy by Virgilius, daar Latinus aldus van Eneas zegt: Pax mihi pacis erit dextrum tetigisse Tyranni: door J. Oudaan dus vertaalt: Ik acht het van den Vreede een goet gedeelte althans, De dapp're regterhand te raken des Tyrans. En Atheneus noemt de Liefde, Tổραννος θεῶντε καὶ ἀνθραίñwy: Een Tyran, dat is een heerscher, van Goden en Menschen. Ook is den Taalgeleerden bekent, dat dit woort een Koning, Vorst, en groot Meester in Konst of Wetenschappen beteekent. Zie P. Rabus Vermaaklydheden der Taalkunde. p. 123. daar hy zulks uit een Grieks vaars van Anakroon bevestigt. Naderhand heeft men die door slinkse wegen, list, geweld, enz. dwingelandy oeffenden, met den gehaten naam van Tyrannen gebrandmerkt. Zie breeder in myn Kantschrift, op het Leven van den Apostel Paulus, by P. Boeteman gedrukt. p. 125 Anderen zeggen Samos, alzoo zyn vader hem, noch jong zynde, van Tyrrhenen naar Samos had overgebracht. Zie Thom. Stanley, Filosof. en Poetische Oudheden. p. 125. Schouburgh der 84 Hy was in den jare 1662. noch in leven, en woonde te Antwerpen, maar zyn vader was toen al overleden, als uit het Rym van Kornelis de Bie te bespeuren is. Hier nevens verschynt ten Toneel de Konstschilder FRANCOIS SNYERS, geboren te Antwerpenin, 't jaar 1579. Hy heeft de beginzelen van zyn Konst geleert heeft by HENRIK VAN BALEN. Doch zyne geneigtheyt is gevallen, eerst op 't schilderen van Fruit, daar na op alle soort van viervoetige gedierten, die hy wonderlyk, elk in zyn soort, zoo natuurlyk schilderde, dat men in zyn tyd, niemant vont die hem daar in gelyk was. Inzonderheit maakte hy zyn naam berucht door het zamenschikken der Dieren tot de Jaght; een verkiezing, welke inzonderheit diende om de wanden der Vorstelyke zalen, en Galeryen op te pronken. Gelyk ook de Koning van Spanjen, en de Aartshartog Leopoldus Wilhelmus, zig in hunne Paleizen daar van bedient hebben. Hy leende dikwerf de hand aan RUBBENS, en die weder aan hem, en 't zyn wel de geagtste stukken, daarmen 't penceel van die twee groote meesters in ziet. Want gelyk de een op het vertonen van kragtige werkingen en driften in beelden was afgericht, zo scheen des anderens penceel als gemaakt om Dieren in hun grootste vuur en drift af te malen; ja 't is verwon derlyk, hoe hy in zoo menigvuldige veranderin gen, drajingen en buitelingen, de vaste deelen, rekking en buiging der spieren in de dieren heeft waargenomen. Lietmen de Jagthonden draven naar 't Wildt, zy schynen 't oog voorby te gieren. grypen zy 't met hun gespitste tanden aan, 't vuur straalt hun ten ogen uit: en die verminkt of gebeten vertoont worden, drukken de pynlykheit van 2 e E.P.85 Schilders en Schilderessen. 85 van hun ontfangene wonden, door een gekromden rug, gewronge buiging en wyt opgesparde muilen, zoo natuurlyk uit, dat m'er deernis mee hebben zoude. Wat hoeft 'er meer gezeit, daar het Konstwerk zelf spreekt? zyn Beeltenis staat boven aan in de Plaat E. Wy mochten ook niet langer verschuiven zynen braven land- tydt- en Konstgenoot JOAN BREUGEL, bygenaamt den Fluweelen. Hy was de zoon van PIETER BREUGEL, anders Peer den Drol, dus genoemt om zyne ge estigekoddigheden en boerteryen, die hy doorgaans maakte; in welk opzicht ook van Mander getuigt: dat hy in een zyner laatste stukken een Galg, waar op een snaterende Exter zat, verbeeld had, daar by de verdienste van een klappige tong mee wilde aanduiden, en 't zelve zyn vrouw tot een teſtament naliet. Plautus zegt: Dat hy nooit een zwygende Vrouw heeft gevonden, en het gesnater een Vrouwlyk huisraat is. En Socrates beklaagde zig van drie lastige dingen, de Letterkonst, de Dichtkonst en een klapagtig wyf, en zeide: dat hy de twee voorste zig had kwyt gemaakt, maar dat hy het klapagtig Wyf moest houden. Dit overgeslagen, 't is bedenkelyk dat onze Jan Breugel, de grondbeginselen van de Konst, onder opzicht van zyn vader geleit heeft; doch heeft zig tot eenen geheel verschilligen aart van schilderen gestelt. Men kan, zegt het spreekwoort, zyn kinderen wel minnen maar niet zinnen. Want hy verkoos den bloemhof van Flora, ten voorwerp van zyn penceel. Maar elyk de mensch by verandering leeft; zoo zag men ook na verloop van eenige jaren, zyn penceel, in sierlyke Land- en Watergezichten, op menigerhande wyzen, en zoo als 't hem in 't leven Schouburg der 86 ven voor kwam, speelemeyen. Egter verliet hy het schilderen van Bloem en Fruit, en wat tot Veld- en Tuingewassen behoort, niet zo, of hy heeft zig naderhand in zyne Landschappen daar noch van bedient. In den jare 1713. heb ik een stuk 3 voet hoog, en 4 breet, van hem gezien, daar ik en alle konstminnaars uuren lang, zonder ons te konnen verzadigen, met verwonderinge op stonden te kyken; waar in zoo menigerhande soort van Bloemen, Struik- en Boomgewassen, op den voor gront geschildert waren, dat het oog daar in als ir eenen doolhof verwart bleef, en schoon 't zelve op het twintigste deel in grootte, niet by 't leven konde halen, nochtans was yder in zyn soort, in dat klein bestek, zoo uitvoerig, konstig en natuurlyk geschildert, als of het in de grootte van 't leven had geweest: inzonderheit stak 'er in uit een Vygenboom, die in een tuinpot stont: waar van de stam zoo natuurlyk gekleurt, de bladen zoo geestig en dun geschildert, de groene uitspruitselen, halfgekleurde, volwasschen, en van rypheit geplooide Vygen, zoodanig waren geschildert, dat het geen penceelwerk, maar 't leven scheen te wezen. Dit stuk van 't Loo gebragt, werdt te Amsterdam in 't Heeren Logement 1713. den 26 van Hooimaant verkogt voor 2825 guld. De twee Figuren die in in 't zelve waren, verbeeldden * Pomona en † Vertumnus, door Rubbens geschildert, gelyk ook Pomona heeft haaren naam van Poma, appelen, peren. enz. zy was een der Latynsche boommaagden, die in 't aankweken de kroon spanden; aangezien zy noch in 't jagen, noch baden, maar alleen in tuinoeffening haar vermaak nam. Zie P. Ovid. Nazo, 't 14 Boek, '111 Hoofdst. Vertumnus, een Latynsche Godheit, wiens Feestdag op den 30 van October wierdt geviert. Zie de kantteek. van L. Smits, op de voorgemelde plaats. Schilders en Schilderessen. 87 ook de weerga, met een slapend Vroutje en Sater, voor 1875 gulden. Dog het alleruitmuntenste in Konst dat ik van hem gezien heb, is het zoo genaamde Paradys, by den Heer Le Court van der Voort, tot Leiden, waar in zig een menigte van allerhande Dieren op t allerkonstigst, in een niet min konstig geschildert Landschap doen zien: en de Adam en Eva op 't alleruitvoerigst door Rubbens geschildert. Dit stuk is gekomen uit het beruchte Kabinet van den Heer de Bie, den Mecenas van G. Dou. Menigte van kleine stukjes, ten bewys van zyne naerstigheit, is er van zyne konstige hand in de Konstkabinetten alzins te zien; waar onder vele, waar in een Meulenhoef aan den kant van een riviertje staat afgebeelt: of ook wel een dorpje, of eenig ander gehugt aan den kant van 't water, 't welk hy dan vorders heeft opgeciert met kleine zeil- en waterroeituigen, gelyk op 't land met karren, wagens, paarden en allerhande soort van kleine beeltjes, die hy by uitnementheit konstig en uitvoerig wist te maken: waarom hy ook van Judocus Momper en anderen zyne tydgenooten gebruikt werdt, om hunne Landschappen met beeltjes, paartjes, enz. op te cieren. Immers hy heeft zoo aan 't een als ander, aan al de waerelt doen zien, dat hy een groot meester in de Konst was. Zie zyn Beeltenis onder aan in de Plaat E. Hier aan verschynt de brave Konstschilder ADRIAAN STALBEMT, geboren te Antwerpen, in 't jaar 1580. op den 12 van Wiedemaant. Van hem wordt getuigt, dat hy van der jeugt af aan zoo vlytig en naarstig is geweest in de oeffening van de Konst, ja zoo geheel zig daar aan overgegeven heeft, dat het scheen als Schouburgh der 88 als of hy alleen voor de Konst geboren was. Hy zette zig tot het schilderen van Landschapjes, met kleine Figuurtjes, welke hy zoo natuurlyk, geestig, konstig, en uitvoerig behandeld heeft, dat hy, om zyne uitstekende Konst geroepen is aan het Brittannische Hof, alwaar hy, door zyn penceel dingen heeft uitgewerkt, daar men veel van weet te zeggen. Hy leefde, en woonde binnen Antwerpen, en oeffende de Konst noch in zyn 8oste jaar. In dit jaar 1580 werdt te Stettyn, in Pomeren, DANIEL BLOK geboren. Zyn Vader Marten Blok, was geboren te Uitrecht. In Holland, zegt de Schryver, doch dit willen wy voor geen fout rekenen, wyl het de schryvers dus gewoon zyn, en zelden de onderscheiden Provincien noemen. Immers om dat hy van 't Sticht van Uitrecht herkomstig is, hebben wy reden gevonden van hem hier een enge plaats in te ruimen. DANIEL, die dan al vroeg blyken gaf, dat hy tot de Konst geneigt was, werdt te Dantzik bestelt, by Jakob Scherer, een bekwaam meester om hem op te leiden tot de hooge Schole der Schilderkonst. Hy zette zig inzonderheit tot het schilde ren van Pourtretten, dat hem wel gelukte; want hy heeft voor Gustavus Adolf van Zweden, de Genealogie, stam en geslagtlinie der Hartogen van Mekelenburg geschildert. Van Schilder wert hy Hoveling, en verloor op eenen stond alles wat hy bezat, door 't brandstigten der woedende oorlogsbenden in den jare 1651, zoo dat hy die naauwlyks met behoudenis zyns lyfs ontvlugten konde. Hy stierf te Rostok in zyn tachentigste jaar. Das Schilders en Schildereffen. 89 Dat ik in de Titelprint van 't Tweede Deel my ner Zinnebeelden, de Schilderkonst met een doek voor den mond vertoont heb, daar van gaf ik deze reden: Dat de tong niet mogt pleiten voor't penceel, maar het werkstuk zig zelf moet verantwoorden. De slechtste soort van krukken en brekebeenen in de konst hebben meesten tyd voor gebruik, dat ze hunne werken door stoffen, en snorkeryen opvyzelen: maar groote meesters hebben in tegendeel hunne kunstwerken laten spreken, en het vernuft van hunnen maker melden. Apelles en Praxiteles konden roemen, dat zy al leen voorrecht hadden, om 's waerelts Monarch al te beelden, daar dit volgende vaars op speelt: Apelles werd uit veele alleen gestelt, Te ſchilderen den grooten Alexander. Praxiteles had oorlof, en geen ander, Een marmer beeld te maken naar dien Helt. Doch zy hebben zig daarom niet vermeten aangestelt, maar stil gehouden, en hun werk laten zeg gen, wie zy waren, en wat zy in de Konst vermochten. Van den eerstgemelden hebben wy een opmerkelyk voorbeeld: 't geen ons tot aanleiding van een nieuw Tooneelbeeld strekken zal. Deze, door begeerte aangespoort, om Protogenes, en zyn beruchte werken, te zien, scheepte naar Rhodus; maar als hy hem niet op zyn winkel vond, nam hy een penceel met verf, maakte daar mee, op den opgespanne doek, dien hy daar vond staan, een fynen trek, zeggende tegens de Dienstmaagt, die hem vraagde wie zy zeggen zoude dat naar haar meester gevraagt had, dat zy tegens Protogenes, wanneer hy t'huis kwam, zeggen zoude, Die dezen trek met her 90 Schouburgh der het penceel gemaakt heeft, heeft naar u gevraagt: en ging weg. Protogenes t'huis gekomen, en bericht ontfangen hebbende van 't geen er gebeurt was, en ziende dit werk met verwondering, zeide: Dit heeft Apelles gedaan, want niemant anders kan zulks doen. Daar op nam hy een penceel, en maakte eenen anderen trek, op den zelven doek, zeggende tot zyn dienstmeit, Zoo Apelles andermaal komt. toon hem dien trek, en zeg, Dit heeft gemaaki daar gy naar vraagt. Apelles kwam, en ziende dat die trek konstiger was, dan de zyne, nam een penceel met andere verf, en maakte eenen *Trek door de andere trekken heen, zoo konstig, dat als Protogenes dien zag, zig verwonnen gaf, in aller yl naar de zeepoort liep, en Apelles, dien hy daar vond, minnelyk bejegende. Een diergelyk geval ontmoet ons in 't leven van FRANS HALS, wiens Beeltenis zig aan den overkant met een hoet op 't hooft doet zien. Anthony van Dyk, de Fenix van zyn tyd, als hy in dienst van Karel den eersten, naar Engeland zoude overschepen, was verlangende om hem voor af te zien, kwam te Haarlem, en ging aan zyn Huis. Maar 't had zyn werk Samuel van Hoogstraten in zyn negende Boek van de Schilderkonst p. 332, is met van Mander hier omtrent van eene gedachten. Zy meenen niet dat dit slegts regte uitgetrokke linien of streepen zullen zyn geweest, die een Schryfmeester dikwils beter uit de hand zou konnen trekken dan de beste Schilder, maar eenige omtrekken van armen, beenen ofiet diergelyks. Hoogstraten sterkt zyn gevoelen met de getuigenis van Plinius, die zegt: dat 'er de genen die de Schilderkonst verstonden, grootelyks zig over verwenderden, en verbaast stonden; waar uit wel te denken is, dat de Konsttrekken geen regte lynen zyn geweest, en 'er de oude Schryvers 't regte beduid niet van hebben gegeven, 't Beurt meer, als onbedrevelingen van zaken schryven, die zy niet verstaan, dat zy daar van oordeelen als de blinden van de koleuren. P Schilders en Schilderessen. werk in hem in de bierkroegen op te zoeken, daar hy niet eer uit kwam, voor hy zyn pintje geleegd had. Inmiddels stont van Dyk met veel gedult te wagten, die zig voor hem bedekt hield. zeggende alleen tegen hem, dat hy een vremde ling was, die geen anderen tyd had, als den tegenwoordigen, en egter begeerte had van zyn Pourtret door hem te laten schilderen, 't geen F. HALS zonder verder navragen hem inwilligde. Hy nam een doek, zoo goed en zoo kwaad, als hy toen maar aan de hand had, en begon aan 't werk te vallen. Van Dyk maakte weinig tusschenspraak met hem, onder 't zitten, om niet bekent of ontdekt te worden. 't Was in korten tyd gedaan, en FRANS verzocht hem op te staan, om te zien of het dus van zyn behagen was. Van Dyk prees het, en maakte toen met hem eenige zamenspraak, dog zoo, dat hy niets merken konde. Onder andere re den zeide hy: gaat het schilderen zoo in zyn werk? Zou ik het ook niet konnen doen? vatte voort een ledigen doek, dien hy daar zag staan, zette dien op den Ezel, en verzocht hem neer te zitten. FRANS zag haast aan 't aanvatten van 't palet, en pencelen, dat dit de eerstemaal niet was, en dat de vermomde Ulysses zig van zelf wel ontdekken zou. dog had geen bedenken op van Dyk, maar besloot dat het de een of de ander potzige Schilder moest wezen, die zig door een staal van zyn konst te toonen, wilde doen kennen. 't Leed niet lang of van Dyk belastte hem op te staan, om 't werk te zien. Zoo haast als hy 't bezag, zeide hy: Gy zyt van Dyk, want geen mensch anders kan zulks doen, viel hem om den hals, en kuste hem. Van Dyk nam zyn Pourtret nat voor zich mee, bedankte hem, en stopte zyn kinderen daar rykelyk Schouburgh der 92 lyk wat voor in de hand, daar zy niet lang kassiers van bleven; want FRANS die buitekans voort op de lippen nam. Men zegt dat van Dyk veel moeite deed, om hem mee te troonen naar Engeland, maar hy wilde daar niet naar luisteren, door dien hy zoodanig op die slegte wyze van leven verslingert was. Egter behield hy groote achting voor des zells Konst. gelyk hy ook naderhand dikmaals gezegt heeft: Dat, indien hy in zyne vermenginge wat meer van het teere, of dunne gehad had, hy een der grootste meesters zoude hebben geweest; want dat hy zyn weerga niet kende, die 't penceel zoo tot zyn wil had, dat hy, na hy een Pourtret had aangeleid, de vaste wezenstrekken, hoogsels, en diepsels met een penceelzet, zonder verzagtinge of verandering zoo hun behoorlyke plaats wist te geven. Men zegt, dat hy voor een gewoonte had, zyn Pourtretten vet, en zachtsmeltende aan te leggen, en naderhand de penceeltoetsen daar in te brengen, zeggende: Nu moet'er het kennelyke van den meester noch in. Hoe krachtig en levendig hy, door zyn penceel den natuurlyken zweem des menschelyken wezens heeft weten na te bootzen, getuigen de menigvuldige Pourtretten, die men nu noch van hem ziet. Te Delf in de oude of Kolveniers Doelen is een groot stuk van hem, waar in eenige Hoofden of Bevelhebbers der Schuttery, levens groot in staan afgebeelt, en zoo kragtig en natuurlyk geschildert zyn, dat zy de aanschouwers schynen te willen aan spreken. Hy had ook een Broeder, DIRK genaamt, die een fraay Schilder was, en zig oeffende in Gezelschapjes, en kleine Beeltjes. Samuel Ampzing gedenkt Schilders en Schilderessen. 93 gedenkt aan hun beide in de beschryving van Haarlem, met dit volgende rym: Hoe wakker schildert FRANS de luiden naar het leven? Wat zuiv're beeldekens weet DIRK ons niet te gevens Zyn brave Konst en stoute wyze van penceelbehandelinge, maar niet zyne levenswyze moet de schilderjeugt zig ten voorbeeld, en tot naarvolging stellen, aangezien hy geen goed bestierder van zyn levenskar was, als die niet zelden van 't middelspoor afholde, wyl hy zyne driften te ruimen toom vierde. FRANS was gemeenlyk allen avond tot de keel toe vol met drank. Echter hadden zyne leerlingen groote achtinge voor hem, en de oudtste verstonden malkander daar in, dat zy by beurten agt op hem gaven, en hem des avonds, inzonderheit wanneer het duister of laat wierdt, uit de kroeg haalden, op dat hy niet in 't water zoude loopen, of op een andere wys eenig ongeluk ontmoeten; die hem dan gevoegelyk t'huis bragten, koussen en schoenen uittrokken, en te bed hielpen. Deze, die dan de een voor en de ander na, agt gegeven hadden, dat hy, hoe beschonken, egter eenig avondgebed, uit gewoonte, uitstamerde, en altyt besloot met dezen wensch: Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen hemel, waren agterdenkende onder malkander, of dit wenschen van hunnen meester wel ernst was. Des bedachten zy te zamen een middel, om daar proef af te nemen. Een Adriaan Brouwer, die een leerling van hem was, van de jeugt af aan op potzeryen af Schouburgh der 94 afgericht, en Dirk van Delen, waar van wy op 't jaar 1650 zullen spreken, hadden hier deel in. Dit stuk ging onder belofte van elkander niet te bekra jen, onder hun vieren aan. Zy boorden vier gaten in den zolder, boven zyn bedstee, waar door zy sterke koorden neerlieten, die zy aan de hoekeinden van 't bed vast knoopten. Wanneer zy hem dan den volgenden avond vol en zoet, als men gemeenlyk van de zulke zegt, te bed geholpen hadden, en het licht uit de kamer gedragen, gingen zy op hun ne koussen de trappen op naar boven, om hunne rol uit te spelen, zonder dat hy daar af iets gewaar werdt, en luisterden scherp toe naar het prevelen van zyn Avondgebed, dat hy dan naar gewoonte weer met dezelve wenschinge: Lieve Heer haal my vroeg in uwen hoogen hemel, besloot; waar op zy hem gelykerhand met het bed naar boven trokken. Hy die in den dommel van zyn dronkenschap dit egter gewaar werdt, en vast besloot dat de Hemel zyn gebed verhoort hadde, terwyl hy zig voelde om hoog heffen, veranderde van toon, roepende veel luider als gewoonlyk: Zoo haastig niet, lieve Heer, zoo haastig niet, zoo haastig niet, enz. waar op zy hem weder zacht lieten dalen naar beneden, zonder dat hy bemerkte dat hem dit uit potzery gespeelt werdt. Wanneer hy nu vast in slaap lag te ronken, maakten zy behendig de touwen weder los, en zy noch hy ontdekten niet, dan na verloop van jaren wat 'er geschied was: maar FRANS gebruikte na dien tyd die wyze van bidden niet meer. 't Welk onder hen dikwils stoffe tot lachen gaf, wanneer zy hem niet meer om den Hemel hoorden wenschen. Ik was met de beschryving van myn Boek al heel naar 't eind gevordert, wanneer onder de papieren Schilders en Schilderessen. 95 pieren van een oud Haarlemmer Konstschilder een begraafnisbriefje van hem gevonden werdt, waar agter op aangeschreven stond: FRANS is gestorven te Haarlem, in den ouderdom van 5 of 86 jaren, in 't jaar 1666, en is op den 29 van Oogstmaand, in 't Koor van de Groote Kerk begraven, naar dat zyn Broeder DIRK hem in 't jaar 1656 was voorgegaan. Zy waren Mechelaars van geboorte. En op de Lyst van St. Lucas Gildeboek te Haarlem staan verscheiden zonen, en zoonszonen van FRANS HALS geboekt, die alle de konst gehanteert hebben, als FRANS HALS FRANSZOON, HERMAN HALS FRANSZ. JAN HALS FRANSZ. en KLAAS en JAN HALS JANSZONEN, van welke 'er noch een leeft in Oostindien, die daar getrout is aan een Mestys, of halve Zwartinne. Zekerlyk om haar gelt. Deze heeft daar een huis gebout, en 't zelve met Schilderyen behangen, op de Hollandse wyze, en is een groot beminnaar en konstig oeffenaar van de Speelkonst, door het welke hy zig meer als door zyn penceelkonst by de braafste luiden bemint heeft weten te maken. Het een en 't ander schynt hun aangeboren te wezen. J. Wieland, een oud Liefhebber, en die de mee ste der zelve gekent heeft, getuigt: dat al de kinderen van F.HALS luchtig van geest, en beminnaars van Zang en Speelkonst geweest hebben. Het spreekwoort zegt: Armoede is de vindster der wetenschappen en konsten; doch dit gaat niet altyd zeker, want zoo dit een algemeene regel was, zoo zoude moeten volgen, en voor een waarheit doorgaan, dat de braafste Konstenaars, en veelweters, uit behoeftigheit zyn voortgedreven, of door armoede zyn voortgekomen; daar menigte van voorbeelden ons het tegendeel heeft doen zien, hoe bui Schouburgh der 96 buiten noodwendigheit van zig daar door te generen, veele door geldmiddelen gezegent, en van groote geboorten, echter door een aangeboren zucht tot wetenschappen en konsten, zoodanig wierden gedreven, dat zy die oeffeningen boven alle andere waereltsche vermaken verkozen, en zig daar geheel aan over gaven. DEODATUS DEL MONT zal een voor beeld tot bewys van myn zeggen opleveren. Deze was geboren te St. Truyen, in 't jaar 1581, uit een geacht geslagt, daar en boven om zyn groot verstand in de Meetkunde, Starkunde, Schilderkonst en meer andere pryswaardige wetenschappen en konsten, geadelt van den Hartog van Nieuborg aan welks hof hy lang verkeert heeft; was ook van den Koning van Spanjen, dien hy als Vestingboumeester in zyn jeugt gedient hadde, met veele voordeelen en vrydommen begunstigt, en wanneer die hem naderhand betwist werden, heeft de Koning in eigen persoon, daar over aan zyn Broeder Ferdinand, den Prins Kardinaal geschreven, ten einde hy hem zyne vrydommen en voorreehten wilde verdadigen en herstellen. Hy is niet alleen een leerling van Petrus Paulus Rubbens, maar ook zyn liefste boezemvrient geweest; die hem ook in zyne reis door alle de Steden van Italien heeft verzelt. Behalven zynen Konststukken, die in buitengewesten zynen roem schragen, ziet men ook te Antwerpen, in 't Klooster genaaamt de Facons, een Altaarstuk, dat kloek gehandelt, wel geordineert en vloeijende geschildert is, verbeeldende de Offerhande der drie Koningen. En noch een ander in de Lieve Vrouwe Kerk, vertoonende de Transfiguratie, de Verheerlykinge van Christus me Schilders en Schilder essen. 97 Kristus op den berg. Als ook by de Paters Je suiten, een Kruisdraging enz. genoegzaam stalen van zyn vermogen in de Schilderkonst. Frustra fit per plura quod per pauciora fieri potest. T is te vergeefs veel woorden te gebruiken, als men 't door weinige beduiden kan. Hy is gestorven op den 25 van Slachtmaand in't Jaar 1634. binnen Antwerpen. En wort van hem gezeit, dat hy door zyne bedrevenheit in de Sterreloopkunde veele zaken wist te voorspellen; als onder andere ook Het Jaar van zyne Dood ook waarlyk te voorzeggen En zoo hy had gezeit, is 't waarlyk ook geÅ¿chiet. Die dit getuigt is Kornelis de Bie. Dog die niet gelooven wil zal 'er niet om gebrant worden. Thans zal het tyd wezen dat ik den beruchten PIETER LASTMAN ten tooneel voer, aangezien hy op, of omtrent dezen tyd is geboren. Hy was een leerling van Kornelis Korneliz van Haerlem geboren 1562, in welkers levensbeschryving van Mander van hem op pag: 207 B. melt, met deze woorden: Lastman is een Jongman van goede hoop, en thans in Italien. Dit was in 't Jaar 1604. Als ik nu stel dat hy toen ter tyd 23 Jaar oud was; (want dat hy Jonger de reys naar Romen zoude ondernomen hebben is niet denkelyk, en als men dan die 23 Jaren te ruch telt, van 1604, komt het uit op 1581. 'K heb dikwils met grooten roem van zync Konstwerken hooren spreken, doch geen gelegenheit Schouburgh der gehad om 'er veel van te zien nog ook zyn Beeltenis, door Thomas de Keizer geschildert, daar Vondel dus op zeit: De geest van PETER voer in 't ordineeren speelen, En volgde vrou Natuur op doeken en pannelen, Zyn Kunstgetuigen. Toen, wie 't oordeel stryken kan, Of LASTMAN Fenix was, of RUBENS zyn genan. De Keizer heeft hem dus zyn ommetrek gegeven: Maar anders tekent hy zich in zyn Kunst naar 't leven. Gemelde Vondel, die door stadig met de braafste Konstenaren te verkeeren goed oordeel van Konst had, zeit: Dat zyne ordonantien woelig waren, en zig welvoeglyk koppelden: zyn naakte wel geteekent, zyne Kleederen natuurlyk en vlak geplooit, en de Koleuren vloeyende en kragtig geschildert. Meer konnen wy 'er niet van zeggen, als dat gemelde Nederduitsche Maro den inhoud van een zyner voornaamste Konststukken in Vaarzen tot zyner gedachtenis en roem naargelaten heeft, welks hoofdschrift is; LASTMANS OFFERSTAETSI te LISTREN aan den Heere JOAN SIX. Dit is 'er't begint af Wat dunkt u, Konstgeleerde SIX? Wie had de schikkunst oit zoo fix Als LASTMAN, waard de teekenkroon 't Ontfangen van Sint Paulus troon, Toen by zyn wonderwerk van Listren Zoo versch vertoonde, als beurde 't gistren! Dit tuight uw hemelsch Tafereel, Daar onze Apelles zyn Tooneel En grond met volle kennis bouwt, En zoo deze Offerstaatsi houdt, Schilders en Schildereffen. Dat zelf de geest van Rome en Grieken Noit hoeger zweesde op zyne wieken. Met welk een' zwaay en staatigheit En priesterlyke Majesteit Verschynt al 't Heidensch Priesterdom Voor d'oude Stadt, vol yvers om Te wierooken voor Kristus Boden, Hier aangezien voor Grieksche Goden! Men acht dit hier in menschen schyn * Merkuur, en Dondergodt Jupyn Verschynen, om den Jongeling Die flus op krukken ging, en hing', Te heelen, zonder kunst van kruiden. Dat stuk verbaast veel duizent luiden. Een rykdom, en verscheidenheit Van toestel nadert, en geleit † Bekranste en § witte Stieren vast G 2 Naar De bygeloovigheit had den oude Heidenen ingeboezemt te gelooven, dat de Hemelgoden zomtyts in menschelyke gedaante op de waerelt verschenen, en omgang met de volken hielden, 't welk de oude Fabeldichters hielpen onderschragen; onder welke Naso, als een der voornaamste, wel mag gestelt worden, die by 't leven van Keizer Augustus een geheel boek van die herschepping geschreven heeft; in het welke hy onder meer andere vertellingen (want hooger staan zy by ons niet te boek) verhaalt, hoe Jupiter en Merkuur, in menschelyke gedaanten omwandelende, de ondankbaren verdelgden, en de herbergzame Philemon en Baucis in boomen veranderden; om dat d'een des anders sterfuur (dat hun beede was) niet met smarte zoude zien, waar op de puntdichter L. Rotgans, aldus zeit: Zoo treurt Filemon nooit by 't Lykvier van zyn vrou; Noch Baucis scheurt om hem 't gerimpelt vel uit rou. † Bekranste] Dat de slachtdieren als zy naar 't outaar geleid wierden, met groene kranssen om hals en lendenen omhan gen Schouburgh der 100 Naar d'Offerplaats op 's Priesters last, Op veêl, tamboer, en lier, en fluiten, Langs 't ryk bestrooide padt naar buiten. Hier blaken fakkels, licht en klaar. Hier riekt de wierookhandelaar. Hier glinstren wierookvat, lampet, En goude schotel, op dien tredt. De Byl, en Bloetpan op het slaghten Van vee en Offerhande wachten. Een kenner ziet hier, heel vernoeght, Hoe d'eene perſoonadie voeghi By d'ander; en hoe elks gelaat En ampt, gelyk een zangers maat, Zyn plicht bewaart: hoe kleene en grooten Hier gen waren, daar van hebben wy verscheyden voorbeelden in d'oudheit: gelyk ook anders, de lenden met een offerkleed, bestikt met goude en zyde Loopwerken, overdekt, en het hoofd met een pragtige offerhuif opgesiert, die tusschen de hoornen uitgespannen met zyde koorden aan de topeinden der hoornen gebonden wederzyds met kwasten afhingen, waar van wy de gedaante, afgeteekent uit een marmere fries, den woedende tyd ontrukt, om de gedachtenis daar van te behouden, hier nevens in print aanwyzen. Tot meerder opsiersel hebben de Heydenen ook zomwylen de hoornen van het offerdier vergult. Ovidius zegt in zyn 10 Boek der Herscheppinge. Indutaque cornibus auro victima, Dat is T slachtofferdier hebbende de hoorenen verguld. [§ Witte stieren] Het offerbeest zullende dienen ter eeren van eenig oppergod moest niet alleen uitgelezen uit andere geenig mangel hebben, maar ook hagel wit wezen. En in tegendeel pikzwart als het dienen zoude tot een offer voor de Geesten en onderaardsche Godheden; gelyk L. Smids heel wel heeft aangemerkt in het kantschrift op Nazoos werken, gelyk wy ook breeder zullen aanwyzen, wanneer wy van deze dingen in het byzonder zullen handelen. 101 Schilders en Schilderessen. Hier treên, als op een galm van noten. Hoe schoon verschiet die lange ry, Van verre flaau, en dichter by Al sterker, voor 's aanschouwers oogh: Hoe deist de Poort, en Kerk, zoo hoogh En ront gebouwt, Jupyn ter eere, Op datze ons noch de Bouwkonst leere. Zoo stuit ten leste d'Ommegang Daar 't Outer wacht, en al te lang Verlangde naar den Offerwyn. Nu wil d'Aertspriester van Jupyn In 't wit, bekranst met eike hlaren, D'Apostels eeren op d'altaren. Maar zie om hoogh, hoe 't heilig paar Met woorden, handen en gebaar, Van 't Heidensch gruweloffer yst, En Offermans, en scharen wyst Naar Godt, wiens eere altaren passen. Zy roepen: wy zyn stof en asschen. Gy zultze straks van boven neêr Zien springen, Godts en Jesus een Beschutten, en van harteleet En rouw * verscheuren elk zyn Kleet, G 3 Het scheuren der kleederen was gemeen by de He breeuwen, wanneer iemant godslasterlyke woorden hoorden spreken. In later tyd is hier omtrent zekere bepaling gemaakt: want wy lezen by R. Maimonides, indien iemant. een Israeliet zynde, een Israeliet Gods naam hoort lasteren, die moet zyn kleederen scheuren, maar indien hy het hoort van een Heiden zoo is het niet nootzakelyk. En dus zouden d'Apostelen zig hier in hebben vergrepen, of hun drift te ver vervolgt hebben. Wy hebben deze tegenwerping beantwoort in het kantschrift op het leven van DEN KRUISHELT, PAULUS p. 55. Hier komt alleen te pas, dat wy (om de Leerbegerige jeucht in 't rechte spoor te leyden) aantoonen de wyze van het Kleederscheuren. n 102 Schouburg der Op datmen bloet noch wynkelk storte, Eu daetelyk d'Offerstaatsche schorte. Hoe stemt de straal van ons gezicht Met elks hoegrootheit, en met licht En schaduw van een ieder zaak Hielt vrou Natxur om heur ver maak Voorheen de hand aan eenig Schilder, Zoo doet zy 't hier, en nergens milder. T heeft geen tegenspraak, dat, wanneer wy een oulingze Hebrecusche, Grieksche, of Romeinsche gebeurde zaak, of Historie willen vertoonen, wy ons dan in opzicht van de bekleedingen der Beelden naar 's landts gebruik, wyze van plechtig heden, met hun gansche aankleeven, toestel, en gereedschappen, moeten bedienen van die Schryvers welke het naast aan die tyden geleeft hebben. of van de verbeeldingen of marmere gedenkstukken, De Kleederen van den hals af benedewaarts met beide de handen van een te rukken, zulks dat men de naakte borst zag, was de gemeene wyze van Kleederscheuren. Dus leest men by Maimonides: De kleederen moesten gescheurs worden van voren, en die de zelve scheurt op den rug, of in de zyde, of van onderen, wykt af van de gewoonte van scheuren; en by Joseph. in het 2. b. dess. De Overpriesters zelf kon men zien, op hun boofden stof geworpen hebbende, en naakt aan de borst, hunne kleederen gescheurt zynde, in tegenstellinge van die wyze van Kleederen scheuren, die alleen en enkel hoorde tot den Hoogenpriester, die zyn kleed niet anders vermocht als van beneden af naar boven op te scheuren; gelyk de Joodse meesters dit in hunne schriften naaukeurig onderscheiden. Dus lezen wy: De Hoogepriester scheurt van onderen, maar een gemeen priester van boven. Misna tit, Horajoth. Hoofdstuk 3. Volgens deze leyding hebben zig onze braafste konstoeffenaars vergist, als zy den Hoogenpriester Kajaphas hebben verbeelt, zyne Kleederen van de borst nederwaarts scheu rende. Schilders en Schilderessen. 103 ken, en muntstempels, die eentydig met het geen waar van zy het gedenken dragen, ook te zamen door den tyd grys geworden zyn; en niet doen als den Konstschilder Rembrant, die (gelyk Andries Pels in zyn Gebruik en Misbruik des Tooneels p: 36 zeit) Op Nieuwe, en Noerdermarkt zeer yv'rig op g zoeken Harnassen, Mariljons, Japonsche Ponjerts, bout, Enrafelkragen, die hy schilderagtig vond, En vaak een Scipio aan't Roomsche lichaam paste, Of d'ed'le leden van een Cyrus meê vermaste. En egter scheen hem, schoon hy tot zyn voordeel nam, Wat ooit uit 's waerelts vier gedeelten herwaarts kwam, Tot ongemeenheit van optooisel veel te ontbreken, Als hy zyn beelden in de kleederen zou steken. en veel min als die Schilderbaas, die, Kleopatra, daar zy de slang om haar te steken tergt, voor aan in een stuk, en op den agtergront de Kaart van Amsterdam met de nieuwe uitlegging vertoonde, en dus ons zelve bespottelyk maken by die, welke het wezentlyke in de Konst verstaan, en in de Outheitkunde bedreven zyn. Wy verzwygen den naam van dezen vernufteling die noch in leven is, ag tervolgens de les van Horatius, door den zelven Dichter Andries Pels aldus vertaalt: Wacht u, op't leven van byzonderen te schimpen; Met welk een schyn, wat slag van verwen, welke glimpen Gy't ook wilt mommen. Toon in't algemeen het kwaad; Bestraf, berisphet; maar verzwyg hem, die't begaat. Maar Schouburgh der 104 Maar om dat het aller Schilders doen niet is, met de neus in de boeken te snuffelen; heb ik my de moeite getroost van nazoek te doen, aangaande de gereedschappen die de oude Heidenen in hunne offerdiensten gebruikten; als ook der zelver gedaanten uit de afteekeningen der oude Marmere Frie zen, als elders op te gaaren, in een plaat by een te stellen, de Leerbegeerige Schilderjeugt de siukken (als men gemeenlyk zeit:) voorgesneden; zoo dat niemant (of hy wil) daar in onwetende behoeft te blyven, of zig in zyn werk te vergrypen. Hier ziet gy dan verbeelt, des Opperpriesters muts, ook die van een minder priester; de Slacht byl, Slachtmessen, koker met Vilmessen, Wierookkandelaar, Lamp, Kiekenkevie, Offerhuif, Offerschaal, den offerpot, Wierookkoffertje, Watervat, Offerkruik, Kroezen, Kwispel, Wywatervat, Bloetpan, enz. in 't voorgaande vaers gemelt. Met zulke Huif, of Hooftdekzelen dekte de priesterschap hare hoofden, en die de Godts dienstige plegtigheden bywoonden, gebruikten daar toe de slip van hun opperkleed of sluyer. Dit bevestigt Plutarchus daar hy zegt: De Romeinen tot de Goden gaande, plachten met bedekten hoofde de zelve te eeren, om met dat teeken de neerslagtig tigheit hunnes gemoets te betuigen. En is niet buiten waarschynlykhheit van Joachim Oudaan aangemerkt: dat de Apostel Paulus den mannen ge bied met ongedekten hoofde te profeteeren; om 't gebruik der Kriſtenen, tegen't gebruik der Heidenen aan te kanten, en dus onderkennelyk te maken, gelyk zulks ook de toeleg was van Moses, het geen wy breedwydig uit Spencer hebben aangewezen in de Brieven van Philaléthes. Dit Hooftdekzel of deze op perpriesterlyke muts, M . S P.184 die das wa me bie bru. te zul. bre del Schilders en Schilderessen. 104 I. Aper genoemt, was van witte wolle gemaakt, met purpere banden versiert, welke ook dienden om onder de kin toegebonden te worden. Het spits dat pynappelwys na boven toeliep, werd wel met een takje van een heilzamen boom besteken. Doch om wat reden deze muts is van wol gemaakt geweest, daar het dragen van wolle kleederen door een wet aan de priesters verboden was, weet ik niet, maar dit weet ik uit Plutarchus: Dat de wolle kleederen volgens de leere van Orpheus en Pythagoras voor zulken onbetamelyk geacht wierden. om te dragen; als zynde de wolle van een dood lichaam, het geen onrein wierd gehouden. Over zulks dienen de selve altyd in wit lywaat verbeeld te worden, als ook alle die eenige verrichtingen daar ontrent hadden, en de geene die in hunne proef jaren waren, en de priesterschap by de offerhande verzelden. Die ook daar en boven (volgens de getuigenis van Tzetzes) met mirtetakken, of andere groente met bloemen doorvlogten, waren gekranst. Zodanig eene schynt Hippolitus geweest te hebben als Fedra op hem verliefde; want dus lezen wy in Nasoos IV. Heldinnebrief volgens de nieuwe vertaling van Vondel, den Nederlanderen geschonken door den Heere David van Hoogstraten: Ik wenschte dat ik in Krete gestaan hadde, toen ik te Eleusis op het Feest van Ceres ging. Toen viel myn zin (hoewel ook te voren byzonder op u, en de liefde zette zig in 't merg van myn gebeente. Gy waart in 't wit gekleet, en met bloemen bekranst: en uw blank aanschyn bloosde van bloode schaamte. II. Verbeelt de muts of het hooftdeksel van een Flamen, priester van Jupiter, 't welk de bliksem, op de zelve gestikt, duidelyk aanwyst. En om dat in velerlei gevallen te lastig viel voor de Opperpriesters G 5 Schouburgh der 106 priesters het hooft met een hoed of huif bedekt te houden, is naderhand een draad of snoer Filum genaamt, in plaats gekomen, en de priesters zyn zedert Flamines genoemt, zie A. Bogaert Rooms. Mog. 84.ook dekten zy zomwyl hun hoofd met een krans van Laurier- of Eykenloof. III. De Slagtbyl, overeenkomende met de gedaante die men van dezelve ziet op een penning van Lepidus, gemeen in de Muntkabinetten, IV. V. en Slachtmessen uit d'oude overgebleve marmere friezen binnen Romen gevolgt. Festus, zegt: dat het is geweest een lang yzer mes, met een rond woren handvatzel, dat met goud of zilver, of metspy kers van Cyprisch koper beslagen was, 't geen de priesters tot de offerhande gebruikten. En het tweede heeft zyne overeenkomst met de afbeelding, die men daar van vind op de Keizerlyke munt, zie Oudaans Roomsche Mogendheit pag. 545. Tab. 113. 9. en 558. Tab: CXIV. 4. waar nevens wy niet t'onpas verbeelden VI. den Koker met vilmesschen, die de slachters aan hun gordel hangende droegen; uit de outheit opgespeurt door den oudheid kundigen W. du Choul, Raadsheer des Koninks van Vrankryk, en Bailliu over de gebergten van Dauphiné. Van dezen hebben wy ook ontleent den Kandelaar, waar boven aan een schaalswyze holligheid te bespeuren is, bekwaam om wierrook op 't ontsteken, waar op J. van den Vondel naar alle bedenken op gezien heeft in dit even voorgaande vaars, daar hy van een wierrook-kandelaar spreekt. Welke dan van een selve gebruik zal geweest zyn, als de wierrook-vaten, en schalen; Of konden tot een Lamp hebben gestrekt om licht te geven; aangezien deszelfs schulpschaal, 107 Schilders en Schilaeressen. of lepelswyze holligheit op de top deszelfs eenige gelykheit heeft met de lepelswyze schalen op den zevenarmigen Joodschen Tempelkandelaar, waar van wy alleen een topstuk, in de print by de priesterlyke muts (gevolgt naar de afteekening die W. Goeree in het 4 Deel der Mosaize Historien der Hebreeuze kerke p. 88. doet zien) vertoont hebben. Diergelyk een gedaante van Kandelaar zietmen op een penning van Augustus, nevens een krans van Ossenbekkeneelen en offerschalen en bloemen aan een gevlochten. Het zy daar mede zoo 't wil, dit gaat vast, dat d'oude Romeinen hun Tempeldienst en offerhanden met ontstoken lichten vierden. Op een Penning van Antonia (na datze van Klandius tot priesterinne van den vergoden Augustus gemaakt was) ziet men twee ontsteken toortsen nevens een festoen van loofwerk, met het byschrift SACERDOS DIVI AUGUSTI. Priesterinne van de vergode Augustus. Zie Oudaans Room: Mog: Tab: CXIII. 11. 12. En aangezien d'oude Romeinen ook Lamplichten in hunne Tempelen huizen of haardsteden gebruikt hebben, hebben wy ook deze Lamp. VIII. om hare vremde vorm en gedaante mede na ge schetst, om te konnen dienen voor de Konstoeffenaars, wanneer zy zomwyl eenige Godenbeelden, in Tempelen, of overdekte poortalen vertoonen, wyl het de gewoonte was dat voor de zelve zoo wel by dag, als by nacht brandende lampen hingen. Van welk lamplicht zig ook de priesters die by beurte de nachtwacht hielden hun gebruik hadden. 't Is ook dienstig voor die Huisgoden op hunne altaren vertoonen willen, by welke Schouburgh der 108 welke altyd een brandende lamp hing. Aan deze Lamp (uit den grond opgedolven in den jare 1525.) hing een kopere plaat waar in met Latynsche letteren geschreven stond LARIBUS. SACRUM. PUBLICAE. FELICITATI. ROMANORUM. dat is: Aan de Huisgoden toegewyd tot algemeen heil der Romeynen. En alzoo wy zagen dat wy den omtrek van onze plaat ruim genoeg genomen hadden, hebben wy ook dien brok steen IX (waar op de Kiekenkovie, van de priesters en wichelaars allerwegen met hun omgevoert, om uit de wyze van het eeten der Kiekens voorspellingen te doen) noch te Rome in zyn geheel bewaard, en te zien, plaats ingeschikt. Uit deze schatkamer van oudtheden hebben wy ook ontleent dezen beeltvertoonenden marmersteen, X waar op zig vertoont het Bekkeneel of ontvleesde stierkop met zyn Offerhuif. Deze inful, of Huif, was van gebreide wol, gespannen boven het hooft des offerstiers, gestrikt aan de topenden der hoornen, van waar de geknoopte offerbanden (van de Grieken ταινίαη, en van de Latynen Vitta genaamt) neerwaarts hingen. Met dit optooisel stont het Offerdier eenen tyd lang voor het * altaar te pronken; daarna dienden de Bekkeneelen der geslachte offerdieren, om de Godvruchtigheit en den Godsdienst te vertoonen, en wierden geplaatst tegen den Altaar § XI. Deze altaren waren rond Dus op het ruggestuk eenes pennings van Cesar, vertoont Tab. CXIV. Fig. 4. in Oudaans, Roomsche Mogendheit. [Altaar] De Heidensche schriften melden van een altaar van uitstekende hoogte, die Apol van enkele bekkeneelen, of hoornen der geslachte offerdieren had opgestapelt. 't welk Dan. Heinsius in zyn Loszang van Bachus, dus te pas brengt. Mm. 109 Schilders en Schilderessen. of vierkant, hoog of laag, naar 't geen de priesters daar op te verrichten hadden. Op het buitenrond, of 200 zy vierkant waren, op de plint beclden hebbende van Festoenen van bloemen, vruchten, offerschalen, bekkeneelen enz. Ook wel omvlochten of behangen met Festoenen van levend groen, doormengelt met bloemen, of vruchten; welke af hingen of geschikt werden, naar vereisch van het geofferde, of naar de onderscheyden Godenbeelden voor welke het offer geschiedde. Daar benevens is het ook niet even veel (dit behoord een konstenaar die zig in de oude Historien oeffent te weten) wat soort van slachtvee men op 't outer brengt, aangezien een zelve offer, d'eene Godheid vermaak, en d'andere een afkeer verwekt. Verkens wierden geslacht in velerhande voorvallen en opgeoffert aan verscheiden Godheden. Als aan Jupiter nevens een stier en schaap, alle vyf Jaren te Romen door den Tuchtmeester op het velt van Mars: aan Venus op de Bruiloften, om hare Men zeit dat Febus heeft gemaakt in oude tyden Een groot en hoog altaar, bestuwt aan alle zyden Met horens die hem bracht zyn zuster uit het velt, Die menig horenbeest by Delos had gevelt. Een potsig Dichter heeft deze volgende rymregelen daar op toegepast. Zoo eens de mannen in 't gemeen, De Hoornen zamelden by een, Die dikwils de geliefde vrouwen, Voor pluimen, zetten op hun hooft: Men zou daar mee op t minst, gelooft My, wel een altaar konnen bouwen, Zoo hoog als in Egiptenland, Ooit spitze grafnaald is beplant. Schouburgh der 110 hare gunst tot de voortteling. Aan Ceres, om dat zy de bezaayde akkers met hunne snuiten niet omvroeten zouden. Den Grens-God Terminus werd in de eerste tyden geen bloed geoffert; om dat hy een twist scheider is tusschen de landbewoonders en de Lantheeren, en de Dorpelingen waren jaarlyks op den 20 van Februarius gewoon zyn beeld te bekranssen, en met offerkoeken te beschenken. Naderhand werd hem een zuigende bigge opgeoffert. Zie Ovid. 23. van zyn Alm: het 15 Hoofdstuk. De Lampsaceners slachtten jaarlyks een Ezel voor den Tuingod Priapus, en zy offerden het ingewant aan Vesta, op welker vierdach een Ezel wort bepronkt met halssieraad. De overige krygen heilig avond en worden uit den rosmeulen ontspannen, tot dankbare gedachtenisse, dat de Ezel van Sileen, wanneer de Tuin-God haar in den slaap stil meende te bekruipen, door zyn gebulk haar had gewekt, op datze dien snoeplustigen mogt ontvluchten. Zie Ovid. 2. Boek aan zyn Alm. het 5. Hoofdstuk. Op den Feestdag van Saturnus werd een mensch geslacht. Welk onmenschelyk bedryf sproot uit misduyding van het Orakel. Dusdanig een dwaling (zeit H. korn. Agrippa, in zyn boek van de ydelheit der wetenschappen p. 20.) is den Grieken en Italianen over gekomen uit de Dubbelzinnigheit van het woort Qõs, t geen en een mensch, en een licht beteekent, waar uit eertyds de bezorgers der Feesten van Saturnus, door des woords tweezinnigheit misleid, alle jaar aan Saturnus een mensch geoffert hebben. daarze hem met ontsteken wasse kaarssen of ander licht even eens hadden konnen te vrede stellen; welke misvattinge des volks ten laasten door onderrechting van Hersules begrepen zynde, zyn zy naderhand wyzer geworden. 111 Schilders en Schildereffen. den. Hoewel, nochtans de Karthaginensers deze Jaarlykze onmenschelyke menschen slachtinge (volgens getuigenisse van Curtius) noch lange jaren hebben onderhouden. De Wyngaardeniers hadden voor gewoonte, alle jaar een Ram of Bok aan Bachus te offeren. op dat hy 't beschadigen van den wynstok zou voorkomen. Daar en tegen had Juno afkeer van een Geit. Hoewel die van Sparta, zedert dat Herkules hun was voor gegaan, jaarlyks een geit op haaren feestdag offerden. Dusdanige byzonder heden, thans van ter zyden ingevloeit, zullen wy elders verhandelen, en ons tot de verdere opening der Printvertooningen begeven. By het sieren der altaren daar wy even van spraken moeten wy ook zeggen dat de Heidenen gewoon waren met dusdanige vercierselen de plinten tusschen de bovenlyst, die het tempeldak schooren, en de kapiteelen op te pronken (daar deze marmere brok, of plaat XII. het bewys van aantoont) en dus inwendig in hunne gewyde Tempelen deden stellen; om den aandacht door die godvruchtige bespiegelingen op te wekken. Gelyk dan deze steen om de gedachtenis daar van te behouden, gemetselt in den muur boven de poort van St. Just ontrent Lions noch te zien is. Waar in zig boven de Festoen met offerbanden aan twee gehoornde Bekkeneelen gestrikt zig ook doet zien een Patera zoo genaamt, dat is, Offerschaal: hoewel dit woort ook van Virgilius gebruikt wort tot die schaal, of het bekken daar men gewoon was het bloed der slacht dieren in te vangen. Zie Oudaans Ro. Mog: p. 557. Deze schaal diende om by de offerhande uit te drinken; want (gelyk de Heer L. Smids in zyn kantschrift op Nasoos werken aanmerkt) Zelden waren Schouburgh der 112 'er offerhanden zonder Gastmalen, waar in voornamentlyk de exta of ingewanden der geslachte dieren werden opgesmult, gekookt of gebraden van de Koks, die daar altyt tegenwoordig waren. De gedaante van den pot of ketel, genaamt olla ziet men XIII. vertoont. Daar nevens aan XIV. het wierrookkoffertje Acerra genaamt, waar uit de priester, zoo haast net offervlees aan 't smeulen was, een deel nam en wierp het in 't vuur om den stank van 't gezengde vlees te verdooven. XV. Vertoont een draagbaar watervat, dienende om het offer te reinigen. Ook XVI. het vel van een slachtdier. Dit diende by wylen voor de priesters die den nacht over in de Tempelen bleven, om de Goddelyke antwoorden af te wachten van de Goden, over 't gene zy verzochten, om op te rusten. Daar Virgyl op ziet in het VII. boek, als hy zeit: Op vellen neergespreit heeft by den slaap gezocht. Want de Goden (zeit Cicero) spreken met de genen die slapen. Hier nevens aan XVII. vertoont zig 't hooft eenes Rams, dat tot gelyke beduiding gestelt wert, als wy van 't hoofd des stiers gezegt hebben. XVIII. Vertoont de gedaante van een Offerkruik, daar de offerdienaars den wyn mee naar de Tempels, of daar de Offerdienst geschiedde, droegen, en XIX. twee onderscheiden Kroezen, om den offerwyn, (na dat de zelve al vorens gevult waren uit de Offerkruik Praefericulum of Sympulum genaamt) op 't altaar te plengen, of de drink schalen te vullen. XX. Een wit aarde kruikje met een engen hals Urceus, Urceolus, of Guttus genaamt (Druppelvat noemt het Oudaan) om dat'er het nat als by druppelen 113 Schilders en Schildereffen. pelen uit liep, en gebruikt wert om water uit te schenken tot reiniging en wassinge der handen, of om oly op de offerhande te gieten. In den jare 1520 is dusdanig een kruikje gevonden op den gront, of binnen de gesloopte muuren van het huis te Britten, bedenkelyk door Keizer Kaligula gesticht; thans met het zeewater bedolven. Van dit kruikje (by den Heere van Wassenaar nevens andere oudheden in bewaring) geven wy een afteekening, heel gelyk naar de gedaante die men daar van op verscheiden penningen van Keizer Antoninus en andere ziet; nevens den Wichelstaf. XXI. waar van Oudaan zeit: De Wichelaar zullende eenige voorteekenen nemen, hielt dezen ſtaf in de hand, en teekende of streepte daar eenige streken des hemels mede af, om tusschen de zelve de voorteekenen van 't geen'er voorkwam waar te nemen, zonder zyn oogen wyder te laten weyden. Die ook van gedachten is: Dat (nadien de zelve hol was) de Wichelaar daar op heeft konnen blazen, en daar mee geluit maken, als met een krygsklaroen. XXII. De Kwispel, of de Besprengkwast. Deze diende nevens een Laurier of anderen groenen tak, om de offeraars of 't geofferde, gedoopt in 't water daar d'offertoorts in uitgeblust was, te besprengen: voor welk besprenkelen d'oude Heidenen groote achtinge hadden, verbeeldende zig daar door van misdryf-smetten gezuivert te worden. Virgilius, beschryvende de uitvaart van Misenus, zegt, dat Coryneus de beenderen in een koper vat gezet hebbende, de geenen die daar rondom waren, drywerf met schoon water besprengde, gebruikende tot een Kwispel een Oly tak. Hier by vertoonen wy XXIII. het Wywatervat. Dit werd geplaatst aan, of in den ingang det I. DEEL. Schouburgh der 114 der Tempelen, om de genen die tot de zelve ingingen te besprengen. Gelyk wy'er dan een van geen onsierlyken stal, uit een oud overblyfzel nagebootst doen zien. Eindelyk XXIV. het Afbeeltzel van de holle schotel of Bloetpan Discus genaamt. Oudaan noemt de zelve een Platteyl, en wierd gebruikt om het bloed der Offerdieren welke geslacht wierden in te vangen, of om de ingewanden daar in te reynigen. De Konstschilders moeten ook niet verzuimen eenige Fluitenisten of pypers by de Offerhande te plaatzen; aangezien de zelve daar, en in de Lykstatien, en blyde Feesten alzins in 't spel komen: spelende zy op enkele Fluiten Tibae genaamt, en dubbele Fluiten, die regs en links behandelt, d'eene een hoogen of scherpen, d'ander een lagen of doffen toon speelden. Waar van wy verscheiden soorten A. B. C. uit oude mar mere gedenksteenen vertoonen, in de even voorgaande print. Van meer andere byzonderheden zullen wy op een andere plaats spreken, als wy van de Feesten die onder de Heidenen in gebruik waren zullen handelen, en inzonderheit van zulke, die met woeste dertelheit, dronkenschap, en geilheid verzelt gingen. Dus willen wy onze tusschenrede hier afbreken. Met het openen van dit nieuw Toneel, verschynt DAVID TENIERS en HENR. VANDER BORGHT, gevolgt van hun tydgenooten Een onbedreven stuurman mag na veel dobberens op de woeste baren eindelyk zyn haven bezeilen, maar die by tyts een ervaren loots inneemt gaat veel zekerder. DAVID TENIERS de oude nam in zyn begin tot leyding den bedreven Loots in de konst P. P. RUB Schilders en Schilaeressen. 115 RUBBENS, onder wien hy zoo veer gevordert is, dat hy zich naar Romen begaf om zyn konst voort te oeffenen. Hy heeft tien Jaren in Italien gewoont by den beruchten ADAM VAN FRANKFOORT, by genaamt Elshaimer. D'een en d'andere verschelige behandeling van schilderen mengelde hy onder een, en hield zich aan die wyze zoo in 't groot als klein. Hy was een Antwerpenaar, geboren in 't jaar 1582. en is gestorven 1694. HENRIK VANDER BORGT de oude, is geboren te Brussel in 't Jaar 1583, maar met zyne ouderen in den Jaare 1586, om de beroerten waar door Brabant inzonderheid in dien tyd geschokt wert, vervoert naar Duitschland, daar hy opgevoed is. Tot zyn jaren van begrip gekomen viel zyn genegen heit op de Schilderkonst, waarom zyn ouders hem bestelden by den Konstschilder GILLIS VALKENBORG, van wien afscheidende hy zyn konst voortgezet heeft in Italien. Van daar wedergekeert heeft hy zich tot Frankendaal neergeslagen, en daar gewoont tot den jare 1627, wanneer hy met er woon te Frankfoort is gekomen. Hy was ook een groot kenner van allerhande Rariteyten en Antique medaljes, dat hem inzonderheit by den Graaf van Arondel bemint maakte. Hy is in een goeden ouderdom gestorven: maar waar, en wanneer, is my tot noch toe onbekent gebleven. Onder het getal der Schilderen, die wy by Korn. de Bie geboekt vinden zonder eenig merk van hunne Geboorte plaats of Sterftyd, noch ook by wien zy de konst geleert hebben, wort gemelt. WENCELAUS KOEBERGER. Hy was Praefectus Generalis Montium Pietatis Bruxellis, Alberti Archiducis quondam Pector humenarum Figurarum. dat H 2 Schouburgh der 116 Dat is Schilder van den Aartshertog Albertus, en algemeen Bewintsman van de Bergen der Barmhertigheit te Brussel; het geen de Lombart betekent. Florent le Comte, Schulpteur, & peintre te Paris, schryft in zyn Kabinet der konsten, dat hy is geweest een leerling van Marten de Vos die gestorven is in 't Jaar 1604. oud 70 jaar: waar by hy doet dit volgende verhaal: Dat KOBERGER door de min getroffen verliefde op de Dochter van Marten de Vos, en dat hy om die Minnedrift te verzetten voornam een Reys naar Romen te doen, denkende (als het spreekwoort zeit) Uit het oog, uit het hart; gelyk 't ook gebeurde. Als hy dan een wyl tyds te Romen geweest had vertrok hy naar Napels, daar hy kennis maakte met een Brabander Franco genaamt, een van de eerste en berugste Schilders in dien tyd. Hy was hier niet lang by geweest, of hy verliefde (want Kupido vervolgde hem met zyn minneschicht) op de Dochter van Franco, zoodanig dat hy haar ten huwelyk verzocht, het geen hem, om dat hy een jongman was van goede hoop, en een grooten geest bezat, toegestaan werd. Hy bleef dan noch eenigen tyd in Italien naarstig en yverig de konst voortzetten naar de beste voorbeelden, maar vertrok eindelyk naar Brabant. Te Antwerpen heeft hy in de kapel van de Arbalêtriers in de Lieve vrouwe Kerk geschildert een St. Sebastiaan groter als 't Leven; en eenige vrouwtjes in 't verschiet, weenende om de marteldood van dien zant, in welks wezen hy de doodelyke trekken zoo natuur lyk had vertoont, dat'er alle konstkenners van verwondert en verbaast moesten staan, als zy het zagen. Maar dit was zyn ongeluk, dat het stuk niet 117 Schilders en Schilderessen. niet lang in de kerk hing of het hoofd van den Sant was'er met een mes (zonder te weten wie het gedaan hadde) uitgesneden, en weg gestolen. Hy vulde het gat weder met een stuk geplumierd doek en schilderde daar weder een ander hooft op, maar dit lukte zoo wel niet als het eerste. Daar na trok hy van Antwerpen naar Brussel om den Hartog Albert, die hem voor zyn Schilder hield; en inzonderheit beminde, om dat hy zoo Medaljekundig was. Glaude Fabri de Peyresc kwam uit Vrankryk om zyn Kabinet te zien. Hy vertoonde het hem en wees hem veele dingen tot berigt daar ontrent dienende. KOEBERGER verstont zich ook op de Boukunde, zoo zeer, dat hy is Boumeester geweest van de Kerk der Lieve vrouw van Montaigu, die hy maakte naar 't model van St. Pieters kerk te Romen; ook de Augustine kerk te Brussel. Hy heeft ook veel Fonteinen en sieraaden in des Hartogen Paleys te Fornure, anders Veurne gelegen tusschen Nieupoort, Duinkerken, en Dixmuyden, de vermakelykste Lantstreek van Vlaanderen gemaakt. Uit welke omstandigheit men (al is men geen Edipus) wel ramen kan in wat tyd hy geleeft heeft, om hem een plaats onder de braafste Konstoeffenaars in te schikken. Want de Aartshartog Albertus, zoon van Keizer Ferdi nand den tweeden is geboren 1560. getrout in 't jaar 1599, en gestorven 1621. Des zullen wy (vermits ons niets nader daar ontrent gebleken is) hem plaatsen op 't Jaar 1583. Men ziet zyn Beeltenis, gevolgt naar de afschildering van A. van Dyk in de PLAAT F. boven aan nevens dat van L. VAN UDEN. Leyden vruchtbaar in 't voorteelen van Konstenaren bracht voort in 't jaar 1584 LAH 3 113 Schouburg der JABOB WOUTERSZ. VOSMEER, af komstig van het oud geslacht der Vosmeeren. Deze is eerst geweest een Lantschap-schilder, maar begaf zich naderhand geheel tot het schilderen van Bloemen waar in hy zeer gelukkig is geweest. In zynen lente tyd heeft hy Italien bezocht, en keerde van daar in 't jaar 1608, (toenmaals 24 jaren oud) weder in zyne geboorte Stadt Delf, alwaar hy de konst (schoon hy Majoor van de Borgerwacht was) tot genoegen der konstliefdigen bleef oeffenen tot dat hy stierf in 't jaar 1641. In dit zelve jaar is binnen de Stadt Leyden ge boren DAVID BAILII, zoon van Pieter Bailii, die in zyn tyd een konstig Schilder is geweest. Zyn Vader ziende in hem van der jeugt aan een natuurlyke drift tot de konst doorsteken, liet hem eenigen tyd by zich zelven zoo wat teekenen naar prenten. By toeval gekomen op den winkel van Jaques de Geyn, kreeg hy genegenheit om het graafyzer te leeren behandelen, 't geen hy oeffende een jaar lang, en daar in wel toenam. Doch hebbende meerder zucht tot de Schilderkonst, besteeden hem zyn Vader by Adriaan Verburg om in die konst onderwezen te worden, alhoewel hy zich in dien tyd geneerde met de geneeskonst te oeffenen. en bleef daar eenigen tyd, tot hy in den jare 1601 naar Amsterdam vertrok om de konst voort te zetten onder 't onderwys van Kornelis vander Voort, toen geacht den besten Pourtret Schilder, waar by hy omtrent zes jaren bleef. En alzoo dezelve veele konstige Schilderyen van andere meesters hadde, vond hy gelegenheit om'er nu en dan een na te schilderen, onder deeze was een Tempel van Steenwyk, dien hy zoo konstig naargebootst had, dat de gemelde Steenwyk bezwaarlyk het 119 Schilders en Schilderessen het een stuk van het andere konde onderkennen. Van Amsterdam weder tot Leyden gekomen, maalde hem de reislust in 't hooft. Dus vertrok hy in den Wintertyd 1608, naar Hamborg; daar van daan naar Duitschlant, tot Frankfoort, Noremborg, Augsborg, en verscheide andere Steden; door Tirol naar Venetien, en van daar tot Romen, om de behandelinge der Italiaansche konstschilders, waar 't mogelyk, af te zien, en een lange wyl verblyf te nemen; maar zeker toeval deed hem, als hy daar niet lang geweest was van voornemen veranderen en weder naar Venetien keeren; daar hy maar vyf maanden bleef, en van daar genoegzaam weder langs den zelven weg dien hy van te vooren gereist had, naar zyn Vaderlant keerde; dit was in 't jaar 1610. Door Duitschlant naar beneden komende heeft hy verscheiden hoven aangedaan, daar hy een staal van zyn konst tot gedachtenis liet, inzonderheit aan 't Hof van Brunswyk, daar hem de Hartog een Jaarlykse wedde wilde toeleggen, zoo hy zich voor eenige jaren tot zyn dienst wilde verbinden, 't welk hy afsloeg. Eindelyk wars van 't reyzen is hy in den jare 1613 weder tot Leyden gekomen, om, als hy uitgerust zoude hebben, zyn konst in stilheit te oeffenen. De menschen (zeit het spreekwoort) leven by veranderinge: dit is aan onzen DAVID BAILII, ook gebleken, want in den jare 1623, verwisselde hy zyn kloek penceel, voor de syn versnede pen; en teekend veele Pourtretten uitvoerig, met inkt, (die hy dan met het penceel voort op maakte) op parkement, daar de lief hebbers van de konst groot genoegen in hadden. Simon van Leuwen, melt (in zyn Korte beschryv. H vinge Schouburgh der 120 van Leyden) om dezen tyd ook van eenen Jan Arentsz. die een goed Lantschapschilder was. Frieslant heeft in deezen vroegen tyd mee flikkeringen van een verborgen konstvuur doen uitlichten in zyne steedelingen. PIETER DE VALK geboren te Leeuwaarden 1584. was de zoon van een Zilvermit en Borger van die Hoofdstad van Frieslant. By wien hy de konst geleert heeft weet ik niet, maar dat hy zij in zyn jeugt geoeffent heeft naar de Penceel konst van A. Bloemaart (zeit Joh. Hilarides van Bolswerd) blykt aan een stuk Schildery dat noch te zien is by zyn Dochters Dochters Dochter Antje Jeppes te Sneek. Waar van wy naderhant zullen spreken. Valk reisde naderhand om zyn Konst voort te oeffenen naar Italien, daar hy verscheiden achter een volgende Jaren bleef. Weder 't huis gekomen zynde kwam hy te trouwen en won twee zonen, die in hun jeucht mee derwaarts trokken, d'een door lust tot de konst gedreven, d'ander op zyn handwerk, en tot gezelschap van zyn broeder, op de lange reis. Doch deze misleid en bedrogen door een Genuwees, werden in Barbaryen voor slaven verkocht, zonder ooit weder op te dagen. De Vader schilderde onderwyl te Leeuwaarden op 's Princen Hof verscheiden Beeltenissen, Historien, Lantschappen enz. die in waarde gehouden wor den, en voor een gedeelte daar noch te zien zyn. Zyn Borstbeelt konstig en uitvoerig door hem zelf geschildert 1605, in zyn 21 Jaar, te Sneek by zyn Dochters dochters dochter te zien, doet ook 't effens zien, dat hy op dien voet voortgegaan, naderhant een braaf meester moet geweest zyn. Antje Ieppes bove gemelt heeft een afteekening na 't zelve gemaakt, en ons van Sneek toegezon den Schilders en Schilderessen. 121 den om de gedachtenis van haaren overgrootvader onder de Konstschilders levendig te houden. Men zie die beeltenis geplaatst in de Plaat G. WILLEM VANDER VLIET, (wiens afkomst is van een jonger Zoon, uit het oudadelyk geslacht van Vander Woert, is geboren te Delf in 't jaar 1584. had een vaardig, en vloeyend penceel, schilderde Historien, (zeit de Stads schryver) doch begaf zich naderhant tot het schilderen van Pourtretten, tot dat hy overleed in Wintermaand 1642 oud 58 jaren. Deze had ook een broedersZoon HENRIK VAN VLIET genoemt, die ook de Konst hanteerde, en lange jaren onder zyn Ooms opzicht zich oeffende in 't schilderen van Historien, Nachtlichten, Perspectiven; naderhant begaf hy zig by den beruchten Mierevelt, om zich tot het pourtretten schilderen te oeffenen. Doch zyne kerkjes van binnen in te zien, en op de wyze van Em. de Wit, met geestige Vallichten en beeltjes gestoffeert behagen my wel best. GUILIAM NIEULANDT, geboren t'Antwerpen in het Jaar 1584. was een Leerling van Roelant Savry t'Amsterdam, by welken hy in 't Jaar 1594. kwam om de konst te leeren. Waar na hem de Reislust den Schilders inzonderheit als aangeboren, in 't hooft kwam; Hy vertrok naar Rome en woonde drie jaren by den beruchten Paulus Bril. Zyne genegenheit strekte byzonder tot het verbeelden van vervallen en door den tyd. en woede gesloopte Roomsche gebouwen, Triomfbogen, Tempelen, Badstoven, Graven en dergelyke schuilhoeken van uilen en vledermuizen, of vervallen holle spelonken, daar men de Echo hoort nabaauwen, waar van hy'er ook een goed deel zelf met de naald in koper geetst heeft, Hy was ook een H 5 Schouburgh der 122 een goet dichter, naar dien tyd te schatten. Hy keerde in den Jare 1607. weder naar zyne geboortestadt Antwerpen, en van daar met'er woon t'Amsterdam, alwaar hy gestorven is in het Jaar 1635. CHRISTIAAN JANSZ. VAN BIEZELINGEN, zyn tydgenoot, was geboren te Delf, maar in wat Jaar, heb ik niet konnen naspeuren; maar hy was in den jare 1584. al berucht voor een goed meester in de konst, en over zulks heb ik hem geen voeglyker plaats konnen inschikken. Van hem wort verhaalt, dat hy den * Prins van Oranje in dat zelve jaar te Delf doorschoten zynde van Balth. Gerards, na dat door den Staat verboden was naar zyn wezen eenig portret af te malen, op dat het misschien in handen van 's prinsen Vyanden komende hun stof van spotten zoude geven, echter gelegenheit gevonden heeft om t doode lichaam van den Prins te zien, en een schets van het wezen te maaken, ja de gelykenis zoo wel getroffen heeft, dat men het zelve naderhant boven alle andere afteekeningen heeft gekeurt: waarom ook § Henrik Gerritsz. Pot, als hy dat groote stuk in 't jaar 1620 maakte dat op het Raadhuis te Delf in Schepens Kamer hangt, zich van dat Model bediende. 'T geen vorder van hem verhaalt word, is dit, dat hy zommige zyner goede vrinden, die een reys naar Spanje zouden doen, aan boord van 't Schip ging bezoeken, om het laatste vaar wel met David Flud van Giffen, Predikant te Dordrecht heeft het portret van Balthasar Gerards, den Moorder van Willem den I. Prins van Oranje, onder zyne Rariteiten gehad, door dezen van Biezelingen naar 't leven afgeteekent, toen hy in banden was. Beschryving van Delft, pag. 845. 123 S childers en Schilderessen. met hun te drinken: en in die vrolykheit, op het sterk aanhouden zyner vrinden (terwyl het Scheepsvolk vast zeyl maakte) met zyn vrouw en twee kinderen mee gevaren is. In Spanje gekoomen, raakte hy te Madrid aan 't Hof, en is daar gebleven tot dat zyn vrouw overleden was; waar na hy naar Holland scheepte, daar hy een andere heeft getrout, waar mede hy is te Middelborg in Zeelant gaan woonen, daar hy ook gestorven is in 't 42 jaar zyns Ouderdoms. De Stadt Antwerpen die wel den grootsten naamrol (in vergelyking van andere Nederlantsche Steden) zou konnen uitleveren, heeft ook d'eer dat binnen haren wal in den Jare 1585, gebooren wierd. GASPER DE KRAYER. Van wien Korn: de Bie, aldus tot zyn roem spreekt: Want al het geen by doet is lieffelyk gedommelt, Heel zwierig zoet en mals, verdreven en geschommelt. Hy heeft de konst geleert by Raphael Coxi, en zoodanig daar in van tyt tot tyt toegenomen datmen hem onder de berugte Konstenaars telt. Van zyne konst getuigen noch Brussel, Gent enz. ook Nazaret, by Lier gelegen; daar hy verscheide altaarstukken geschildert heeft, die het gemoet tot aandachtige beschouwingen kunnen opwekken. Hier by verschynt de Konstschilder en Zededichter DIRK RAFELSZ. KAMPHUIZEN geboren te Yorkum in 't Jaar 1586. Zyn Vader Rafel Kamphuizen, uit een adelyk geslagt gesproten was een Heelmeester, om zyn oordeel in de Geneeskunde en hups gedrag by elk be Schouburgh der 124 bemint: en zyn moeder (welkers Vader Hans van Mazeik, een koopman van Gorkum om de bely denis van zyn geloof onthalst werd) was berugt om haar zonderling godvrugtig leven onder de Doopsgezinden. Deze sturf als DIRK agt Jaren oud was, en zyn Vader volgde haar in kort na. Zyn Oudste Broeder die getroud was, en den winkel van zyn Vader na des zelfs overlyden waar nam, ziende een groot vernuft in zyn jongsten broeder; en hem tot de Schilderkonst geneigt, bestelde hem by eenen Diderik Govertze om de konst te leeren welken hy in eenige Jaren door naarstige oeffeninge niet alleen naby kwam, maar ook in konst te boven ging. Van zyne geschilderde tafereelen zyn my noch eenige voorgekomen waar in verbeelt waren Boere stalletjes, en Lantschappen met beeltjes, koetjes, paarden enz. ook verbeeldingen van Maneschyn enz. Ook zommige van zyne Penteekeningen, waar in hy zonderling uitstak, berusten noch onder zyne vrinden. Hy oeffende de konst tot zyn agtiende jaar, wanneer hy door aanradinge zig tot de taaloeffening begaf, waar in hy zoo bovenmaten vorderde, en zig zoo wel gedroeg, dat, als de Heer van Langerak en Nieupoort tot Leyden kwam om by de Professoren te vernemen of zy geen bekwaam persoon op de Academie kenden dien hy 't opzicht zyner Kinderen mogt toebetrouwen) Armyn onzen KAMPHUIZEN inzonderheit hem daar toe aanprees, gelyk hy gevolgelyk ook tot dien dienst overging, en zich daar ook zoo wel in kweet, dat hy daar na ook tot des zelfs Sekretaris of Geheimschryver wierd aangestelt. Onderwylen had hy zig in zyn buitentyd naarstig in de Godgeleertheit geoeffent; en zynde welbespraakt Schilders en Schilderessen. 123 spraakt, en van deugtzaam leven, werd hem van zyne vrinden geraden zig van den dienst te ontslaan, en zyne oeffening alleen aan te leggen tot den Predikstoel, 't geen wel gelukte. Want na dat hy eenige reyzen de Preekbeurt van Do. Taurinus in de Domkerk tot Uitregt tot groot genoegen van de gemeente had waargenomen, kreeg hy, door voorspraak van de Heeren Ledenberg en Langerak, een vasten dienst te Vleuten. Altyd voor wind en stroom te varen is maar zel den het lot der vromen. Wat gebeurt'er? Als hy op eenen morgen in zyn Boekvertrek zit, komt een verschrikkelyke groote Uil met groot gedruis aanscheren, en zig neer zetten voor het glasraam. Hy hervat zyn vlucht andermaal, dringt met groot gewelt door de glazen in zyn kamer en zet zich neder op zyn Schryflessenaar, ziende hem met vreesselyke opgespalkte oogen aan. Hy daar van niet weynig verzet, grypt egter dit dier en werpt het tegens den want dat het stierf, raapt het eindelyk op, en draagt het naar beneden om dit monster aan zyn vrouw (want hy was toen al getrout) te vertoonen, die immer zo min als hy met dit voorval in haar schik was, vreezende dat dit niets goeds beduidde, maar een voortecken was (zeit de Schryver) dat de Kerk-Uilen hem plagen zouden, gelyk na weynige dagen gebeurde dat'er een verbodschrift wiert afgekondigt, waar in Kamphuizen en alle die van zyn gevoelen waren niet alleen den Predikstoel, maar ook het leeraren in huizen, schuren ook in 't open Velt, op verbeurte van lyf en goed verboden werd; zedert welken tyd hy als een verbanneling hier te land en elders in bekommert heit heeft moeten omzwerven, en zig by deze en gene van zyne vrienden verschuilen. Waarom ook Lam Schouburgh der 226 Lambert Jakobze Konstschilder en Prediker te Leeuwaarden hem ried het Prediken voor een tyd te staken, en zig tot eenig ander burgerlyk beroep, of Winkelnering te begeven. Maar zyn yver was te vlammende om naar dien raad te luisteren, zig niet ontziende het gevaar dat hem met loode schoenen alzins naging te ondergaan. En hoe afschuwelyk de leer van Armyn, en wat op die leest schoeyde, in dien tyd uitgekraaid wierd, blykt aan dit eene staal; Dat zyner vrouwe moeder, welke te Dordrecht woonde, hem met schroom eenen nacht herbergde, vreezende voor oproer, aangezien het in dien tyd zoo gevaarlyk was een Remonstrant, als een gedrocht in huis te nemen. Tantum potest praejudicata opinio. Zoo veel vermagh het vooroordeel, zeit Cicero. Dus veer genoeg. Hy heeft een zoon naargelaten, welke de Schilderkonst geoeffent heeft, maar daar kan niet breed van geroemt worden. En 't scheen ons vreemt dat een Vader, die getragt heeft elk van de kunst af te schrikken, in hem geen afkeer tot de konst verwekte: ja men had dien goeden man al beschuldigt van onverstant, tot ons het levens bedryf van D. R. Kamphuizen, gedrukt by J. Rieuwertsz. 1699. in handen kwam, en aanwees dat hy niet de Schryver, maar alleen de vertaler is geweest van het Straf-Rym, Idolelenchus, dat in zyn Rymwerken staat, en dus begint: Beeldryke Schilderhand, nadapster van Gods hand, U wil ik door gedicht, afſchild'ren voor 't verſtand; Verleidſter van't gezicht, dat zig verſtaat op't ſterf felyk. Uw tooversche vergift is mee al ziel verderffelyk. De Schilders en Schilderessen. 127 De Bouw van dit gansche hekelschrift is gegrond op het misbruik der konst. Als de Keyzer Julianus beval dat men onder de Beelden van Jupiter, Mars, Mercurius en meer andere Goden zyn Beeltenis zoude plaatzen, en de zelve op zware bedreygingen belastte Goddelyke eere te bewyzen: wie had nu de schult, of was oorzaak tot deze verfoeylyke afgodery? Niet de konstenaar, om dat hy maker van het zelve was, en des Keizers beeltenis op de beelden der Goden stelde; wyl de zelve geen meerder ag ting voor het zelve daar door konde hebben als voor eenig ander Beeld; gelyk verhaalt word van zeker Beeldsnyder, die een Kristus Beeltje van Palmenhout gemaakt had, het welke hem ziek zynde, van den priester voorgehouden wierd. En als hy geen de minste eerbewyzinge, of agtinge voor het zelve betoonde, vraagde de priester wel degelyk verwondert hem of hy zyn God niet meer kende, aangezien hy geen bewys daar van blyken deed: waar op hy antwoordde: Zouw ik dat niet kennen, dat ik zelf gemaakt heb van Palmhout? maar het was de Keizer (om weder tot ons vorige gezegde te komen) die door Schandelyke Eerzucht vervoert, zyn onderdanen met gewelt dwong voor de zelve te stuipen. Over zulks worden de gemaakte beelden alleen door misbruik verheven; en dus kon ook Gesteranus op dien voet ook wel den wyn, welke van een nuttig gebruik is, om dat de zelve veeltyds misbruikt wort; mee wel hebben veracht. Die dit volgende rympje, Die Beeltenissen maakt door verf, van hout, of steen, Maakt die ook Goden? neen: maar die hun stort gebeên. Ge Schouburgh der 128 Gemaakt heeft verstont het vry beter, en dus ook Jan de Brune, daar hy in zyn Wetsteen der Ver nuften) in opzicht van den wyn zeit: De ſchult u zelve geef als gy iets doet beſchonken. De Wyn en doet het niet, maar die hem heeft gedronken. Utrecht, thans door het vertrek van den konst schilder Gerard Hoed, byna geheel ontbloot van konstoeffening, kon in voorleden tyden nevens voorname Hollandsche steden roemen op vele vernuften. Onder deze is niet van de minste geweest KORNELIS POELENBURG, geboren in 't Jaar 1586. 't schynt my toe of die Ecuw geen ag tinge heeft gehad voor konstenaren, ten zy de zelve Romen gezien hadden. Immers de meeste van de konstschilders in dien tyd, die my in 't schryven voorkomen, hebben in hunne Jeugt al eens derwaards gereiſt. POELENBURG heeft mee dat spoor gevolgt. Te Rome gekomen behaagde hem de behandeling van Ad: Elshaimer, zoo dat hy toeleide zyn voorbeelt te volgen: maar 't leed niet lang of hem bekoorde de zachte, en lieffelyke behandeling van Rafaél. inzonderheid omtrent zyne naakten. Eindelyk nam hy een eige wyze van Schilderen aan, en oeffende zig voorts naar 't leven, en quam zoo veer dat hy boven zyn tydgenooten heeft uitgemunt zoo in teederheit, poezelheit, en schoone omtrekken, als ook aangename verkiezinge, geestige byvoegselen van oude ruinen, natuurlyk gekleurde lantschappen, dunne en heldere luchten; 't geen zyne meenigvuldige Konstwerken, in de geachtste Kabinetten te vinden, getuigen konnen. Hy heeft d'eer gehad dat verscheide Kardinalen G.P.128 Tak. Neubraken Sculp 129 Schilders en Schilderessen. op zyn aanlokkelyk penceel verslingert, hem hebben komen bezoeken, om hem te zien schilderen. Gelyk hy ook in zyn vaderlant wedergekeert, straks van Koning Karel in Engelant ontboden werd, voor wien hy verscheide Kabinetstukjes maakte, daar hy rykelyk voor betaalt werd. Waar na hy weder tot Utrecht quam, daar hy zyne overige levensjaren sleet, en stierf in 't Jaar 1660. weinige jaren na het overlyden van zyn eersten leermeester Abraham Bloemaart. Zyn beeltenis zietmen boven aan in de Plaat G. nevens eene nissin met naakte vroutjes tot aanduiding dat hy in 't verbeelden der zelve, zyn meesten roem behaalt heeft. Onder zyne voornaamste leerlingen, die hy in de konst heeft opgekweekt, magmen tellen Joan vander Lis, geboren tot Breda. Deze kwam hem zoo na in de eigen wyze van verkiezing, natuurlyke vermenginge der verwen en penceelbehandeling dat zyn werk, dikwils voor POELENBURGS werk is aangezien. Daniel Vertangen, een Hagenaar, schilderde heel bevallig Valkejachten, badende Vroutjes, en danssende Bachanten, in sierlyke lantschappen. Francois Verwilt van Rotterdam, heeft in zyne naakte beeltjes, mee de zelve wyze van schilderen gebruikt: doch zyn lantschappen en ruynen schilderde hy (zeit Sandrard) op de wyze van Kornelio van Bojo Leubourys. Zoo was ook Warnard van Rysen geboren te Bommel: die zich naar Italien begaf om zich voort in de konst te oeffenen. Wedergekeert tot zyn geboorteplaats, werd hy de Leermeester van den konstschilder Gerard Hoet; maar dit duurde maar een jaar; want hy begaf zig tot den Juweelhandel, en vertrok naar Spanje daar hy gestorven is. I. DEEL. Po Schouburg der 130 POELENBURG had ook een Neef Willem van Steenree genaamt, die by hem de konst leerde. Onder zyne tyd-en konstgenooten komt ALE XANDER KIERINGS ten tooneel; deze was een fraay lantschapschilder, maar had geen hande ling van beeldwerk, waarom Poelenburg wel de meeste van zyne stukken met beeltjes heeft opgesiert. Dat de natuurdrift, een gebiedende meesteresse is, heeft de bevindinge, en vele voorbeelden ons geleert, en zal nader bevestigt worden met de levensbeschryving van JORIS VAN SCHOTEN. Deze is geboren te Leiden in den jare 1587. en was van der jeugt af aan zoodanig van natuur geneigt tot de konst, dat hy ter schoole gaande, in stee van letteren, zyn papier, met mannetjes, en dieren, als honden, katten en zoo voortbekladde, daar zyne schryfmeesters veel tegen, en ook zyn ouders ongenoegen in hadden; en ook hoe dikwerf van hem gevergt, geen toestemming wilden geven tot het leeren van de teekenkonst ja 't zoude daar nooit toegekomen hebben, ten zy ymant van zyn'er ouderen kennissen (die een beminnaar van de konst was) zyn voorspraak daar in waare geweest. Dit doet my gedenken aan de jaren myner jongeling schap, toen ik in den zelven staat gestelt, myne ouders niet konde bewegen dat zy my de teekenkonst lieten leeren, maar getroost most wezen twee agter een volgende jaren den twyndraat te hanteren by eenen Johannes de Haan. Thans Vendumeester, en gezworen Makelaar te Dordrecht, doch dit werken was van een gunstigen onvoorzienen uitslag. want deze de Haan noch nieuling getrout zynde ging dikwils met zyn nieuwe vrouw vrienden bezoeken, en beval my het toezigt Schilders en Schildereffen. 131 toezigt van den winkel. Hy, die leerling van Nikolaas Maas portretschilder te Dordrecht geweest hadde, ziende myne drift tot de teekenkonst, gaf my nu een teekening, dan een print om na te maken, om dus te beter in huis te blyven en daar agt op te geven; waar door ik zoo ver toe nam, dat eer ik myn tyd noch ten vollen uitgedient had, ik door voorspraak van goede vrienden, al besteed was by Willem van Drillenburg Lantschapschilder vau Utrecht. Dit was in den jare 1669. Om nu weder tot onzen VAN SCHOTEN te keeren; zyne ouders lieten zich bewegen, en hy werd in 't jaar 1604 ontrent 17 jaaren oud besteed by Koenraad vander Maas een goed pourtretschilder, daar hy in den tyd van drie jaren zoo toenam in de konst, dat hy konde op eigen wieken dryven. Toen bekroop hem de Reislust maar zyne ouders weerhielden hem in dat voornemen, en huwelikten hem uit: zedert welken tyd hy tot Leiden gebleven is, oeffenende zig dagelyks in 't schilderen van historien, lantschappen, en inzonderheit pourtretten, als'er op den Doele te Delf noch van hem te zien zyn De geheugeniſſen der dingen zyn een groot behulp om de gebeurde zaken aan haar tydsnoer te schakelen; maar wanneer de zelve door den tyd zyn gesleten en uitgewist, en niemant van de zelve iets heeft geboekt, kan men in den tydkring, waar in men de dingen besluit, licht mistasten; aangezien men in dat opzicht de waarschynlykste gissingen alleen maar tot behulp heeft. Wy vonden geen reden tot de levensbeschryving van ERNESTUS THOMAN (vermits hy nooit in Nederlant gewoont of verkeert heeft) als om dat wy daar door het levensbegin van zommige KonstschilI 2 ders Schouburgh der 132 ders, (waar ontrent wy alleen op gissingen hebben toegegaan) nader bepaalt vinden, gelyk wy op 't eind zullen aanwyzen. JAKOB ERNESTUS THOMAN geboren te Hagelstein in den jare 1588, reisde (na dat hy in de beginselen van de konst was onderwezen, en tamelyken voortgang had gemaakt) naar Italien ontrent den jare 1605. hy heeft 15 agter een volgende jaren te Napels, Genua en Romen in de oeffening der konst doorgebragt. Hy verkoos in zonderheit tot zyn gezelschap te Rome Adam Elshaimer, Pieter Laſtman en Johannes Pinnazio anders Jan Pinas, die dagelyks met veel vlyt, wanneer de Zon boven de kimmen rees, de vermakelyke lantzigten na 't leven afteekende. Elshaimer gestorven zynde vertrok hy naar zyn Vaderland, om de smart van zulk verlies te eerder te verzetten. Hy had zig deszelfs penceelbehandeling zoo zeer aangewent, dat verscheiden van zyne stukken voor Elshaimers werk zyn aangezien. Hy stierf in dienst van den Keizer te Landouw, op den 2 van Wynmaand 1653 Wy zien hier uit dat Pieter Lastman, dien wy op 't jaar 1581 gestelt hebben, met zyn vierentwintigste jaar al te Romen was, zoo wy stellen dat onze THOMAN hem in 't jaar 1605, daar vond: dog dit kan niet zeker besloten worden, aangezien dat'er ook wel sommige jaren van die 15 jaren dat THOMAN in Italien is geweest, konnen verloopen zyn geweest, eer Lastman en Pinas in Italien kwamen, of dat zy aan malkander kennis kregen. Het zy zoo t wil, de waarschynlykheit van hunnen geboorten tyt is ontrent den jare 1581. Nu volgt PIETER FEDDES van Harlingen. Of he een Schilders en Schilaereffen. 133 een Glas- of Tafereelschilder geweest is weet ik niet, noch ook iets van zyn levenswyze en konst. Maar in de buitensieraden van zyne in koper gesnedene Beeltenis, vertoonen zig Palet en Pencelen, en op den Boord van de Lyst staat PETRUS FEDDES PICTOR, 1615. dat ons hem doet onder de Konstschilders van de 15 Eeuw tellen. Van hem zietmen ook verscheiden geëtste Printen, gemerkt P. Harlingensis. Gissen kan missen, zeit de oude Hollantsche spreuk. Dit zullen wy in het tegenwoordige voorwerp onzer bespiegeling, HENRIK TERBRUGGEN, bewaarheit vinden. Korn. de Bie, en Joach. Sandrart noemen hem by vergissing VERBRUGGEN, en schryven dat hy tot Uitrecht 1587 geboren is. Maar uit een gedrukte Notificatie of waarschouwing aan alle Liefhebbers van de Schilderkonst enz. is my gebleken dat gemelde Hen. ter Bruggen een Transisalanus, of Overysselaar was, geboren 1588, maar tot Uitrecht troude, en woonde; want zyn vader kwam in den tyd der onlusten, oproeren en vervolgingen 1581 uit Overyssel vluchten tot Uitrecht, en is hy, zyn Zoon, en desselfs nageslacht daar zedert met er woon gebleven, uitgezondert dat thans zyn Zoonszoon Meester Hen. ter Bruggen in den Haag woont. Na dat hy de vaste gron den der konst by A. Bloemaart geleert had, bekroop hem de reislust, en begeerte om groote Meesters op het loffelykste spoor te volgen. Dus heeft hy vele buitengewesten in zyn jeucht (behalve dat hy tien Jaren te Rome gewoont heeft) bezocht; daar hy proefstukken van zyn uitnemende konst, bestaande in Historien gelaten heeft, inzonderheit, te Naals een groot stuk geplaatst boven het hooge Al- Schouburgh der 134 daar in de Groote Kerk. By dit stuk heeft hy geen naammerk gestelt, gelyk hy ook niet gedaan heeft by vele van zyne Konstwerken, alzoo zyne vlocijende penceelhandeling in dien tyd genoegzaam alom bekent was. Een uitmuntend Konststuk hangt van hem tot Middelburgh by den Heere vander Streng, in zyn leven Ontfanger Generaal enz. verbeeldende een vrolyken Maaltyd, de Beelden levens groote. Hy heeft d'eer gehad dat Rubbens, wanneer hy tot Uitrecht kwam om de Schilderkonstoeffenaars te bezoeken, in gezeltschap van hun alle, zyne konst by uitnementheit roemde. Waar van Sandrart, die deze reis van Rubbens melt, en zelf zyn Leidsman geweest is, niet een enkel woort zegt, 't geen agterdenken geeft dat zy geen goede vrienden geweest zyn. Immers hier op vat het de Schryver van meergemelde gedrukte Notisicatie, als hy deze uitdrukkingen van Sandrart doet. In Italien den tyd tot zyn nut wel besteed hebbende is hy naar zyn [vaderlant gekeert, en heeft naar eigen geneigtheit, door diepzinnige en zwaarmoedige gedachten, in zyne werken de Natuur wel, maar onaangenaam gevolgt. Zoo euvel neemt hy dit zwygen dat hy de spreuk: Dat voor een levenden Ezel licht is, een dooden leeuw met den voet te treden, op hem toepast. Doch dit overgeslagen. De Dood, als nydig over zyn roem, knipte zyn levensdraad af, op het 42 Jaar, op Alderheiligen dach 1629. en 't zyner gedachtenisse is dit volgende Graf-Schrift na gebleven: Hier leit TER BRUGGEN, door de Doodt Verrast, en overrompelt: Van 't dierbaar levenslicht ontbloot, Schilders en Schildereffen. 35 In't duister graf gedompelt: Daar 't vleesch vergaat tot stof. Doch egter blyft de lo Van 't geen hy heeft bedreven, Ten spyt der Afgunst leven. Welke woorden overeenkomen met de uitdrukking, welke de Ridder A. vander Werf, tot geruststelling van den Heere Richart ter Bruggen, in een brief aan hem uit Rotterdam den 18 van Grasmaand 1707, geschreven dus laat invlocijen: Brave Schilders hebben dit tot hun voordcel dat hunne werken de geheele Werelt doorwandelen, en der halven altyt voor hun ſpreken &c. Eyndelyk wert gemelde Richart zyn Zoon in den Jare 1707 van wil, om met eenige van zyns Vaders Konstwerken, (op het voorbeelt van den Athenienser Konstschilder Nicias) desselfs geboorte Stadt Deventer een geschenk te doen, het welke ook geschiet is, gelyk my gebleken is uit een gedrukt Extract, uit het Boek van de Rezolutien der Stadt Deventer den 5 van Oegstmaand 1707. Nu verschynt de Konstschilder PIETER BRONKHORST, geboren te Delf den 16 van Bloeymaand, 1588. Hoe verschelig de driften der menschen zyn, en hoe onderscheiden in verkiezingen blykt, als men ziet dat de een dit, en een ander weder dat deel van de Konst tot zyne bespiegelinge en bewerkinge uitkiest. BRONKHORST verkoos niet het lichtste, maar wel het zwaarste enwerkelykste in de Konst, namelyk gezichten van Tempels en Kerken, gestoffeert met historien; egter heeft hy het met veel roem uitgevoert; als inzonderheit aan twee bekende stukken te zien is; waar van het eene geplaatst is in de Vierschaar Schouburgh der 136 schaar op het Raathuis te Delf, zynde een ry kelyk en groots gebouw, en word daar in verbeeld Salomons eerste recht. Het tweede is te zien by de Weduwe van zyn Zoon, zynde een Tempel daar Kristus de koopers en verkoopers uitdryft. Hy stierf den 21 Juny 1661. Hem volgt ADRIAAN VAN DER VENNE Schilder en Dichter. Deze is geboren te Delf Anno 1589. zyne ouders waren vermogende luiden herkomstig uit Brabant. Naar my toeschynt uit de beschry ving die Korn: de Bie. Van hem maakt, zoo is hy van zyne ouders te Leiden bestelt geweest om de Latynsche taal te leeren. Maar hy leerde met een door 't lezen van d'oude Poeëten zulke fraje denkbeelden vormen, dat hy ook zucht heeft gekregen, om de zelven op 't papier, of met verwe af te malen, tot welken einde hy eenen Simon de Valk, meester Goudsmit en Schilder in den arm nam, die hem de grontbeginselen der Konst heeft onderwezen. Daar na van voornemen geworden om de Konst met yver te vervolgen, begaf hy zich by Jeronimus van Diest, een fraay Schilder in 't graauw, waar by hy een geruimen tyd met yver de konst heeft voortgezet, en naderhant het door zyn vernuft zoo veer gebracht, dat zyn Konst in dien tyd den Prins van Oranje, den Koning van Denemarken en andere Vorsten heeft behaagt, Hy is daarenboven een zinryk Dichter geweest, gelyk hy ook zyn ryk vernuft en Poëtische vindingen in menigvuldige ordonantien, die hy ten dienste van de Plaatsnyders gemaakt, of geteekent heeft, wel heeft laten blyken; inzonderheit aan het dikwils herdrukte rymwerk van den Heere Jakob Rats, en een groot getal Emblemata, of Zinnebeelden, die hunne waarde onder de Bock Schilders en Schilderessen. 137 Boekminnaars behouden. Onder de Boeken door hem zelf beschreven zyn my bekent: Zinnevonk op den Hollantschen Turf &c. Zinnedroom op het nieuw Wys Mal van den ouden Italiaanschen Smir enz. in 12. En 't Tafereel der belachende Waerelt. 1635. in 4. Gelyk een gragt Dichter den luister van die Konsi te kort doet, wanneer hy zyne pen tot dertele Gezangen, Hekeldichten, en vuile belasteringen van zyn evenmensch gewent, niettegenstaande die dingen den Boekverkoopers dikwils meer voordeel bybrengen, en beter aan den man willen als wat goeds: zoo ontluistert een Konstschilder (zegt Plinius) de zede konst, zoo wanneer zyn penceel slegts kroegen, hoerewinkels, en andere verachtelyke, en schaamagtige dingen maalt: gelyk gemelde Plinius al in dien vroegen tyd van eenen Pyrcicus, die niet als ergerlyke voorwerpsels en slegte grollen maalde, gewaagt. Op 't laatst van de vyftienhonderste eeu is'er geweest een JOHANTORRENTIUS geboren tot Amsterdam in 't Jaar 1589. Deze schilderde konstige en uitvoerige kleine naakten; maar de werkinge dier beeltjes, en 't geen dezelve verrichtten, was niet alleen schaamachtig om aan te zien, maar geil, onkuis, onbeschoft, of ergerlyk, verleidende, en aanlokkende tot vuile bedryven: zoo dat hem zulks te maken en te verkoopen striktelyk en met bedreigingen verboden wierd. Maar wanneer hy daar niet naar wilde luisteren of zulks gehoorzamen; denkende met 't ontkennen het goet te maken, werd hy door last van 't gerecht tot Amsterdam in hegtenis gebracht: en daar over verhoort weigerde hy te bekennen, dat hy demaker was van'tgene waar mede hy be Schouburgh der 138 beschuldigt wierd, schoon de bewyzen daar toe maar al te klaar waren. Des werd hy op de Pynbank gebragt. Sandrart in den Latynschen druk p. 299. zeit: Dat de Raad of het Gerecht van Haerlem hem tot de pynbank bracht. Maar hy bleef hardnekkig zonder het zelve te willen belyden. Dat nu zyn kop beter gehardt was tegens de beschuldiging, dan zyn lichaam om de pynbank te wederstaan, bleek; want hy stierf onder 't pynigen. En het penceelwerk datmen van hem vond, werd door Beuls handen verbrand, in 't Jaar 1640. De omstandigheit van die zaak geeft duidelyk genoeg te kennen dat zyn tafereelen hebben gestrekt tot aanritzelinge; niet zoo zeer tot de Cyprische, als wel de Sodomitische wanbedryven. Zyn beeltenis 1628, wanneer hy 35 Jaren oud was in koper gebragt, vertoonen wy in de Plaat G. achter Daniel Segers. T lust ons hier (by gelegenheit van dit vuile voorwerp) de schoone les van F. Junius in zyn 3 Bock van de Schilderkonst, in te lassen, daar hy van zulke schandelyke tafereelen zeit: Datze de wulpse begeerlykheit van de onbezinde aanschouwers, door de ontuchtige vertoonſelen gaande maken: Dus behoort een oprecht en eerlyk Kondenaar acht te g ven, dat hy zig niet om 't voordeel, of ydel lofg tuit van een lichtvaardigen, hoop tot het verbeelden van dusdanige dingen laat vervoeren; aangezien verſcheiden groote Meesters d'aanzienlykheit van een eerly ken naam kwyt geraakt zyn, om dat zy den roem van ik en weet niet wat voor een kluchtzinnige geeſtigheit al te hittiglyk najaagden. Hier past het spreekwoord: Men behoeft geen luizen in de pels te zetten, ze komen er genoeg van zelf in. Nu zyn'er voorbeelden by meenichten die aan too Schilders en Schilderessen. 139 toonen hoe door geile vertoonselen de snoeplust word ontsteken. Petronius Arbiter verhaalt van een Jongeling die ziende op een tafereel de schaking van Ganimedes door Jupiter, en de onbeschaamde Nais, die den schoonen Hylas tot oneer aantokkelt, in deze woorden uitbrak. Doen ook de Goden zulks? en raakt daar op aan 't hollen. By Torentius verschaft ons Chevea een even gelyk voorbeelt in een tafereel, waar in Jupiter onder schyn van eenen gouden regen Danoe verschalkt. Hierom zeide Achilles Tatius: Lib. 1. de Clitophontis en Leucippes Amoribus. Al is 't dat zig een Mensch noch zoo ernstig d'onthoudinge voorstelt, nogtans wort hy door kwade voorbeelden lichtelyk tot navolginge verlokt; voornamentlyk als het voorbeelden zyn der gener, van welke hy een goet gevoelen heeft: Want de schaamte van de misdaat wort dan door d'aanzienlykheit van zulke voorgangers in een vrymoedige sloutbeit verandert. Dus zeide ook Donatus van zommige Dichters: hoe groote schade zy doen, wanneer ze den genen ondeugende voorbeelden voorſtellen, die van zich zelven genoeg zaam tot allerley gebreken genegen zyn. En wy hebben dit stekelig vaersje op onzen Schilder gepast: De naam van Heroſtraat zal eeuwen overleven; Om 't ſchendig ſtuk't geen hy't Ephezen heeft bedreven: Als hy de Tempel van Diana stak in brandt. JOAN Torrentius, stak door 't penceel de vonken Van ontucht, listelyk de jeugt in merg en schonken. Zyn naam blyft na zyn dood wel levend; maar met schandt. Dat de uitwerkingen van 's menschen vernuft buiten toeeigeninge niet anders als onverschillig zyn, en de toe eigeningen, en oogmerken derhalven Schouburgh der 140 van alleen goet of kwaat, pryslyk of veragtelyk zyn, is een waarheid, die niet te wederspreker is. Dienvolgens is de spreekwyze, hoe grooter Schilder, hoe wilder, en het geen men daar mede wil te kennen geven, te wraken. Ten minsten zal het een bewys geven dat het van geen nootzakelyk gevolg is, als brave mannen, zelfs zulke die in een Kerkelyk verband waren, niet hebben geschroomt de Schilderkonst te hanteren. Gelyk men dan oudtyts heeft gezien dat de Kardinaal Franciscus van Verone, die een heilig leven leidde, en een vyand van alle kwaad was, en daarom nooit eenige voorwerpen van lichtvaardigheit, (schoon hy daar toe dikwils van Prinsen en Waereltsche Heeren verzogt wierd, heeft willen verbeelden, het penceel hanteerde, en een goed Schilder was. Als ook de eerwaardige Heer Don Bartholomeo. Abt van Sint Clemens van Aresso. En in later tyd onze DANIEL ZEGERS, een Jesuit, geboren te Antwerpen in 't jaar 1590. Deze wist allerhande Bloemen, zoo los, zoo levendig, zoo klaar zuiver en dun te behandelen, dat het verwonderlyk was. Ik heb in Brabant zynde in de Kerk der Paters Jesuiten een gansche Kapel behangen met zyn Schilderyen gezien, waar onder kransen of bloemfestoenen waren, zoo verstandig naar de Konst met troepen, naar vereys der koleuren by een geschikt, dat ik tegens het gezelschap dat ik by my had, zeide: Niet te gelooven dat Glicera byzit van Pausanies by de Grieksche Schryvers zoo berucht wegens bloemen te ſchakeren, dezelve welſtandiger heeft konnen by een schikken. Daar was ook in zyn tyd een Pater Johannes van der Borght van d'orde der Minnebroeders, die 't Plaatsnyden han Schilders en Schilderessen. 141 hanteerde. Doch van de Graveerkonst wil ik niet handelen, om dat die Roomsche Juffrouw Claudia Stella den roem van alle (weinige in vergelykingen van 't groot getal uitgezondert) weg draagt. Want zoo men een lyst van die alle opstelde (dat een byna onnoemlyk getal uitmaken zoude) 'k maak my sterk te konnen aantoonen dat'er van de hondert niet een tegens haar in konstige behandelinge zoude konnen ophalen. Gelyk zulks ten proef van myn gezegde te zien is aan die print welke zy naar het beruchtte stuk van Nicolaas Pouzyn; verbeeldende Moses, door zyn stafslag 't water uit den Rotsteen doende voortkomen, om het byna van dorst versmagte volk te laven, heeft gegraveert. ZEGERS was een leerling van Jan Breugel by genaamt den Fluweelen, die in zyn vroegen tyd mede een Bloemschilder geweest is. En gelyk de Bloemen, het siersel der Lente, om haare schoone gestalte, en frissen geur van elk begeert worden, zoo werden die van SEGERS, om dat men die in den Herfst van de vyftiende Eeuw zoo schoon zag bloeyen van alle Bloemkonst minnenden graag ontfangen, zoo by gemeenen als groten, inzonderheit den Aardshertog Leopoldus: en den prins van Oranje Hendrik Frederik, die hem voor twee van zyne stukken een groote vereering gaf. Zyn Beeltenis, door Jan Lievens geschildert, zietmen in print, die wy gevolgt hebben in onze Plaat G. De Groote Dichter J. v. Vondel, verlokt door 't zien van DAN. ZEGERS Bloemstukken, maakte daar op dit volgende vaarsje. De Schouburgh der 142 De geest van ZEGERS is een By, Waar op de Nederlanders roemen. Zy zuigt haar honiglekkerny En geur uit allerhande bloemen. Een By kwam op zyn schildery En geur, en kleuren aangevlogen, En riep, Natuur vergeef het my: Dat bloempaneel heeft my bedrogen. Deze heeft zyn rol gespeelt, en is vertrokken. Wy willen, eer een ander opkomt, de Schoutoneelgordyn maar even laten vallen; om het geen in de voorgaande tusschenreden open bleef, te vullen. Laatst werd onze Redenvoering, in haar vollen loop (even als het snarenspel door 't oplichten van de Tooneel gordyn) gestuit thans zullen wy dien toon weer opvatten, en vervolgen. Wy spraken van de Offergereedschappen die zig ontrent der Heidenen Godsdienst deden zien, waar aan rest te spreken van de konstig gewrochte Dryvoeten, of Dryvoetschragen, daar d'ouden zoo veel mee op hadden de dryvoetschragen waren tot verscheiden gebruik geschikt, en niet alleen van koper en zilver gemaakt, maar ook met allerhande konstig beeld, en loofwerk gesiert, die zy aan byzondere goden als aangename geschenken toe eygenden. Onder verscheide die Herodotus te Thebe in Beotie gezien heeft. gedenkt hy van een prachtigen dryvoet in den Ismenisen Tempel van Apollo; die met dit opschrift in Kardinische letteren pronkt: De Vorst Laodames heeft dezen Dryvoet vol Van Konstwerk toegewyd den grooten God Apol. Ver Schilders en Schilderessen. 143 Verscheiden afbeeldingen der oudtydze Dryvoeten of Dryvoetschragen, ziet men ter gedachtenis van der zelver gebruik op de Roomsche penningen, waar van wy de juiste afbeeldingen in plaat, hier nevens vertoonen, als 1 die van Vitellius met het byschrift: PONT. MAX. TR. POT. AUGUR. Opperpriester van Wykmeesterlyke macht, Wichelaar. Dus ook op een penning van Antoninus, die den Eernaam van AUGUR of Vogelwichelaar onder zyne voorname Eertytelen aannam. Niet ongelyk aan dezen is de penning van M. Lepidus; met dit onderscheit nochtans dat zig boven uit den Dryvoet stal een Slang vertoont, door welke (zeit Lucianus) Apollo gewoon was zyn antwoorden te geven aan d'Orakelvragers. Zie Fig. 43 De groote agting die de Heidenen voor dusdanige Dryvoeten hadden, heeft geen andere reden, als, om dat dezelve een zweemsel hadden naar den Delfisen Dryvoetstal, waar uit het blinde Volk geloofde dat Apollo aan de Orakelvragers antwoorden gaf. Het blinde Volk zeggen wy; want ons ontbreken geen stalen om te bewyzen, dat mannen van uitstekent vernuft, en naauwe opmerking onder de Heidenen dusdanige bedriegeryen bespot hebben. Kato Schouburgh der 144 Kato plag te zeggen: Dat by verwondert was, dat een Wichelaar niet lachte, zoo dikwils hy een Wichelaar tegen kwam; om dat zy onder schyn van Godsdienst het gemeene volk by de neus omIcidden. Velen hebben zig afgeslooft om den Godsdienst der Heidenen in zyn binnenste te beschouwen; om de ydelheit desselfs, en de bedrochplegingen der Wichelaren en Tempelpapen t'ontdekken en aan 't licht te brengen. Maar wy beschouwen het zelve maar alleen in den buitensten omtrek; en doelen op de zienlyke prachtige versierselen; (welker glans het gemeen in d'oogen schitterende te meerder achting voor dien Godsdienst deed hebben) om onze Konstgenoten in 't gemeen, en de yverige Schilderjeugt in 't byzonder dienst te doen; wanneer wy hun den wegh wyzen tot de Outheitkunde, 't welk nootwendig is voor die zig tot het verbeelden der Historien begeven, en niet graag tegens het gewoon gebruik dier aeloude volken mistasten. En op dat de leergierige jeugt zig verzekert mocht houden dat de kundigneit dier dingen den Konstschilders dienstig zy. zoo heeft hy maar alleen op te merken, hoe G. Laires alzins daar 't te pas komt, zig van dergelyke sieraden (om zyn werken luister by te zetten) heeft weten te bedienen: en nog meer roem verdient zou hebben, zoo hy de outheit daar in nagebootst had. Tot dus ver oordeelen wy in opzicht van den toestel der Heidensche Offerbanden met hun aankleven genoeg gezeit te hebben; schoon wy alleen de franje (om zoo te spreken) van dien voorhang alleen beschout hebben. Verder was onze toele niet: en men oordeelt een zaak volkomen te weWy zen, die aan het oogmerk voldoet. Schilders en Schilderessen. 145 Wy brachten voorhenen verscheiden Konstschilders, mannen van onbesproken leven en wandel, en nu even te voren Dan. Zegers, die de Konsten het Kloosterleven te gelyk betrachtte, op het Tooneel. Thans sluipt'er weer een ruig schaap onder de geschoore kudde. Het schynt dat het zoo effen in de waerelt niet gaat. Trouwens de tooneelen vereischen zomwylen wel eens verandering van perſoonen en zaken. ADRIAAN VAN LINSCHOTEN (op de lyst der Regenten van St. Lucas Gilt, te Delf, staat zyn naam op 't jaar 1627 dus aangeschreven: KORNELIS ADRIAAN LINSCHOTEN) is geboren te Delf in 't Jaar 1590. By wien hy de Konst geleert heeft weet ik niet met waarheit te zeggen, maar sommigen meenen dat hy een leerling van Spanjolet is geweest. Immers de stalen die van hem na gebleven zyn, doen ons zien, dat hy zig beter op de Schilderkonst, dan op de wellevenskonst verstont. Want hy een los, onbesuist, en slordi leven leide, waar door hy tot armoede zou hebben geraakt, ten waar twee zusters die hy had, gestorven zynde, hem erfgenaam van het jaarlyks inkomen harer nalatenschap gemaakt hadden. In 't Jaar 1634 trok hy naar Brabant, en troude daar met een jong en gering meisje, dat zig geneerde met Speldewerken, maar schoon was, en goet verstant had. Na verloop van eenige jaren kwam hy met zyn Vrouw en twee Dochtertjes in den Haag wonen. Pieter van Ruiven, Konstschilder te Delf, heeft my verhaalt, dat hy hem in den jare 1677 of 78, heeft gekent, zynde toen een man van 87 of 88 jaren, met een langen ongeschoren baart. Van Linschotens konst sprekende wist I DEEL. Schouburgh der 146 hy te zeggen dat hy het voorval 't geen den Apostel Petrus met de dienstmeit des Hoogenpriesters is ontmoet, zoo natuurlyk had afgemaalt, en de gestalte des gemoets in de wezenstrekken zoo konstig verbeelt, dat zeker Predikant daar zulk een welgevallen in had, dat hy hem verzocht, ook het berouw van Petrus, tot een weerga daar toe, op een ander doek te schilderen. Dit geschiedde en 't was niet min konstig en naar zyn zin uit gevallen. Als de Predikant dan kwam om 't zelve te zien, en daar verwondert voor stond te kyken, zeide hy: wat dunkje, Heer Predikant? heb ik dien huilebalg niet wel getroffen? De Predikant hem over zy aanziende, zeide: Wel hoe! wat's dat voor zeggen? waar op hy 't noch erger maakte, zeggende: Wel ja: was 't niet een groote zou dat hy daarom ging huilen? ik heb zoo dikwils gelogen en gezworen tegen myn beter weten, en heb'er nooit over gehuilt. De Predikant zich omkeerende, zeide: Foei jou goddeloos mensch, nu ik dit hoor, begeer ik van jou konst niet te hebben, en ging weg, zonder daar meer naar om te zien. By den Heere vander Heul, Buskruitmaker buiten de Waterlootse Poort, hangt een konststuk van hem verbeeldende een Alchimist in zyn werk liuis, geestig gedacht en geschildert. Inzonderheit de borst en armen van het Mansbeelt, welke niet alleen vleezig en natuurlyk zyn geschildert, maar ook vast, en konstig geteekent. En dus zyn 'er meer in de huizen der oudste geslachten te Delf te zien. Nu komen wy tot LUKAS DE WAAL Jansz. geboren te Antwerpen in 't jaar 1591. Al wat van katten komt wil muizen, zeit het oude Hollantsche spreckwoort. Dus was het ook met dezen LUKAS, wiens Vader een Schilder was. Want hy Schilders en Schilderessen. 147 hy mede trek hebbende tot de konst maakte eenen aanvang daar van by zyn Vader, en daarnaa by JAN Breugel, wiens handelinge hy wonder wel heeft weten te volgen. Hy trok al vroeg, het reizen in 't hooft hebbende, eerst naar Vrankryk, en van daar naar Italien, daar hy veele fraije konstwerken zoo in Fresco, als in Olyverf gemaakt heeft. Hy hadde doorgaans meer veranderingen, of meer verscheiden verschelige voorwerpen in zy ne werken, als wel zyn Meester. Want men zal zomtyts vremde watervallen langs rotzige gronden: ook zonneschynen, weerlichten en onweerbuien in zyne werken te pas gebracht, die hy met een lossen aart natuurlyk vertoonde. Hy was in het jaar 1660 noch in leven, oud zynde 69 jaren, en woonde te Antwerpen; daar hy met lust en yver dagelyks de konst oeffende. Onder de Konstvuuren, welke de Schildergodes outyts in Frieslant heeft ontstoken, is niet van de minste te reekenen WYBRAND DE GEEST. Deze was een braaf History-en Beeltenisschilder, onder zy ne tydgenooten byzonder geroemt. Te Rome, daar hy verscheiden jaren heeft gewoont, om zig naar de beste voorwerpen voort te oeffenen, werd hy genoemt de Friessche Adelaar, van wegen zyn hooge vlucht in de konst. Hoe naau acht hy op alles heeft gegeven, blykt aan zyn Kabinet der Statuen, waar in de makers der zelve naagespoort, en de plaatsen waar zy staan, vertoont worden. Dit boek is in den jare 1702 tot Amsterdam gedrukt. Zyn Beeltenis kan men zien in de Plaat F nevens F. Hals. OnK 2 148 Schouburg der Onder de Lierdichten van Vondel vind ik deze waarschuwing aan WYBRAND DE GEEST; O Geest, die in het Vriesche Hof, Het leven geeft aan asch, en stof, En zweeft met geestige penceelen En verf op doeken en paneelen; 'k Geloof gy terreght vrouw Natuur, En durft de zon haar heilig vuur Ontsteken, en de vingers zengen, Om leven in uw beelt te brengen. Zie toe, Prometheus, wien gy raakt, Als gy den mensch onsterflyk maakt, En, om op 't Aartryk 't licht te malen, Den Hemel plondert van zyn stralen. Men ketende eertyts zulk een gast In 't Noorden aan een steenrots vast, En kortte hem die sloute vlogels, Daar hy verstrekte een des des Vogels. 't Zyn geeſten die de wolken treên, 't Is waar, doch zonder vleesch en been Een yder kenn' zyn' staat en waarde. De zichtbre gecſten gaan op d'aarde. Dus blyftge ons hier beneden by, Daar NOYEN, zittende aan uw zy. U weet dan zyne tong te lymen, Met puik van heerelyke rymen. Hy is gewoon zyn Poëzy Te huwen aan uw Schildery, Gy zuight zyn dichten met uw ooren, Zyn oogen kussen uw Pandoren. Zyns Zoons Zoon, mee WYBRAND genaamt, oeffent zig nog in de Schilderkonst. Deze heeft tot Leermeester gehad Antoni Coxié, wanneer hy Ont' Amsterdam woonde. Schilders en Schilderessen. 149 Onder zyne tyd en lantsgenoten worden getelt J. DE WILDE, een braaf beeltenisschilder, en JELLE REINIERS. Deze was een konstig glasschilder. Te Sneek is heden noch een konstig geschildert glas te zien, door het Timmermans Gilde aan de Kerk geschonken: waar in verbeelt staat de vlucht van Josef (hunnen Patroon, met Maria naar Egipten. Dit wort geoordeelt in Konst het werk van de beruchte Crabet ten, die de glazen in de St. Jans Kerk tot Gouda geschildert hebben, te overtreffen. Na hem volgt JAKOBUS POTMA geboren tot Wor kum in Frieslant. Wiens geboortetyd wy niet weten, konden wy niet voeglyker als agter zyn leermeester Wybr. de Geest plaatsen, door wiens onderwys en yver hy een braaf Beeltenis-en Historischilder werd. Hy was daar benevens een man (als men gemeenlyk zeit) die de Waerelt verstont; en werd in zyn tyd eerste Kamerling van den Keurvorst voor Weenen, daar hy ook gestorven is, in 't jaar 1684. bedenkelyk aan den Rooloop, waar door in dien tyd een groote menigte van 't leger sneuvelde. GERARD HONTHORST, geboren binnen Uitrecht, in het Jaar 1592. Heeft de gronden van de Konst geleert by ABRAM. BLOEMAERT, daar naar voort te Roomen; daar hy in eenige jaren zoodanig was toegenomen, dat de keurigste kenners en beminnaars van de Schilderkonst groot bevallen in zyn werk, inzonderheit zyn nachtlichten, kregen; gelyk hy ook naderhant van verscheiden Kardinalen, den Koning van Enge lant Karel den I. den Koning van Denemarken, en eindelyk van den Prins van Oranje in dien tyd; om zyne uitstekende konst, zoo in Portretten als K 3 Schouburgh der 150 als Ordinantien is aangezocht geweest. Hy was byzonder minzaam, beleeft en van een geregelt leven; waarom hy ook vele Kinderen van de voornaamste luiden in de Konst heeft onderwezen, inzonderheit die van de Koningen van Bohemen, zuster van Koning Karel van Engelant, den Prins Palatin, Prins Robbert, en vier Dochters, waar van d'eene was Sophia, ook de Abdisse van Maubuisson, die veer in de Konst gekomen waren. Hy heeft vele Beeltenissen van aanzienlyke luiden geschildert, en onder deze ook Maria de Medicis, Koningin van Vrankryk enz. daar Jan Vos dit op zeit: Dus toont zig Medicis, een Moeder van drie Ryken, De doren van de nydt verstikt haar leelybloem: Al wat Fortuin aan veel der Grooten ooit deed blyken Heeft zy alleen gevoelt. Onzeeker is de roem. Haar klimmen wort verpoost door zwaare balling schappen. De troonen zyn van goudt; maar glibberig van trappen Hy was in den Jare 1662 nog in leven, en schilderde op het Prinselyke Lusthuis in 't Bosch buiten den Haag. PIETER SNAYERS, geboren te Antwerpen in den jare 1593. heeft in zyn leven geweest Schilder van de Aardshertogen Albertus, en Isabelle, als ook van zyn Hoogheit den Prins Kardinaal Infant van Spanje, en meer andere Prinsen. Zyn konst bestont in 't schilderen van lantschappen, maar inzonderheit lantbatalies, met hunnen bedroefden nasleep. En 't is te verwonderen, dat H Schilders en Schilderessen. 151 Hy, die den Krygsgod Mars, die als een Salamander In 't vuur van buskruit leeft, noch legers aan malkander, Noch 't zwangere metaal, met koegels opgevult, Dat als't zyn vlam uitbraakt, vervaarlyk loeit, en bruit, Noch 't blanke zwaart, geschaart op blinkende kasketten Zagrukken uit de schee, noch trommels, noch trompeiten, Den aantocht blazen: en veel min in 't bloedig velt Oit was, daar lyk op lyk gestapelt, door 't gewelt Verwonnen, legt ten prooi der plonderzieke handen; Of daar men dorp aan dorp, ziet als een Etna branden; Nochtans al dit bedryf des Oorlogs zoo vertoont, Als of hy't van de wieg af aan had bygewoont. Men ziet hoe legers als verwoede Tygerinnen Het bloedig schoutoneel, in rook, en vuur beginnen: En hoe de dolle wrok weerzyds niet is gepaait, Ten zy'er is een oegst van lyken afgemaait Door 't blinkent staal, gewet op moort en bloetvergieten; Hoe een verdwaelde troep zieh voelt den moedt ontschieten, Daar yder vruchtloos kermt om 't leven in dien noodt. Hoe ginder een die zig van helpers vint ontbloot: Mee moet den bangen steek der punt van 't lemmer smaken, En uit die open wond zyn veege ziel uitbraken. Daar weder anderen verminkt aan arm en voet, Vast worst'len met de dood, en zwemmen in hun bloedt. Den ganſchen handel en byzondere bedryven Des Oorlogs, kon geen pen zoo ysselyk beschryven, Noch ook de trekken van het wezen als de noodt Den mensch zoo prangt, dat hy om hulp roept aan de Doodt, Als K 4 152 Schouburgh der Als by (slegs op bericht) heeft door zyn Konstpenceelen Gemaalt, op 't gladde veldt van zyne tafereelen. Hy was 1662 noch in leven en woonde te Brussel. ADRIAAN DE BIE, geboren uit een onge boren Vader binnen Lier quam ter werrelt in 't jaar 1594. Te weten zyn Vader was niet volgens de gemeene wyzen, als de meeste menschen, in de weerelt gekomen, maar wierd door zeker toeval uit zyn moeders ligchaam gesneden, en mirakeleus by 't leven behouden. In zyne jeugt heeft hy de Konst geleert by Wouter Abts. Vorder getuigt H. de Poter, dat hy met zyne 18 jaren naar Parys trok, en by eenen Rudolph Schoof, schilder des Konings Lowys den XIII twee jaren woonde, welke heel vermaart was. Dezen tyd bragt hy met byzonderen vlyt, en yver door, waar van daan hy naar Romen reysde, daar hy zes ag tereenvolgende jaren sleet, met zig te oeffenen naar de beste voorbeelden. Voorts heeft hy de meeste en voornaamste Italiaansche steden bezocht, zulks zyne reys negen jaren geduurt heeft. In welken tyt hy ook gelegentheit vondt om voor verscheiden Kardinalen zyne konst te oeffenen, die wel meest bestond in het beschilderen van goude en zilvere platen, Porfier, Jaspis, en andere kostbare steenen, waar in zy om de nette en zuivere behandelinge groot behagen vonden. In het jaar 1623 is hy weder naar Brabant gekeert, daar hy veel fraye pourtretten, en kloeke ordonantien, vol beelden, geschildert heeft, als onder vele tot Lier in St. Gommaars Kerk boven 't Altaar van St. Eloy. Deze ADRIAAN was de Vader van Kornelis de Bie, die het gulde Kabinet der Schilders geschreven heeft. Schilders en Schilaeressen. 153 In 't zelve jaar 1594 storf de Konstschilder CHRISTOFFEL SCHOVARTS, geboren in Ingolstadt. Hy was tot zulk een hoogte in de Konst geklommen, dat hem de Keurvorst van Beyeren in zyn dienst aannam, voor wien hy veel treffelyke Konstwerken te Munchen zoo in Fresco, als Olyverf gemaakt heeft. Hy heeft eenige jaren in Nederlant gewoont (waarom wy hem ook onder de Nederlanders gedenken) maar van zyne Penceelwerken heb ik niet konnen te zien komen. Sandrart die zyn Konst gekent heeft, spreekt 'er met roem van. T gaat in de Konstschool als in den Bloemhof van Flora, daar ter zelver tyd, wanneer d'een afvalt, d'ander weer te voorschyn komt, en dus, zo de luister aan den eenen kant afneemt, neemt hy op een anderen kant weder aan. Ingolstadt verliest een konstbloem aan SCHOVARTS, Antwerpen wint ter zelver tyd een andere aan KORNELIS DE WAAL, broeder van LUKAS, en zoon van Jan de Waal. Hy heeft naar allen schyn de Konst by zyn Vader geleert, 't welk een groot voordeel is, om dat de spreuk: Men moet niet zoo leeren dat men uitgeleert is, omtrent Vader en Kint niet gelt. Hy begaf zich naar Italien, of om in Konst aan te winnen, of om dat hy de spreuk kende die zeit: Het vaderlant is een stiefmoeder voor uitmuntende geeſten, de Nyd heerſt in hare geboorteplaats. Vele voorname konstwerken heeft hy voor Philips den III, ook voor den Hartog van Aarschot die ter zelver tyd in Spanje was, gemaakt. hy was 1662 noch in leven en woonde te Romen, out zynde 68 jaren. Zyn penceeloeffening bestont in 't verbeelden van K s Schouburgh der 54 van allerhande Oorlogs gewoel, Zeeslagen, Veldtslagen, en aftochten, met hun ganschen nasleep in t klein. Ik heb in den jare 1715 een voornaam stuk van hem tot Amsterdam op een Boelhuis gezien, daar een vesting bestormt word vol gewoel van beelden en konstig geschildert. Hier zagmen het Krygsvolk vol moed de stormladders beklimmen; ginder weer anderen verminkt naar beneden buitelen. De vesting scheen byna overweldicht. Men zag 'er 's Vyants Vaandel op geplant, en den Bevelhebber op den voorgront te Paard, de stormers aanvoeren. Het Maasorakel * heeft ergens in zyne geschriften gezeit; Wanneer de driften tot d'een of d'ander Konst of Wetenschap niet kragtiger zyn, dan dat de zelve door belofte of door bedreyginge, of voorwendinge tot iets anders konnen geÅ¿tuit worden; is het een bewys, dat zulke niet bekwaam geweest zouden hebben, om met roem te volbrengen 't geen hun drifi zig had voorgestelt. Maar wanneer de natuurlyke geneigtheit onstuitbaar is, en met een onvernoegde nyverheit verzelt gaat, is de uitslag der zaken die men onderneemt wis. Dus is het met JAQUES JORDAENS vergaan; dees leyde het toe op de Schilderkonst, en 't lukte hem; zoo dat hy door zyn onverzettelyke drift, en yver, den naam van een groot meester in de Konst verkregen heeft. Den 19 van Bloeymaand 1594 werd hy binnen Antwerpen geboren. Hy heeft tot Leermeester gehad Adam van Oort, wiens Dochter hy ook naderhand heeft getrout. Hy maakte al vroeg zyn werk van Konststukken zoo van Carats, Titiaan, en Paulo * Erasmus. 4 155 Schilders en Schilderessen. Paulo Veronees, als van J. Bassan met oplettentheit na te schilderen, en naderhant zig de stoute behande linge van Rubbens aan te wennen, en in zyn penceelwerk te laten doorsteken. Dus waren zyne Konststukken groots van gedachten woelig en geestig van vinding, zyn penceel kloek en zacht smeltende, en zyne naakten vast geteekent, en natuurlyk gekoleurt. Hy heeft verscheide groote werken, die zoo hier als elders geplaatst zyn, geschildert, als onder andere 12 stukken van Christus lyden voor Karel Gustaaf Koning van Zweden. Ook zyn geen van zyne minste op 't Huis in 't Bos buiten den Haag, verbeeldende de roemrug tige daden van Frederik Henrik Prins van Oranje. Emilia van Solms Douariere d'Oranje heeft dit in een groote zaal (genoemt de Zaal van Oranje) in 't rond doen schilderen. doch zyn alleen de voornaamste stukken van zyn hand, als daar de Prins zig op zyn Zegewagen vertoont enz. Hy was 1678 noch in leven en had veel roem en gelt verkregen, ging 's avons in gezelschap, en was vrolyk by den Wyn, maar stierf kort daar aan. Sandrart merkt aan, dat hy Rubbens, toen hy in zyn lustigsten tyd was, in den weg liep, waar om die hem ongevergt een groot werk opschommelde, en te weeg brogt dat hy te Madrid ontboden wierd om ten dienst van 't Hof Patroonen in Waterverf voor de Tapytwerkers te maken; om dat hy veel licht zyne handeling daar door zouw verzetten, ten minsten zoo lang van honk en hem uit den weg zyn. Gemelde Sandrart geeft ook te kennen: dat hy naderhant zoo kragtig mals, en uitgevoert niet meer schilderde, door dien hem die kleurige en harde wyze van schilderen bleef aankleven. 156 Schouburgh der T schynt my toe dat Sandrart in zyne leven beschryving der Konstschilders meer zucht tot den eenen als den anderen gehadt heeft. Dat geval ontrent Rubbens, en Jordaans, door hem geboekt, (op de voorgaande, bladtzyde aangetekent) doet geen flaauwe schemering daar van zien. Neem, Rubbens heeft een byzonder doel daar in voor gehad, en hem die zaak zoo schoon voor gedaan, dat hy zyn oogmerk daar door bereikt heeft, kennende (door een staatkundig begryp 't geen hy bezat) de spreuk: De waarheit heeft kragt, de rede gezag, en de geregtigheit vermogen: maar die zyn zonder glans, indien de ſchoone wyze van voordoen daar aan ontbreekt. Zy vergult de misſlagen, en bedekt de onvolmaaktheden. Eindelyk zy vermomt alles, zoo veel geeft het die hoedanigheit te bezitten; en zig daar van bedient heeft. Nochtans is dit maar een raadsel van Sandrart; want hy dit geheim zich alleen zal hebben toebetrout. En laat het zoo zyn dat hy een dubbele bedoeling hier in gehad hebbe: nochtans is aan JORDAANS groote dienst geschiet; want men moet (zeit de Italiaansche spreuk) over een wyde streck van den tyd komen, om tot het middelpunt van de gelegentheit te geraken. Waarom ik ook rede zou vinden om Richard te: Brugge, in zyne beschuldiging tegens San drart in opzicht van de levensbeschryving, die hy van Vader Henr. ter Brugge geboekt heeft, te billiken, en op den schryver te passen de reden van Gratiaan, die zeit: Daar zyn menschen die van alles misdaden maken, niet door zucht, maar door hunnen aart. Zy veroordeelen in den eenen 't geen zy zelfs gedaan hebben, en in den ander 't geen zy willen doen. Waarom ook de spreuk seit: O schande, daar een meester slaat, Dien zelf de schult aan 't voorhooft staat. Schilders en Schilderessen. 157 Hy was byzonder vaardig. Men verhaalt dat hy de Historie van * Pan en § Siringa, met het aankleven van dien, levensgrootte in zes dagen had afgemaakt. Hy verstont zig niet alleen op het zeedige, maar ook op het boertige te verbeelden. Zoo d'ouden zongen, zoo pypen de jongen; en den drie Koningen avond heeft hy geestig weten te verbeelden. Men ziet daar een print van; ook van den Satyr uit Ezopus, die verwondert toeziet dat de huis waart kout en heet uit eenen mond blaast, door Lukas Pan was van het geslacht, dat de Grieken Satyrs noemen, zynde bewoonders van het wilde Woud, en Zaailanden. Hem word in 't byzonder het uitvinden van de Hardersfluit toe geschreven. Men ziet hem op oude Muntstukken verbeelt met korte hoornen, lange ruyge ooren, en een bolstaartje aan 't einde van de rugstreng als een Geit; om zyne bokkige geilheid, enz. § Sirinx of Siringa was de Dochter van den Arkadischen Riviergod Ladon, welke voor den Boxvoet Pan, op hare schoon heit verhit, nagejaagt tot gemelde rivier, in een Rietbos herschept, zyn geweldenary ontging † De Fabeldichters verhalen van eenen Satyr, half geit half mensch, die in den kouden Winter, uit mededogen. door een huisman werd ingenomen. Wanneer dan een der huisgenooten van koude in de handen blies, vraagde de Satyr die zulks niet gewoon was te zien, wat zulks beduid de; die tot antwoort gaf: Om de koude handen te verwarmen. Een weinig tyds daar na de Tafel gedekt, en het heete moes in een schotel opgedist zynde, schepte de Huiswaard een lepel vol moes, en blies voort daarin, om zig niet te bran den. De Satyr dit ziende stont verwondert en vraagde waarom hy zulks dede. De Huiswaard zeide: Om het zelve te doen koelen. Straks stont de Satyr op, en zeide: dat hij geen gemeenschap wilde hebben met zulken, die uit eenen mond koua en heet blazen, en ging terstont weg De Fabel schynt naar de letter eenvoudig, maar toegepast op dubbelhartige Menschen, dient zy tot waarschuwing, van geen ommegang met zulken te houden; om dat er geen staat op te maken is. Schouburgh der 158 Lucas Vorsterman in koper gesneden. En welk een kragtige wyze van schilderen hy in zyn besten tyd had (schoon hy Italien niet had bereyst) bleek aan dat nachtlicht, verbeeldende de Historie daar Petrus in zynen yver Malchus 't oor afslaat. Wat hoeven wy meer te zeggen, daar wy de bewyzen van zyn bra ve konst dagelyks konnen zien? zyn Beeltenis ziet men in de Plaat H boven aan. Hy was een man van borgerlyken en beleefden ommegang, en die veel gedienstigheit en goede raadgevingen voor anderen over had; als nevens anderen is gebleken, aan HENRIK BERCKMAN uit de Klundert van geboorte. Deze was een schilder van klyne Batalitjes, maar konde daar mee niet wel door de waerelt geraken, des rade hy hem tot het groot schilderen zich te begeven 't geen wel gelukte. Hy zette zig in Zeelant neer, daar hy ook gestorven is. T is ontegenzeggelyk dat Aurora de stralen van haar goude husel boven de benevelde kimmen pas doende zien, als de bladen der boomen noch druppen van den nachtdouw, en de velden noch van den nevel als met een blaauw floers overdekt leggen, en hier en daar de toppen van gehugten, en torenspitsen beginnen in een goude tinteling zig te laten zien, wel de Schilderagtigste gezig ten vertoont voor hun die hun werk maken om zulks ter gelegener tyd op paneel te vertoonen. Dit nam LUKAS VAN UDEN in acht; want men zegt van hem dat hy zig den vadzigen slaap ontrok, en met het morgenkrieken opstont en naar de Velden, en Bosschen zig begaf, Als Schilders en Schilderessen. 159 Als 't gedierte vrolyk huppelt 't Gras wort van den dau bedruppelt; En de nieu verrezen Zon Spiegelt zig in beek, of bronZyne dommelagtige en zoete behandelinge, en de goede welstant, dien hy in 't geheel in zyne stukken, en de byzondere losse zwier dien hy hadde in zyne boomen, gronden, verschieten, en veranderingen van lochten, heeft hem eenen geagten naam gemaakt onder de beminnaars van de Schilderykonst. Hy is geboren te Antwerpen op den 18 van Wynmaand 1595. zyn Beeltenis ziet men in de Plaat F boven het borstbeelt van F. Hals, 't welk zig met een hoed boven 't hooft doet zien In dit zelve Jaar 1596, is tot Antwerpen geboren DIRK VAN HOOGSTRATEN. Zyn Vader Hans van Hoogstraten geboren in 't Jaar 1568, op St. Mathys avond, en gestorven in 't jaar 1605 den 14 van Lentemaant kwam, om de vervolging t' ontgaan, in Hollant met zyn huisgezin woonen. Hy deed zynen Zoon in zyne jeught het zilver-en goudsmeden leeren, nevens de daar toe vereiste teekenkonst; ook het graveren of plaatsnyden, waar in hy vry veer gevordert is geweest, als aan zeker bekent printje Ecce Homo genoemt ('t geen hy ook zelf geteekent heeft) te zien is. Maar gelyk gemeenlyk deze of gene landaart in iets byzonders omtrent gemeene wetenschappen en handwerken uitsteekt, zoo stak Germanien in dien tydt in 't vergulden van 't zilver boven de Nederlanders uit. Dus werd DIRK door leerzucht aangespoort, om een reis derwaarts te doen, en Schouburgh der 160 en den Duitschers die behandelinge af te zien. Gelyk dit ook met goetvinden zyner Ouders geschiedde. Maar daar zynde (wie kent het besluit van zyn nootlot voor af?) krygt hy kennis aan Nederlant sche Schilders. 't Zy hem nu de voordeelen der Schilderkonst meerder dan die van 't zilversmeden vleiden, het zy de geheime Schilderlust toen zig in hem eerst openbaarde; hy begaf zig tot het leeren van de Schilderkonst, en volhardde daar in met yver en naarstigheit verscheiden jaren agter een; zoo onder opzigt van zyn Meester, als op zig zelven. Maar eer myn pen hem uit Duitsland wederom in zyn vaderlant brengt, komt my te binnen zeker voorval dat hem in zyn uitzyn ontmoette. De plaats daar het voorviel is my uit het geheugen gegaan (wyl 'er sedert myn Meester Samuel van Hoogstraten, zyn Zoon, my dat verhaalde, al vele jaren verloopen zyn. 'T zal'er ook niet op aan komen. Hy viel in een krankheit, zoodanig dat 'er niets te wagten scheen als de dood. Zyn huiswaardin, die hem met veel toezigt en zorge diende, en hem om zyn hups gedrag lief hadde, willende haar gemoet kwyten, liep naar een Priester, die hem op haar bericht het gewyde broodt toediende. De zieke hebbende even zoo veel bezefdat hy ontwaar wierd dat dit hem op de Roomsgezinde wyze wierd toegereikt, liet het zig uit zyn mont ontvallen, zoo dat het naderhant met het verschudden van 't bed agter 't ledekant op den gront viel, en daarna, wanneer hy nu wat beter geworden, om door een wandeling zig wat te verfrisschen, was uitgegaan, door de vrouw die dit waarnemende zyn kamer quam schoonmaken, onder 't ledekant gevonden wiert. Zy verzweeg dit Schilders en Sch dit tot dat hy volkomen van was. Ondertusschen nader schen en gevolgelyk de tyd moester het hoogste woord tot hem zeide: Ik moet u to dat gy moet vertrekken; om heiligdom geſchonden, en die van het Heilige Sacrament verde hoſtie voor een gedeelte op de dekant gevonden, en uit dien tyts van kant pakken zoo gy uw daar uit ſpruiten zoude wilde gerea biegt is aanstaande, en ik mag zulks gen. 'T geen dan gevolglyk d'oorza! zyne ouderen te eerder weder t'huis kwa gekomen vraagde hem zyn Vader: War zin waare te doen; of hy nu winkel als meeste versmit wilde opzetten, of op een anderwys proc ven van zyne vordering in de kunst, die hy in zy reis beoogst had. Hy antwoordde zyn Vader, die daar wel verwondert over stont te kyken; Dat by den hamer voor 't penceel verwisselt had, en zig niet tot het Zilversmeden, maar tot het Schilderen zoude begeven. Hy deed het ook, en kwam door byzonderen vlyt en yver zoo veer dat hy den naam van een goed Schilder droeg. Ik heb van zyne werken gezien die wel geteekent en ook natuurlyk geschildert waren. Ook, uit dat voorval dat myn meester SAM. VAN HOOGSTRATEN in zyne Inleydinge tot de Hooge schole der Schilderkonst op pag. 107. verhaalt, blykt dat hy de voor werpen natuurlyk door zyn penceel heeft weten na te bootsen. Het Jaar van zyn sterven is my gebleken uit het kantschrift van een teekening die myn meester I. DEEL. Sam. nuburgh der na zyns overleden Vaders Welke teekening nu noch In Hoogstraten, door zyne tot een gedachtenis zyns Constboek, by de beeltenise vernuftryke mannen, beinnen Dordregt den 20 van jaar 1640. Zyn becltenis I. onder Leon. Bramer. Konstschilder en Boumeester ANCART geboren te Brussel; Yner geboorte is my onbekent, aanComte, en Korn. de Bie, daar ontrent geboekt. Dus voeren wy hem ten dchen den jare 1560, en 1621. zynde Coorte-en sterfjaar van den Aartshertoog tus, zoon van Keizer Ferdinand den twee die zyn Mecenas is geweest en hem veel gonst heeft bewezen om zyne byzondere bekwaam heden in verscheide konsten en wetenschappen. Hy was Bouw-en Vestingboumcester van Brussel, in welken tyt hy ook de Kerk der Jesuiten heeft gebout. Hy verstond zig daar en boven op de Schilderkonst, Meetkonst, Doorzichtkonst, Dichtkonst, en Wellevenskonst, welke t'zamen gepaart een man gelukkig konnen maken; want hoe groot de talenten en het vernuft eenes mans mag wezen het zyn slegs halve talenten (zeit Gratiaan.) Maar als de Wellevenskonst daar by komt, heeft alles meer aanzien. Zy vervult alles, zelf het gebrek van de rede. Zy vergult de miſſlagen. Zy bedekt de onvolmaaktheit, enz. Zo veel geeft het die hoedanigheit te bezitten. FRANCART was ook inzonderheit bemint by Schilders en Schilderessen. 163 de Infante Isabelle, voor welke hy geschildert heeft de Misterien, of verborgentheden van den Rozekrans, die gezonden zyn aan Paus Paulus den vyfden, en naderhand in koper gesneden. Anna Fransoise de Bruns, die hem in maagschap bestondt, heeft hy de Schilderkonst geleert; zoo dat zy alle Schilderessen van dien tydt over trof. Naderhant ontsloeg hy zig van alle zyne oeffe ningen, en gaf zig over aan de liefhebbery der bloemen; die hem verstrekte tot een Zinnespiegel van zyn vergankelyke leven, dat ook kort daar aan verging. By het uiteinde van Michiel Janze Mierevelt hebben wy met een woort of twee gezegt, dat hy twee zonen had naargelaten, die zich beide in de konst oeffenden, en Pieter de oudste inzonderheit den Vader in de konst van Pourtretschilderen niet ongelyk was; ook de plaats waar te Delf overblyfselen zyner Penceelkonst te zien waren aangewezen. Op het jaar nu van zyn geboorte 1596. moet ik 'er tot lof en roem van PIETER MIEREVELT dit byzeggen: Dat, eer ik eens wist dat Mich. Mierevelt zonen naargelaten had, of van hunne konst iets gezien, my een Pourtret vertoont wierd by Gerardus Wigmana Konstschilder t'Amsterdam, dat hy voor een stuk van M. Mierevelt gekoght had, daar ik het ook voor aanzag. Doch het merk (zynde een P en M door een gevlogten met het jaartal 1620) dat op den agtergrond stont, deed my daar aan twyffelen, tot dat ik 't huis komende, de beschryvinge van Delf opsloeg, en daar op pag. 851 geboekt vond, dat Michiel een Zoon Pieter genoemt gehad heeft, welke overleden is in het prilste van zyne lenteL 2 jeugt Schouburgh der 164 jeugt den 11 van Wintermaand 1632 het 27 j zyns levens. Zyn tweede Zoon JAN had mede een goed begin gemaakt in de konst; maar een ongelukkig toeval belette den voortgang: hy werd krankzinnig en stierf in 't jaar 1633. Dit zelve jaar 1596 bracht voort LEONARD BRAMER. Deze door reislust gespoort begaf zich al met zyn achttiende jaar op reis naar Atrecht in Artoys, van daar naar Amiens, Parys, Marsellie, Genua, eindelyk naar Roomen, daar hy zig eenige jaren heeft opgehouden, eerst met yverig en naarstig zyn konst naar zoo veel heerly ke voorwerpen voort te zetten, en daar na met zyn talent te vertoonen aan de konstliefdige Hoven te Romen, Venetien, Florence, Mantua, Napels, Padua &c. Zyne Konstwerken die hem voor namentlyk berucht maakten, waren, eene Opwekking van Lazarus, heel woelig van ordonantie wel geteekent, en geestig van dag en schaduwe. Een verloochening van Petrus en meer andere. en wyl hy meer op roem dan op gelt gezet was; vergenoegde hy zig daar mee, dat zyn naam door geheel Italien berugt was; en trok weder naar zyn Vaderlant, om daar ook zyne konst te vertoonen. Thans pronkt het Princelyk Huis te Ryswyk noch met een voornaam staal van zyn loffelyken geest. Zyn beeltenis gevolgt na t geen Ant. vander Does gesneden heeft, staat in de Plaat I. boven aan. Men ziet dikwils onder de beminnaars van konst, noch van zyn kleine historitjes op koper geschil derr, die geestig van vinding en konstig gedagt zyn. Op een zyner voorname op koper geschilderde tafereelen, verbeeldende Thisbe, met Pyramus ha jaar Schilders en Schilderessen. 165 haren minnaar, heeft Lud. Smids dit volgende vaars gemaakt: Eerwaarde grysheit! wat zoekt gy, by naaren nacht, Met toortslicht, aan dit graf van Ninus? 't is de Vader Van Pyramus, en het is THISBES Moeder zacht. Hoe zullen deze twee zig houden, treênze nader? Hier leght de minnares, in 's minnaars bleeken arm. O t'ongelukkige, en te decrelyke lyken! Elk wort zyn kint gewaar. Zie beider droef g kerm. De Moeder knikkebeent. Hy stut haar in't bezwyken. Doch onder 't stutten, zeeg hy met de Vrouw haast neer, Had BRAMER hem niet, met de kragt van kloeke verven, Gesterkt; 't bloed met een nacht gedekt, en 't moordgeweer Verborgen in het gras; hy poogd haar zelf van sterven Te vryen, met metaal geharnast, op dat zy Dus eeuwig treuren in een koop're Schildery Men vind onder d'oude Konstschilders stalen van zulke die met hunne werken traag of langzaam voortgingen, en wederom anderen welker werken (gelyk het spreekwoort zeit) als van de hand vlogen, aangetekent. Protogenes nam veel tyds tot het maken zyner Konstwerken, schilderde dezelve viermaal over, om dat zy het marmer zouden konnen verduuren. Leonard da Vinsi zegtmen, dat over syn schoone Mona Lisa, vier jaren bezig was, en 't stuk noch on L 3 Schouburgh der 166 onvoldaan liet. En Zeuxis roemde dat hy lang over zyne werken bezig was, zeggende: De rasheit geeft geen bestendige schoonheit, daar de gestadige en lanzzame arbeid, een bestandige kracht, het werk een duurzame luister geeft en doet behouden. Waar op het spreekwoort past, Haast gedaan, haast vergaan. Anderen daar en tegen hebben hunne konstwerken met een ongelooffelyke vaardigheit weten af te maken, als Rosso, Pordenenes, Peeryn del Vago, Polidoor, en oulings onder de Nederlanders Frans Floris, die, wanneer hy eens boven zyne gewone rassigheit wilde toonen wat het penceel vermogt, wanneer het door yver aangezweept word, schil derde zeven beelden levens groot, in den tyd van zeven uuren, welke dienen moesten tot de prag tige inhaling van Keizer Karel tot Antwerpen. Deze voorbereitzelen hebben wy gemaakt om die drie bekende penceelkampers, namentlyk KNIPBERGEN, VAN GOJEN, (waar van wy daadlyk breeder zullen spreken) en PARSELLES daar by te gedenken. Deze (dus verhaalt het Hoogstraten, in zyn vr Boek van de Hooge schoole der Schilderkonst) hadden t'zamen een wedding aangegaan, om elk binnen zonneschyn een stuk te maken. KNIPBERGEN stelde een tamelyk grooten doek op den Ezel, en het penceel tot zyn wil hebbende, begon op zodanig een aangewende wyze te ſchilderen, dat al wat hy ter neer zette gedaan was; want lucht, verschiet, geboomte, gebergte, en stuyven de watervallen, vloeyden uit zyn penceel, als de de letteren uit de pen van een vaardig Schryver. Hy sloeg zyn bladerwerk en spartelende groente, op een aan Schilders en Schilderessen. 167 aangewende lugtige wyze; de dunne wolken dreven hem als van de hand, en de klipagtige rotzen, en brokkelige gronden werden als ſpelende uit zyne verwen geboren. Nevens dezen zat Jan van Goojen die op een gansch andere wyze te werk ging. Want zyn geheel paneel overzwadderende hier licht, daar donker, min of meer als een veelverwige Agaat, beſtont by allerleiaardige koddigheden daar in te zoeken. die hy met weinig moeite, door penceeltoetsen kenlyk maakte, zoo dat ginder een geestig verschiet, versiert met boere gehugten zig op deed. Hier zagmen een oude ſteeveſt, met poort en waterhooft voor den dach komen, en zich in't aankabbelende water spiegelen, ook verscheiden slag van Schepen, en Schuiten met vragt of reyzigers beladen. In 't kort zyn oog, als op het uitzien van gedaantens, die in een Chaos van vermengde verwen verborgen lagen, afgerecht, stierde zyn hand en verstand op een vaardige wys, zoo datmen een volmaakte ſchildery zag, eer men recht merken kon, wat hy voorhad. De derde was PARSELLES, die grote Fenix in't Zeeschilderen. Maar de aanschouwers gaven den moed byna verloren, als zy zagen hoe traag hy zyn penceelen handelde, ja het ſcheen in't eerſt, of hy moedwillens den tyd verkwistte, of niet wist, hoe te beginnen. Maar dit kwam om dat hy eerſt een vaſt denkbeeld vormde van zyn gansche werk, eer by verf op 't paneel bracht. Maar de uitslag toonde wel dat dit de regte wyze van doen is; want schoon hy in langzaamheit volhardde, hy nam alles zeker en wis, en was des avonds zoo wel klaar met zyn stuk, als zyn tegenstryders; en hoewel KNIPBERGENS stuk grooter, en VAN GOOJENS volder van werk was, PARSELLES had in het zyne meerder natuurlykheid waargenomen, en 't werd ook by de kenners waardiger geschat, schoon yder in L 4 Schouburg der 168 't zyne niet en was te verwerpen. Ik houde deze laatste wyze ook wel voor de zekerste, ook de tweede wel voor de vremdste; en lust het u Lezer, te luisteren, ik zal u diergelyk verhaal doen van den Franschen la Fago, door zyne Teekeningen en Printkonst genoeg bekent. JOAN VANDER BRUGGE, die te Parys omgang met hem hadde, had zyne Landsluiden, Brabanders, wonderen van dezen Raimond la Fage weten te vertellen, en hun belofte gedaan, dat hy hem eens van Parys mee zouw brengen, gelyk hy dan eyndelyk deed. Hy kwam met hem in de gewone schilderskroeg, en plaatste hem nevens den schoorsteen aan den haart, zonder dat ymant daar eenig agt op gegeven had, veel min eenig vermoeden dat dit la Fage was, die met hem was ingekomen. Behalven dit had hy geen glansig goud, of zilver om zig, dat straks het oog trekt en dikwils gelegentheit veroorzaakt in de nieus gierigen om te weten wie zoo een is. T leed niet lang of 't gezelschap maande VANDER BRUGGE tot het voldoen van zyne belofte: waar op hy met een lachenden mont antwoordde: Of ik hem nu eens mee gebrocht had? Hier door stak elk d'ooren op, en begon d'een voor en d'ander na te vragen: waar is hy? Daar op (na hy hen een lange wyl in de maling gehouden had,) zeide hy: la Fage is onder ons gezelschap, en wees hem aan: doch zy namen dit op voor spotterny, waar om ook zommigen zig niet ontzagen te zeggen: (wyzende met den vinger op hem) is dit la Fagie? hy lykt er wel na. Dit lokte la Fage uit den hoek; die zyn hals als een paau opstak, en met een bytende stem zeide: Ik ben 't zelf, en wilt gy'er 't Schilders en Schilderessen. 169 bewys van zien, zoo doen papier en inkt geven. Dit werd hem straks bezorgt, en hy aan de tafel gezeten, daar zy alle rond om henen schoren, en voorts op stoelen en banken klommen, om over de voorste heen te konnen zien, vraagde hy: wat zy wilden dat hy zoude maken? waar op een uit den hoop hem toeriep: Pharao daar hy in't Rode meer verdrinkt, 't welk van alle tegengesproken wierd; wyl onbehoorlyk was, hem, die hun d'eer aandeed van in 't gezelschap te komen, een werk te vergen daar de gansche avond mee zouw deurloopen, en over zulks geen tyd overig zyn om hem eenig vermaak aan te doen. 't Woord was egter gesproken, en la Fage begon aan 't werk, maar op een wyze waar van zy alle verbaast stonden te kyken. Hier schetste hy een arm, ginder een been, hier een hooft, daar een voed; dan eens eenige beginselen van 't zaam gekoppelde beelden in 't verschiet, straks weer op den voorgrond; zulks dat in 't kort het gansche blad papier alom bezaaid stond met stukken en brokken, van paarden en menschelyke figuuren. Eyndelyk kwam die Chaos van onder een vermengde leedematen, tot een konstige welgeschikte teekening aangegroeit, binnen den tyd van twee uuren tot aller verwonderinge voltooit, waar in hy verbeelt had hoe Pharao met zyn krygsheir, en paarden en wagenen, waar mede hy Moses vervolgde, in 't Rode Meir verdrinkt, die met Aaron en gans Israel op het drooge over hunne verlossinge juichten. En dat alles vast naar de konst geteekent met een menigte van sierlyke byvoegselen, soo vasen als kruiken, en menigerhande veranderinge van dragten, sluyers en hoofdhulsels, te lang om te verhalen. Dit is my dus van goederhand bericht, en ik geef het L 5 Schouburgh der 170 het, zonder daar op te woekeren, voor den eigen prys, als ik het ontfangen heb weêr over. Zyn leerling Bauttard thans in Engelant, heb ik 't ook op gelyke wys, doch ontrent een werk van geringer beſlag in een vol gezelſchap, daar ik tegenwoordig was, zien doen. In 't Jaar 1596, op St. Pontiaans avont, die toen kwam op den 13 van Loumaand, is geboren JAN JOSEPHSZOON VAN GOIJEN, binnen Leyden. Zyn Vader Joseph Jansz. van Goijen, was een beminnaar van de Teeken- en Schilder konst; en ziende in zyn Zoons geneigtheit en drift tot de konst, heeft gereed bewilligt in hem daar toe op te brengen, gelyk hy hem ook, om in de beginselen der konst onderwezen te worden bestelde by Koenraad Schilperoort lantschapschilder. En naa het verloop van drie maanden by Mr. Isak Nicolai, geestig schilder en Borgermeester: doch hy bleef daar mede niet lang, nog ook by Jan Adriaansz. de Man. Waar na (zyn Vaderin den zin hebbende hem een glasschilder te maken) hy bestelt werd by Henrik Klok. Maar van Goijen verklaarde voor dat beroep geen geneigtheit te hebben, maar tot het olyverfschilderen alleen: waarom zyn Vader hem om de konstdrift in hem niet te blussen, te Hoorn in Noordhollant bestelde by Willem Gerretzen, by wien hy ontrent den tyd van twee jaren de konst met yver en naarstig heit behartigde. Naa welken tyd hy zig weder naar Leyden begaf, en oeffende de zelve voort by zich zelven. Ontrent negentien jaren oud zynde bekroop hem een reysluim, hy vertrok naar Vrankryk, maar kwam, na dat hy de voornaamste Steden doorzien hadde, weder te rug. Zyn Vader ziende dat hy reeds veer in de konst gevordert was, wil- Schilders en Schilderessen. 171 de hem graag tot een groot meester zien aangroeijen, en zig geen kosten ontziende, trok met hem naar Haarlem en besteedde hem by den vermaarden Lantschapschilder Esaias van den Velde, by wien hy een jaar bleef, en zodanig in de konst toenam, dat elk zig daar over verwonderde. Hy kwam te trouwen en bleef van toen af te Leyden de konst oeffenen tot den jare 1631. Wanneer hy om eenige reden met 'er woon naar 's Gravenhagen vertrok, daar hy ook gestorven is in 't laatst van Gras maand 1656. Hy schilderde meest stille watergezigten, met binnenlantse Marktschepen, en Vissers schuitjes, en een Kerkje, of eenig bekent Dorpje in 't verschiet. Gelyk hy ook de meeste van die naar 't leven geteekent heeft; welke teekeningetjes, met zwart kryt geestig aangetoetst, nu noch onder de liefhebbers bewaart worden. Doorgaans zietmen dat zyne stukjes wat eenkleurig of graau zyn: maar dus zynze van eersten af aan niet geschildert; maar in dien tyd was 'er een verf die men Haarlems blaau noemde, nu buiten gebruik, om dat zy geen stant hout, dat daar d'oorzaak van geweest is. Zyn Beeltenis zietmen in de Plaat H, onder Jordaans. Onder zyne Stadt en tytgenoten worden opgetelt, Kornelis Liefring, Arnoudt Elzevier, en Egmont Kornelisz. Stooter, die hunne konst dagelyks met vlyt en yver oeffenden, tot den jare 1640. De geltmiddelen (een groot behulp om tot wetenschappen te komen) zietmen ongelyk in de werelt gedeelt, en zoo het zeggen van een oud Fi Schouburgh der 172 losoof zeker gaat, zoo geven de Goden zelden Ryk dommen en verſtant te gelyk. Schamen moeten zich zoo veel luye leeggangers, over het verwaarloozen van den kostelyken tyd. Doch het gaat in de werelt als het spreekwoort zeit: Die wel zouden willen, en konnen niet. Veel menschen hier toe genoegzaam van den Hemel gezegent, verzuymen die schoone gelegentheit; en eenigen die graag tot wetenschappen zouden willen komen, word door behoeftigheit, of iets anders, de tyd tot d'oeffeningen onmedogent ontrukt. Doch een onophoudelyke drift komt die klip wel eens te boven, en maakt dat zy heur doel bereykt. De spreuk van Juvenaal: Tbeurt zelden dat een Geest den hoek te boven raakt: Die in zyn armoe naar de wetenschappen haakt; Zeit niet, 't beure nooit, maar zelden. Dit zal de volgende levensbeschryving bevestigen. In 't jaar 1597, op den 16 van Wintermaand is tot Leyden geboren PIETER PIETERSZ. DENEYN, of van Neyn. Twaalf jaren oud zynde heeft zyn Vader hem besteed by een Steenhouwer, daar hy eenige jaren by bleef; maar zyn geest bekwaam tot grooter bezigheden, dreef hem aan tot het leeren der Mathematize wetenschap, en vorder tot de Bou- en Doorzigtkunde. Maar zyn ouders niet groot van vermogen, konden het hem niet volkomen doen leeren. Egter was zyn drift tot diergelyke wetenschappen zoo groot, dat, (niet tegenstaande hy dagelyks met zyne handen den kost met Steenhouwen winnen moest) hy, daar in zoo veer gevordert en toegenomen was, dat hy zelf in staat was om het aan anderen volkomentlyk to Schilders en Schildereffen. 173 te leeren. En wyl hy uit dien hoofde kennis en omgang met veelweters, en ook schilders had; ook aan Esaias van den Velde Lantschap- en Batalje Schilder; zoo liet hem die eerst eenige zyner teekeningen en daar naar ook van zyne schilderyen, (op voorgaande bericht aangaande de mengelinge der verwe, om dat hy een byzondere drift in hem zag) na maken. Waar door hy zodanig in korten tyd gevordert was, dat hy zig in staat bevond van zyn huisgezin daar door t onderhouden. In den jare 1632. wierd hy Stadts Steenhouwer, welke bediening hy nevens het schilderen waar nam, en onderhouden heeft, tot den jare 1639, wanneer hy al eenige jaren met een benaauwde borst gekwelt, (een gebrek dat den Steenhouders eigen is) eindelyk, stierf op den 16 van Lentemaand. Nu volgt ROELANT ROGMAN geboren tot Amsterdam in 't jaar 1597. Deze was een braaf lantschapschilder, bracht een goede houding in zyn werk, maar schilderde ruuw, en wat te veel gebraden, of getaant: of dit nu hier by kwam dat het hem aan zyn gezicht scheelde, (want hy had maar een oogh) weet ik niet. Hy was inzonderheid yverig in het teekenen naar 't leven, en men ziet heden noch veele vervalle Kloosters en Borghten in print, welke naar zyne teekeningen uitgegaan zyn. My gedenkt een geheel boek met teekeningen gezien te hebben, waar in de meeste Hollantsche stamhuizen, en bemuurde, of omwaterde sloten afgeschetst stonden. De geneigtheit tot de konst bleef hem tot zyn ouderdom by; maar hy plag gemeenlyk te zeggen: Als men de dingen komt te weten, is men versleten. Hy was in den jare 1686 noch in 't leven en woonde t'Amsterdam in 't Oude-Manhuis. 174 Schouburgh der huis, oud zynde 88 Jaren; en stierf zonder getrout geweest te hebben; het geen men gemeenlyk, zegt Micio by Terentius, voor een geluk rekent. Hy was in zyn tyd, met Gerbrant van den Eekhout, een groot vrind van Rembrant van Ryn. Hem volgt THEODOOR ROMBOUTS. die door uitstekenden vlyt en leeryver zoodanig in de konst gevordert is geweest, dat hy den eernaam van een groot meester gehad heeft, hy had Italien en meer andere landen bereist, en is gestorven te Antwerpen in 't jaar 1637. waar hy ook geboren was op den jare 1597. De Konstgodes laat zig niet in heur neiging dwingen. Men pleit vergeefs by haar, op't oude voorrecht, dat Eerst Griekenlant, daar na Oud Rome heeft gehadt; Haar Konstvuur broed, en teelt, wel eens uit dorpelingen Verheven geeſten, die uit zuiv're zucht tot loon, De Konſt verſieren met een blinkende eerekroon. Dit passen wy toe op PIETER ZAENREDAM geboren in 't jaar 1597 den 9 dach van Wiedemaant binnen het Dorp Assendelft. Deze al vroeg zyn Vader verloren hebbende, kwam met zyn Moeder in 't jaar 1608 binnen Haerlem wonen, en zig vindende van natuur tot de konst genegen, kreeg gelegentheit van by den Konstschilder Frans Pieterz. de Grebber te komen, daar hy eerst de teekenkonst, naderhant ook de schilderkonst leerde en zig daar yvrig by bleef oeffenen tot het jaar 1622. naa welken tyd hy de konst by zig zelven vlytig voortzette en kwam tot Haarlem als meester in 't St. Lukas Convent, den 24 van Grasmaand 1628. Toen zette hy zig tot het Schilders en Schilderessen. 175 het schilderen van perspectiven, Kerken, Zalen, Galeryen, en Gebouwen zoo van binnen als van buiten te zien: en had een pryslyke behandelin ontrent zyn werk. Een staal van zyn loffelyke penceelkonst ('t geen alleen genoeg is om zyn konstroem eeuw in eeuw uit levendig te houden) is de afbeeldinge van het oude Stadthuis van Amsterdam konstig in 't klein geschildert, thans noch voor een waardi Kabinetstuk gehouden; aan het welke de Dichter P. van Rixtel ook gedenkt in zyn Mengelrymen p. 52. daar hy het tegenwoordige Raathuis zig verheftende op zyn oude glorie, dus doet spreken. Dat oudt gebouw, gesloopt aan vonken, Lag lang in assche, en puin verzonken, En wierd niet meer genoemt, indien Het zig niet op 't paneel liet zien, Door ZAENREDAM5 penceel en verven. Die * Spaar-geest, heeft het voor zyn sterven, Herbaart, en eer het lagh gebukt, De doodt, die 't al vernielt, ontrukt; En leert in Schilderkonst aanschouwen, De nietigheden der gebouwen. Terwyl myn Borgermeesterzaal, Noch glans trekt uit die oude praal. Thans verschynt ook ten tooneel SALOMON DE BRAY geboren te Haerlem in 't jaar 1597. Deze wert onder de brave konstschilders van zyn tyd getelt, en geprezen om het voortplanten dien konst in zyne Zoonen: welke hy eene lange reeks van jaren door zyn konstkundig oordeel, in hun ne oeffeningen heeft onderschraagt; aangezien hy noch 't Spaar vloeit door Haerlem. 176 Schouburgh der noch eenige weken na zynen jongsten zoon heeft geleeft. Deze was JAKOB DE BRAY, een der uitgelezenste paerlen aan Haarlems Stedekroon, dewyl hy een groot meester in de schilder- en teekenkonst is geweest. De konstbeminnende Arn. van Halen tot Amsterdam heeft een stuk met levens groote beelden van hem, verbeeldende Koning David, daar hy in koorgewaat spelende op zyn harp voor de Bontkist staat, verzelt met zingende en spelende Levyten 't welk konstig geteekent vleyend zuiver en krachtig is geschildert, en 'er zoo wel uit ziet, of 't eerst uit het penceel kwam. Dit stuk is gejaarmerkt 1697 ten bewys dat hy eenen goeden ouderdom bereikt heeft. Tusschen beide moet ik ook zeggen; dat aan zyn penceelwerken licht te zien is, dat hy zig het naakt wel verstaan heeft. En wat zyne teekeningen op papier en perkament konstig en ten uitersten uitvoerig, met zwart en rood kryt door malkander gebruikt, aanbelangt. daar van bezit de konstlievende Heer Isaak del Court wel de meeste en beste. In P. van Rixtel Mengelrymon, vind ik dit volgende op de afbeelding van den Haarlemmerdichter Fr. Snellinx door J. de Bra geschildert. De BRAY vertoont zyn konst aan Snellinx op't paneel; Maar Snellinx toont zyn Geest, doorluchtig in zyn blaren; Zyn inkt verstrekt hem verf, de veder zyn penceel. Licht Vondel aan het Y, hy licht noch meer aan 't Sparen. Maar Schilders en Schildereffen. 177 Maar onze dichtgeesten zouden hier niet alle ja toe zeggen. Hy stierf tot Haarlem in 't jaar 1664 in Grasmaand, en zyn Vader SALOMON volgde hem naar 't Graf op den 11 van Bloeymaant. De wormen mogen zyn lichaam verknagen, maar zyn naam blyft eeuwen duuren; door dien zyn zoon DIRK (die een fraay Bloemschilder, naderhant Monnik werd) zyn borstbeelt konstig in hout gesneden heeft. Het welk wy geplaatst hebben in de Plaat I onder de Beeltenis van L. Bramer op de linkerhandt van Dirk van Hoogstraten. Hadden de menschen eenen zin (zeit het spreekwoort) zy zouden eenen weg loopen, maar wy zien dat yder al van een byzondere drift aangevoert en gedreven wort. De Schilderkonst heeft hare byzondere deelen, en by gevolge keurs genoeg tot voldoening van yders lust, en verschillige geneigt heit. ADRIAAN VAN UITRECHT ver koos het Schilderen van vruchten, dieren, inzonderheit Indiaansche vogels, en alle soort van pluimgedierte. 't Geen hy zoodanig natuurlyk schilderde dat zyn kunst in verscheide waereltsoorden getrokken is geweest. En waarlyk dusdanig een stil leven zouw my ook meer behagen. als geschilderde Boeken, Brieven, Zandloopers, Dootshoofden en diergelyke vertoonsels, daar een vreesagtig of bygeloovig mensch by schemerend lamplicht wel voor schrikken zouw. Zyn penceel was zoo vleyende dat hy (om geen andere grooten te noe men) ook de gonst en geneigtheit van den Konink van Spanjen daar door tot zig getrokken heeft; daar hy een gunstigen Mecenas aan had. Sandrart zeit: Zyn eerste doen (dat hem veel I DEEL. M licht Schouburgh der 178 licht aanleyding tot de konst zal gegeven hebben) was het opzetten van alle zoort van pluimgedierte, 't geen by zoo konstig wist te doen, dat de dieren ſchenen te leven, en veel gekogt wierden om op Kabinetten te zetten. Hy was geboren te Antwerpen, in 't jaar 1599. en is gestorven in 't jaar 1651. Zyn Jaargenoot HUBERTUS GRIMANI, anders gezeit HUBRECHT JAKOBSZ. geboren te Delf, was, in zyne Jeught tot het reizen geneigt, hebbende wel negen of tien jaren te Venetien aan 't Hof doorgebragt by den Hartoog, van wien hy den by nam van GRIMANI aangenomen heeft, dien zyne nakomelingen hebben aangehouden. Hy was een goed pourtretschilder, maar wanneer hy naderhand gelegentheid had om voor Engelsche Heeren (welke niet veel gedult hadden om zoo lang voor hem te zitten, als vereischt wert om 't werk te door schilderen) te werken, heeft hy 'er wat licht (gelyk men voor een spreekwoort zeit) overgeloopen, waar om zyne laatste werken niet zoo goed als zyn eerste geschat worden. Hy stierf in den Briel, ontrent den jare 1628 of 29. In den tyd van HUBR. JAKOBSZ. leefde ook WOUTER CRABE TH kleinzoon van den berugten Wouter Pietersz. Crabeth. Deze was een der voorname leerlingen van Korn. Ketel. Hy bezogt Vrankryk, Italien, en de vermaarde schilderschool te Roomen. Van waar hy na een dertien jarige reys weder kwam in zyn geboortestadt Gouda, en daar in 't jaar 1628 troude met Adriana Vriesen. Onder zyn beste werken wort getelt een Maria's Hemelvaart, het altaarstuk in de bidplaats van J. W. Zyn laatste groot stuk dat hy geschildert heeft was de toenmaals regerende krygsraat tot Schildersen Schilderessen. 175 tot Gouda, 't geen op de zaal van St. Joris doele hangt. Dit zelve jaar 1599. op den 22 van Lentemaand is ANTONIVAN DYK geboren, en te Antwerpen in de wiegh geleit, om tot zynen volkomen wasdom aangegroeit in de zestienhonderste eeuw onder de konstenaren, als een Fenix onder de vogelen, in schoonheit uit te blinken. Zyn Ouders hebben voortyts te s'Hartogenbosch gewoont, daar zyn Vader de konst van 't Glas schilderen oeffende, als uit de beschryvinge van Gouda door J. Walvis te zien is, daar men dus leest: Daniel (te weten de zoon van den Predikant Herboldus Tombergius) oeffende zeven jaren deze konst onder Westerhoud; en naderhant by den Vader van Antoni van Dyk die een goed glasschryver was, in den Bosch. &c. 'T lust ons (om een aanvank van VAN DYKS levensbedryf te maken) den Vader uit zyn verbrande lykas te doen opzien, op dat zyn geest zig verheuge over den schoonen en heerlyken luister van zynen zoon, in een poeetische beschryving, of zinspelend vertoog van den vogel Fenix; waar toe wy ons bedienen van 't rym van Joach. Oudaan Maar als ze merkt eer lang hoe d'as, in een gedrongen, Opwellende uit dien klomp, en Lykbus, eenen jongen Te voorschyn brengt, een vrugt die na den Vader sweemt. Die 't blinkende gewaad den voor'ge pennen neemt, (Daar d'Eed'le mengeling der goude en purp're veeren Zig tot een halsjuweel, en borstcieraad schakeren, En met dien glans hervormd, komt dryven door de lugt: Dan juichtze: dan verschynt een ongemeene vlugt M 2 Van Schouburgh der 180 Van Voog'len, van alem, die vrolik in 't ontmoeten Met grunz'len en gezang dien Zonnezoon begroeten. En waarlyk veelen hebben uit een konstminnen de drift, anderen uit leerzucht gedreven, altyt zyne werken met verwonderinge beschout. Ja de bevindinge heeft ons doen zien hoe als eenige van zyne voorname werken in 't licht gestelt worden, en gelegentheit gegeven is omze te konnen zien (gelyk toen die stukken in 't jaar 1713 van 't Loo gebragt op 't Heere Logement te zien waren) de menschen om de zelve als de muggen om het licht zworven En zoo men konst agting moet toedra gen, zoo verdientze die van VAN DYK waar in niet alleen een naar de konst geregelde teekenin met het leven over een komende bespeurd wordt; maar die met het schoonste leven zoude twisten: als ook een kragt en helderheit in de mengeling der verwen, daar men de natuur, zoo ze zich nevens de zelve wilde ter monsteringe stellen, van schaam te zoude zien blozen. De konstminnaars hebben ook op den verkoopdag den 26 van Hooymaand van 't jaar voor gemelt, aan de waerelt doen zien wat agting zy voor van Dyks konst hadden. Want een stuk (waar in verbeeld stont Maria, Josef, Jezus nevens eenige danzende kintjes) hoog 7 voet en breed 10 voet, werd verkogt voor 12050 gulden. Ik die de gelegentheit gehad heb om een groot deel van zyn konstige pourtretten in Engelant van naby te konnen beschouwen, heb menigmaal moeten verwondert staan over de enkele behandelinge, die zeer welstandig en egter op een lichtvaardige wyze aangetast is. Om dan tot VAN DYKS levensbeschryvins voort te varen, zegge ik vast te gelooven dat de Schry Schilders en Schilderessen. 181 Schryver der stadt Gouda boven gemelt, dit van zyn Vader naar trouw en waarheid heeft geboekt; en geen toeleg heeft konnen hebben om de nakomelingen hier door te misleiden, wyl hy geen vooruitgezicht heeft konnen hebben, dat dit ooit tot bewys van, of voor deszelfs eer zoude konnen dienen, of te pas gebracht worden, gelyk het nu doet. Want hier door valt nu die gansche vertelling die men gemaakt heeft; (als of VAN DYK door Rubbens als van de straat was opgeraapt, en opgevoed, zonder te weten van wien hy voortgesproten was) van zelfs om veer. Eene zaak brengt my wat belemmering aan: dat is, dat ik verschil onder de schryvers, in op zicht van het jaar zyner geboorte vind. Wie zal regter wezen? en nochtans wilden wy wel zeker wezen in onze aantekeningen. Korn. de Bie stelt het jaar zyner geboorte als boven in zyn Boek ook onder zyn pourtret. Maar Moreri in zyn algemeen Woordboek: dat hy is geboren in 't jaar 1598. nu kan ik dit als geen drukfout aanmerken dewyl hy ook het jaar van zyn sterven vervroegt: doch Moreri staat hier in alleen tegen alle getuigenissen: en wy zullen den meesten hoop volgen, maar ik vind by gemelden schryver zaken in zyn leven voorgevallen die van anderen meede beschreven zyn, dog by hem veel naaukeuriger, en met meerder oplettentheit geboekt. Gelyk onder anderen wie zyn eerste meester in de konst is geweest; dat hy een vrouw gehad heeft met wie hy getrout was, ook van wat geslacht, daar andere zoo maar wat in 't wilt (als men gemeenlyk zeit) over geschermt hebben, en in twyffel getrokken of hy ook wel een egte vrouw gehad heeft; als ook byzondere berigting aangaande zyne naarlatenschap, en meer M.3 Schouburg der 182 byzonderheden, die wy op haar plaats zullen te pas brengen. Welk alles my gerustheit geeft van hem daar in te mogen volgen. Maar dat hy stelt, dat, Henrik van Balen zyn eerste onderwyzer in de konst zoude geweest zyn; zoude hy, indien hy geweten had dat zyn vader een konstoeffenaar geweest waar, niet gezegt, maar die eer aan zyn vader gelaten hebben; wyl het bedenkelyk is dat hy zyn zoon van der jeugt aan naar mate zynen bevattinge in de gronden der konst zal hebben onderwezen En niet alleen was de vader van VAN DYK een konstoeffenaar, maar ook zyne moeder een beruchte konstenaresse met de Borduurnaald. Onder hare gestikte werken wort geprezen een schoorsteenkleed, waar in zy door allerhande koleur van zyde de Historie van Susanna afgebeeld had, de Beelden van een vasten omtrek, en de vermen ginge der kleuren naar den aart van elk ding, als ook den boord van 't kleed met losse ranken zoo konstig door malkander gevlogten, dat dit eene stikwerk alleen genoeg was om haar vernuft te roemen. Daar by word ook verhaalt dat zy inzonderheit met yver daar aan gewrogt heeft, in dien tyd als zy van ANT. VAN DYK (wiens beeltenis hier over staat) zwanger ging Of VAN DYK nu het onderwys van van Balen gehad heeft voor hy by Rubbens kwam, daar van is geen zekerheid; maar dat hy een leerling van Rubbens geweest is, is by allen bekend, gelyk ook dat hy zoodaanig in de konst onder zyn leiding is toegenomen, dat hy hem stelde aan zyne beste werken te schilderen. Hy heeft noch by zyn meester zynde, deszelfs pourtret, dat van zyn vrouw en verscheide anderen gemaakt, als mede zommige stuk Schilders en Schilderessen. 183 stukken met verscheiden Beelden van welke alle hy meerder roem als geld opley, uit oorzaak dat Rubbens by alle grooten aangezien (gelyk ik meer gezegt heb) hem in alle voordeelen te veer voor uit was, om het tegens hem op te halen. De twee eerste stukken waar aan hy zyn vermogen in de konst dede zien, wanneer hy van zyn meester was, waren, de Gevangenneming van Kristus in den Hof; en daar hem door de Roomsche Krygsknechten de Doornekroon wort op 't hooft geplant. In dezen tyd was Italien in vollen bloey; en scheen yder uit te lokken tot een renloop in de konst om een onsterfelyke eerekroon; ja men sprak van Romen niet anders als de Grieken van Athenen, even als of de konstgodes daar haar zetel gevest had; waar door men dagelyks zag uit alle oorden konstenaars daar na toe vloeyen; waar door onze VAN DYK mee den reislust in 't hooft kreeg, daar hem zyn meester mede toe aanzette, en voortstuwde; om inzonderheit de konst van Titiaan tot Romen en Venetien te gaan zien: Dog men verhaalt dat hy dezen raad van Rubbens verdacht hield; even als of hy 't maar deed om hem van honk te helpen, op dat de stralen van zyn ryzende zon, zyn licht niet zouden benevelen. Het zy daar mee zoo 't wil: verscheiden stalen hebben ons egter doen zien dat Rubbens VAN DYK oprecht bemint heeft. De reis ging egter aan, en de Heer Nani was een der genen die hem op den wegh naar Rome verzelde. Doch de uitreis duurde zo lang niet als zy zig wel hadden voorgestelt, vermits de pest in verscheiden Italiaansche steden in dien tyd merkelyk toenam. Echter was hy daar zoo lang dat, toen M 4 Schouburgh der 184 hy weder te rug kwam, men aan de behandeling van zyn naakt wel zien konde dat hy de penceelkonst van den grooten Titiaan wel doortuurt had. Want men zag van dien tyd aan, meer een peerlo moeragtige tederheit in zyn naakt doorspelen als wel voorhenen. Naar dat hy zig in Vrankryk dan een lange wyl had opgehouden, zonder nochtans veel voordeel te doen, is hy weder te rug naar Antwerpen gekomen, daar hy welkom was, inzonderheit by zyn Meester Rubbens, die (zoo de vertel ling anders waar is) hem onder genoegzame verstaanbare omstandigheden zyn Doch ter aanbood, 't geen hy op een beleefde wyze van de hand wècs, on der voorwending dat hy van voornemen was de Room sche reys noch eens weder te hervatten. Maar dit was (gelyk men gemeenlyk in zulken geval zeit) de Bootschap niet, maar dit; Dat hy een algemeene liefde voor het mocderlyke beeld hadde, en zyne geneigtheit tot geen een of enkel voorwerp bepalen konde: hoewel hy naderhand noch in Engeland getrout is geweest Het eerste groot stuk dat hy maakte, na dat hy was van zyn reis wedergekomen, was het hoog Altaarstuk in 't Klooster van d'Augustinen t'Antwerpen, waar door zyn naam ruchtbaar werd. Doch het Goud dat hy daar voor in zyn beurs stak, kon hy gemakkelyk dragen, doordien de Broederscha, die meer van 't hebben en houden, als van geven hielden, daar vry veel op wist te vitten, en wel op 't voornaamste van 't werk, te weten 't beeld van St. Augustyn; voorgevende dat het scheen als of hy dronken zynde, agter over viel: daar VAN DYK de verwonderinge, op 't beschouwen van 't Hemelsche gezicht, door die gestalte verbeelt had. Wei⸗ Schilders en Schilderessen. 185 Weinig tyd hier naar werd hy ontboden van Frederik Hendrik Prince van Oranje, om zyn pourtret en dat van de Princes, en Zoon te schilderen; het geen hy tot hun groot genoegen uitvoerde. Wedergekeert tot Antwerpen, maakte hy een altaarstuk voor de Capucynen te Dendermonde, dat zoo wel uitviel dat het voor een van zyne beste werken geschat wierd. Daar aan volgde het stuk voor de Cordeliers, verbeeldende een dooden Kristus in den schoot van Maria. Deze drie stukken die elk op zyn schoonst geschildert, den roem van hun maker meldden; al had hy niet meer als deze stalen van zyn Konst de werelt naargelaten, waren genoeg geweest om te doen zien, dat hy de Fenix onder de Schilders van die eeuw geweest is. Straks hier op vloeide hem van alle kanten gelegentheit toe tot het schilderen van pourtretten, die zoo wonder wel gelukten, dat het scheen of hy daar toe geboren was, zulks dat de eerste luiden van aanzien hem daar om aanzochten: onder deze was Izabella Klara Eugenia, Hartogin van Brabant enz. in Nonnekleedin door hem geschildert, daar J. Vos dit vaars op maakte: Dus zietmen Izabell de hoofsche praal verdryven. Zy leit het purper om de Nonnekleeding af. Haar hoofd behaagt geen kroon, dan die van vreedeolyven. Zy kiest den palmtak voor den gouden paarelstaf. De toppen van haar Deugt gaan hooger dan de wolken. De Deugt der grooten ſtrekt een baak voor alle volken. In middels werd hy bekent by de Engelsen door 't schilderen van zyn overkonstige pourtretten. En 't leed niet lang of hy wierd door den Ridder Digby M 5 ver Schouburgh der 186 verzocht, om naar Brittannien over te schepen, gelyk hy ook deed. Deze bracht hem by Konink Karel, dien hy verscheide malen schilderde, als ook de Koninginne Henriette de Bourbon, en de Princen Karel en Jakob, voorts de meeste Lords en grooten van Engelant, waar door hem de beurs vry wat dikker opzwol als wel voor heenen. Daar by vereerde hem de Koning met de Ridderschap en een goude keten met 's Konings pourtret, omzet met diamanten; en een jaarlyks inkomen. Waar door zyn yver en lust magtig werden aangespoort. Doch het is te beklagen dat veele van zyne beste werken, die hy voor den Koning gemaakt heeft, verstrooit en verbrant zyn. 'T is waar, zyn yver en lust nam toe, terwyl zyn beurs aangroeide, maar 't leed niet lang of hy wierd door 't schoon praten van een bedrieger, die zig voor Alchimist of Goutmaker uitgaf, (daar deze mensen nogtans altyd goutzoekers zyn en blyven) zodanig betovert en misleit, dat hy een Laboratorium liet oprechten, en duizenden daar aan te koste lei zonder dat 'er eenig voordeel uit kwam; als dat hy daar door geleert was zulks niet meer te ondernemen, en klaar bevont dat zyn Schilderkonst de beste en zekerste goudmyn voor hem was. Hy die nu dagelyks aan 't Hof verkeerde, en zoo menig behaaglyk voorwerp zag, liet zyn oog vallen op de schoonste, die hy (wyl hy op geen andere wys, als door den weg van Huwlyken daar bezitter van worden konde) troude met goedkeuring van den Koning. Dit was een van de schoonste en eerste Dames van 't Hof, en van een oud adelyk geslacht uit Schotlant, Dochter van den Lord Ruten, Comte de Gorie. Maar hy had met haar niet ten Huwelik dan hare schoonheit en Adeldom. Schilders en Schilderessen. 187 Ik heb my niet genoeg konnen verwonderen als ik in Engelant zynde, zag, zoo menig pourtret met een zelve jaarmerk bestempelt: waar uit ik besluiten moet dat hy een ongemeen vaardig penceel moet gehad hebben. De meeste van de Hovelingen en grooten van dat Koninkryk zyn nevens hare vrouwen, als ook de Dames van Staat in dien tyd door hem geschildert, waar van 'er verscheiden in print uitkomen. Op Winsingdon, het Lanthuis van den Lord Warthon heb ik 32 pourtretten, waar onder 14 ten voeten uit, in een vertrek getelt, elk in 't bezonder van hem op 't heerlykst en konstigst geschildert, inzonderheit de beeltenissen der Vrouwen: waar omtrent ik heb opgemerkt, dat hy een volmaakt schoon model tot het schilderen van de handen gehad moet hebben: als mede dat hy een zeker getal uitgekipte welstandige buigingen en grepen van handen doorgaans in zyne werken gebruikt heeft; en dus een en de zelve handen aan verscheiden Beeltenissen te pas gebracht. En terwyl ik van zyne schoone en konstig gevormde handen schryf, schiet my in den zin, een gra antwoort dat hy de Koningin daar op toeschoot. Deze dan door zyn konstpenceel een en andermaal afgemaalt, vraagde hem, waarom hy hare handen, meer dan haar wezen had geflatteert; waar op hy tot antwoort gaf: Om dat ik van de zelve belooning wacht. Maar het is te beklagen dat zulk een voorlichter in de Konst zoo ontydig door de dood wierd wechgerukt. Doch wat zal ik zeg gen? Hy had zig (dus is my in Engelant door verscheiden geloofwaardige menschen verhaalt) aan de vlam van Kupidoos fakkel gezengt, en de Hulpmeesters, om dien brand te koelen, hadden zyn Schouburgh der 188 zyn levensvuur met een uitgeblust, zoo dat 'er geen verwarmen aan hem was. Koning Karel, die een groote zucht voor hem had, beval aan zyn geneesheer, geen kosten ontrent hem t'ontzien, maar alles wat helpen konde in 't werk te stellen, met belofte van aan hem 300 Guinea's voor zyn herstelling ten geschenk te zullen geven. Dees deed dan een Rund keelen, de ingewanden in aller haast daar uittrekken, en hem (latende maar een weinig opening tot ademscheppen) daar naakt in naaijen, om zyn bloed te verwarmen, en de levensgeesten te doen opwakkeren: Maar 't was te vergeefs; hy leefde daar na noch maar een korten tyd, en stierf in 't jaar 1641, en werd in de Kerk van St. Paulus te Londen begraven. Alle de genen, die men wel wenste dat lang leef den, om dat zy nut geven, zullen veeltyts vroeg sterven: en de genen, die nergens goet toe zyn, leven 't langst, zeit Gratiaan. JODOCUS DE MOMPER, nevens andere van zyne Konst- en tydgenooten, wier levens begin en eind ons onbekent is, hebben wy agter van Dyk geplaatst, aan wien zy dank verschuldigt blyven, voor dat hy hunne gedachtenissen door zyn Fenikspenceel heeft vereeuwicht. K. van Mander gedenkt aan de Momper in zyn Boek op p. 208 aldus; Noch is t'Antwerpen een Joos DE MOMPER, die uitnement is in Lantschappen, hebbende een geestige handeling. Zyn penceelwerken by allen Konstschilderen bekent, geven te kennen dat hy een braaf meester in dien tyd is geweest. Zyn becltenis is door den grooten van Dyk met eygen hand op 't koper geétst. Zoo ook de Haagsche pourtretschilder JOHAN NESVAN RAVESTEYN, en KORNELIS DE VOS Schilders en Schilderessen. 189 VOS van Hulst, aan wiens vaste wezens trekken wel te zien is dat hy een schrander vernust is geweest. ADAM DE KOSTER. DANIEL MYTENS, die volgens zeggen van Korn. de Bie een Hollander is geweest, en vele aanzienlyke luiden met roem heeft geschildert; aangezien hy een vleezige en vleyende wyze van schilderen had. ARTUS WOLFART Antwerpenaar: Die niet alleen berucht is door 't schilderen van zedebeelden, maar ook Fabelen en potzeryen. En THEODORUS VAN LOON van Leuven, die aan de behandelinge van zyne kloeke beelden, genoegzaam deed blyken dat hy Rome gezien had. Met dezen Kunstschilder zullen wy deze Eeuw sluiten. Dus gaan de Eeuwen en te gelyk de Jaren van 's Menschen leeven voor by, en die, welke zig d'een na d'ander levendig op den Schouburg lieten zien, zyn thans als achter de Toneelgordyn begraven. Op de spelling van dit woort word ik indachtig zeker bericht daar myne bedenkingen al voor lang van zwanger gingen, belangende het begraven der doode lyken, en de verschillige behandelingen welke d'ouden daar omtrent gebruikten; aangezien dat ik van tyd tot tyd opgemerkt heb, dat de Konstschilders daar ontrent door onkunde dikwils misslagen begaan hebben; en veel meer ontrent der Joden als der Heidenen oulingze gebruiken. Want door dien de voornaamste lyken der Grieken en Romeinen met groote pompe verbrant wierden, en eenen breeden omslag met zig sleepten, zoo hebben hunne tydschryvers, inzonderheit Hero 190 Schouburgh der rodianus het zelve niet alleen met alle omstandigheit geboekt, maar is ook de gedachtenisse daar van levendig gehouden door de bestempelingen van dien toestel op de Keizerlyke muntstukken. Hierom willen wy ons tot de Hebrceuwen (waar ontrent het wat stilder in zyn werk gegaan heeft, en dus de Schryvers zoo niet in 't oog geloopen hebben) wenden. Onze pen thans vlot zal tot in Egipten uitweiden, om den oorspronk der wyze hunner lykbestellingen na te sporen. Leerbegerige jeugt, de Konstschool van Pictura gewyd, laat dit u tot geen last strekken. Al 't geen dat nut geeft, moet een leerling niet verdrieten. De lichamen der afgestorvenen in speceryen geleit werden met een (Sindon) wit laken omwonden, en met windels of zwachtels omwoelt van den hoofde tot de voeten, uitgezondert het hooft, 't geen met een byzonderen doek bedekt werd. Dit word van Herodoot bevestigt, daar hy sprekende van d'Egiptenaren zeit: Als zy den dooden gewaſſchen hebben, bewinden zy zyn ganſche lichaam in een linne Sindon, met afgesneden windels. Gelyk de Joden ook voor gewoonte hebben, zeit de Euangelist Joh. in zyn 19 Hooftstuk, 't geen nader in t 11 Hooftst. bevestigt word daar de Text van Lazarus zeit. En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken. Gelyk wy 't dus ook in de groote Bybelsche figuuren, die door den Heere vander Mark staan uitgegeven te worden, hebben vertoont. De Prince Radzivil die Egipten bereist, de Grafsteden met opmerkinge bezig g heeft, en by de lyken Schilders en Schilderessen. 191 lyken kleene gevormde beeldekens ontdekt heeft, zeit van de zelve: Die beelden zyn van kley of potaarde, hemelsblaauw of roodagtich van koleur ter groote van een vinger, de gedaante van een Kint met zwachtels omwonden, met lettermerken beſtempelt. Gelyk nu die Beeltjes zyn, zoo zyn ook de lichamen met linnedoeken omwonden. Kircherus noemt verscheiden soort van dusdanige gebakerde poppen: de groote die onder de draas bare huisgoden getelt worden, werden van de Egiptenaars Serapes genoemt. Deze (zegt hy) dat zonder zienlyke armen en beenen, handen of voeten, maar gans in windelen omwonden en bedekt waren, en men gelooft dat het de zelve waren welke de Hebreen Teraphim noemden; hoedanige Rachel haar Vader Laban ontstal. Zie Gen: 31. Een kleinder zoort was 'er welke de Priesters aan hun hals, en in hun gordels droegen; en noch een bysoort; welke d'Egiptenaren gewoon waren in de windzelen der Mumyen te naajen. Zommige van die hadden een vrouwen aangezicht, andere hadden de gedaante van kinderen, dog 't hooft altyd overkapt, gelyk wy straks vertoonen zullen, gevolgt naar de printverbeelding die W. Goeree, in zyne Mosaize Histori der Hebr. Kerke 't II D. p. 556. doet zien. En om hier van noch klaarder beduit te geven, zeit Byneus in het XX Hoofdst. van zyn gekruisten Christus, niet alleen, dat de doode lichamen der Egiptenaren en Hebreen van den hals tot de voeten toe met windelen omzwachtelt wierden, zoo dat de armen langs het lichaam onder het zelve lagen, maar hy doet ook een printverbeelding uit Chiffletius (gevolgt naar een out marmerstuk van Rome gebragt, daar P. P. Rubbens bezitter af was) zien, verbeeldende een gebakert Kint. 192 Schouburgh der Kint. Waar van wy het namaaksel, nevens een omzwachtelt Lyk- of Grafbeeltje in Plaat alhier vertoonen; om met een aan te duiden de tweederhande wyze van omzwagtelen by d'Egiptenaren en Joden gebruikt. Dus stelt ook de Griekse Schryver Artemidorus een gelykheit tusschen gebakerde Kinderen, en de lichamen van de dooden met windelen omwonden, wanneer hy zeit: Dat te dromen van kinderen in de luyeren gewonden aan een zieken betekent dat hy zal ſterven, en geeft 'er deze reden van: om dat ook de Dooden in gescheurde doeken gewonden worden, gelyk de kinderen enz. Overzulks hebben wy klaar genoeg aangeduid voor de leerbegeerige schilderjeugt (om alle misslagen diesaangaande te vermeiden) dat de oude Egiptenaars en Hebreers hunne dooden in lywaat gelecht en omzwachtelt hebben wanneer zy die in 't graf leiden. De Grieken daar en tegen lieten hun doode lyken door vuur verbranden: doch dit was zoo algemeen niet in gebruik, Schilders en Schilderessen. 193 bruik, dat geen stalen tot het tegendeel zouden konnen aangetoont worden, waar by blykt, dat vele derzelve ook wierden ter aarde bestelt. Homerus, wanneer hy zingt van Patroclus Lyk, gebruikt deze woorden: zy hebben hem bedekt met fyn lynwaat van den hoofde tot de voeten enz. Doch dit onderscheit is'er in op te speuren, dat'er van geene omzwachtelinge gemelt wort. Dus is het doen der zulken te berispen die het waardige lichaam van den Heere Kristus verbeelden op die wyze dat het naakt op een laken, of, dat noch arger is, zonder het zelve behulp by de beenen en armen getorst in 't graf ge leit wort. Geen minder misſlagen zyn'er begaan in de ver beeldingen van het kruis. d'Oude Konstschilders hebben hier in grootelyks gedoolt, en vele door hun voorgaan verleit, hebbende zig de minste bemoeit om het ware gebruik na te sporen. Aan gezien dan dat zulks te verbcelden noch dikwils den Konstschilders voorkomt, en wy door leeslust gespoort de waarheit daar van ontdekt hebben, willen wy onzen Konstgenoten die ook meedeelen. De kruissen hebben gehad een regt opgaande hout en een dwarshout, daar het opstaande hout met den top uitstak, nevens een middelhout of uitstek waar op de Leider zat, de beenen weder zyds afhangende, wanneer hy door handen en voeten met nagels aan het zelve vast geklonken wierd. Dit bevesticht Irenaeus, daar hy zeit Het kruis heeft vyf einden, twee in de lengte, en twee in de breete en een in het midden, op welke die met spykers vastgehecht wort, rust. En Tertullianus noemt die paal, welke in 't midden van het opstaande kruishout was, zeer nadrukkelyk SediI. DEEL. lis Schouburgh der 194 lis excessum. Dat is: Den uitstek van de zitbank En die middelste uitstek of zitbank, was aan de kruissen nootzakelyk; eerst op dat de lichamen niet straks van de kruissen vielen, welk zou (gelyk Ant: Byneus wel aanmerkt) geschiet zyn binnen korten tyd, wanneer de leden beginnende te verrotten, en de wonden in de handen verder open te ſcheuren, de zwaarheit van het Lichaam geduurig na beneden zakkende, het zelve zou doen ter neder storten; tegen het oogwit en gebruik der Romeinen, die de lichamen aan de kruissen lieten hangen, tot dat zy door de vogelen gegeeten, of door de lucht verteerd wierden. Ten tweede diende deze uitstek, op dat de gene die gekruisigt zoude worden, aan het kruis mochte worden gehangen, wanneer 't zelve opgerecht stont, en niet op d'aarde leggende eerst aangenagelt, en daar na met het zelve opgerecht; gelyk't de Konstschilders van oudts af dus hebben verbeelt. verleid zynde door een verkeerd begryp welk zy van de kruissen gehad hebben. Door nasporing heeft men ontdekt dat de kruissen zoo hoog niet geweest zyn, als men dezelve veeltyts verbeelt ziet, 't is zeker dat deze doling haaren oorspronk heeft genomen uit de eerste verbeelding die anderen (zonder nazoek) slegts hebben gevolgt. Gelykmen ook ziet dat de schilders hooge ladders bedacht hebben, wanneer zy de afneminge Kristus van 't kruis wilden verbeelden Uit die zelve dwaling komt het ook dat Rubbens en anderen den krygsknegt die de zyde van Christus doorstak te paart zittende verbeelt hebben; aangezien zy niet kosten goed maken, dat een sol daat uit de Roomsche voetbende dit zouw hebben kon Schilders en Schilderessen. 195 konnen verrichten met een lans, of korte worpspies. Eindelyk ten bewys dat de kruissen niet hoog uit den gront gestaan hebben, heeft men maar agt te geven op 't geen Petronius, en andere daar omtrent hebben geboekt, namelyk, dat de gekruisigden door krygsknechten bewaart wierden op datze niet van de kruissen zouden worden genomen, niet alleen terwylze noch leefden, maar ook na hun dood. De Soldaat die de kruissen bewaarde (wort'er gezegt) op dat niemant de Lichamen daar van aftrekken zou om te begraven. En by Plutar chus in 't leven van Cleomenes, weinig dagen daar na hebben die genen die het gekruiste lichaam van Cleomenes bewaarden enz. 'T is waar dat de Roomsche Stedehouders zig in dit opzigt hebben gevoegt naar der Joden gewoonten, en toegestaan, (verzocht zynde) dat de lichamen der gekruissigden voor den ondergang der zonne afgenomen en begraven wierden, in welk opzicht Ulpianus zeit: dat de lichamen van de genen die ter dood veroordeeld worden, aan hun Vrienden niet geweigert worden; ingevolge van het beleefde antwoord van Diocletiaan en Maximian: Obnoxios criminum digno supplicio enz. dat is: wy verbieden niet dat de schuldige behoorlyk gestraft zynde begraven worden. Doch dit maakt niet dat de kruissen niet altyd op dezelve wyzen als van oudts hebben geweest. Daarenboven wanneermen agt geeft, dat de veroordeelden hun kruis moesten dragen of torschen naar de gerigtsplaats, gelyk dus van de Evangelisten in opzicht van de Heere Jesus is geboekt, zoo is klaar genoeg te besluiten dat de kruissen van zulke hoogten en zwaarten niet zyn geweest als vele Schilders hebben verbeelt, maar zoo datze van N 2 een Schouburgh der 196 cen mensch konden voortgesleept of gedragen worden. Eindelyk bespeurtmen ook doorgaans een grove vergissinge in de wyze van het kruis te dragen, alsmen ziet dat het kruis met deszelfs dwarshout, op en neer staande op den schouder wort getorst, daar blykt dat de misdadigen met de armen langs het dwarshout uitgestrekt, en de handen aan de einden van 't zelve vast gebonden, het lange hout met hun rug of schouders onderschorende droegen: even als de Patibulum, of Furca werd gedragen, waar van Plautus zeit: Dispessis mani bus patibulum cum habebis. Dat is: Alsgy in ux uitgestrekte handen, een * Patibulum zult hebben. waar van wy de gedaante, als ook de wyze hoe de kruissen gedragen wierden, hebben vertoont in het meergemelde boek van den gekruisten Kristus. Ook is 't een misslag alsmen Kristus, en Simon van Cereenen te zamen het kruis dragende, verbeelt; te meer als men ziet dat Kristus het bovenste en Simon het agterste, of onderste end van 't kruis torst, aangezien dat zulks niet kon diener om dien last te verlichten maar om den voorsten drager daar door te bezwaren; daar de toeleg van de Krygsknechten was om den Heere Kristus, die het kruis dus veer door Jerusalem alleen getorst had, en door zwakheit, en door de zwaarte daar onder scheen te bezwyken, daar in te verlichten, of daar van 't ontheffen. Dus zyn oulings Origenes, Athanasius, Augustinus; en later Claudius Salmasius, Gerardus Johannis Vossius, en meci andere Dit was een recht hout met twee schuins opgaande dwarshouten, als de letter Y. dog het neergaande hout was langer. Schilders en Schildereſſen. 197 andere van gedagten, gelyk zy ook uit de omstandigheid, en reden hebben beweert dat Kristus eerst, en Simon daar na alleen het kruis heeft gedragen; 't geen ook duidelyk uit den text blykbaar is; want by geen van de Evangelisten wort gezeit dat Simon dien last heeft helpen onderschoren of dragen: maar wel nadrukkelyk by Lukas: Datze het kruis op hem (te weten Simon) leiden, dat hy het agter Jesus droeg. Waarom wy 't ook dus hebben verbeelt in de Bybelsche Tafereelen die eerstdaags staan in 't licht te komen, door den Heere Hend. vander Mark Heere van de Leur. Iemant zal licht zeggen: de Evangelisten melden niet dat Kristus op dusdanige wyze (als ik aangetoont heb uit Plautus) het kruis gedragen heeft. Dit zy zoo; maar aangezien Kristus na de gebruikelyke wys gekruissigt is, zoo is het ook bedenkelyk dat hy ook naar de gebruikelyke wyze het kruis getorst heeft. De Evangelisten vermelden ook niet, dat boven de Moordenaars, die met Kristus gekruist werden, hunne beschuldiging geschreven stont: en nochtans is dit een waarheit; die ontegenzeggelyk is; om dat het dus de gewoonte was, en van velen is beweert. Een duidelyke plaats uit den Grieksen Schryver Dio vertaalt, bevestigt dit gezegde, waar in verhaalt word dat de Zoon van Caepio een slaaf heeft laten kruissigen, en daar by gezegt, met een opschrift. te kennen gevende de oorzaak waarom hy gedood wierd. Wil dan een Konstschilder ymant ter straffe geleit op zyn Tafereel verbeelden, hy doet een krygsknecht een bordeken met het opschrift den beschuldiginge voor uit dragen, op dat het van yder N 3 198 Schouburg der yder gelezen en gezien worde, aangezien het dus in dien tyd (zelf ontrent andere wyze van doodstraffen) de gewoonte was. Dus leestmen by Eusebius, dat de Martelaar Attalus eerst in de Schouburg onder al het volk ront geleit, en een bordeken voor hem gedragen wierd, waar op in het Latyn geschreven was: Deze is Attalus de Kristen. Daar en boven werd de beschuldiging zomwylen door den Tyteldrager voor het volk uitgeroepen. Eer wy onze tusschenrede eindigen moeten wy nog iets tot onderricht, hier voegelyker als el ders, omtrent de Grafteikenen der oudtydze volkeren melden. De onderzoekers der outheit beweeren (zeit Korn. van Alkemade in zyn bericht ontrent de Lykbegravenissen der oude volken) dat d'eerste Tombe of Grafteeken geweest is die van Rachel, daar van wy in't 35 Hooftst. van 't Boek der Schepp. leezen. Jakob richte een gedenkteken op boven haar Graf. Dit gedenkteken is geweest volgens de getuige nis van Bochart, een verheven pyramide of grafnaalt, rustende met den voetstut op twaalf steenen, naar 't getal van Israels zoonen. W. Goeree doet ons twee byzondere afschetzingen daar van zien in het I Deel van zyn Mosaize Outheden, doch ik derf die mynen Konstgenoten niet voor egte af beeldingen aanpryzen; alzoo min als de penningbeelden van Gideon, Jephta, Barak, Debora, Hagar, Ismael, Judas den verrader enz. in de Werelt en Kerkhistorien. De oude Hebreen tot op den tyd van Kristus, en noch lang daar na maakten hunne Grafsteden buiten de Steden in steena ge gronden, en steen rotzen Schilders en Schilde ressen. 19 rotzen, waar van Alkemade deze rede geest: Dan, nademaal het menschelyk vernuft nog geen doodvaten, of kisten had uitgevonden, zoo waren de lyken onderworpen om van het gedierte, in de aarde levende, en voor al van de wormen geschonden en verteert te worden. Om welk voor te komen hebbenze in plaats van de zelve onder de aarde te verbergen, uitgevonden zekere uitgeholde plaatsen in Bergen en Steenrotzen, alwaar de lyken het gewormte minder onderworpen zyn. En om de lichamen te meer voor het bederf te verzekeren, hebbenze daar en boven uitgevonden en gebruikt ſterkruikende kruiden, speceryen en olyen &c. Zie zyn Boek van 't Ceremonieel der Begravenissen p. 33. 't geen my doet besluiten dat der Joden Grafsteden weinig uiterlyke versieringen gehad hebben. Alleen word getuigt van de Joden in later tyd, als ook van d'eerste Kristenen, dat zy de welfsels, en wanden der ingangen tot den Grafkelder of Grafsteden, met beeltenissen, en zinnebeelden van de sterffelykheit deden beschilderen: wel te verstaan, door bloe men, loof en dergelyk verbeelt; want de Joden vermochten niet eenig afbeeltzel van levendige ſchepzelen af te malen. De graven van min vermogenden werden jaarlyks schoon gemaakt, en de ingang en 't wulfsel gewit met kalk, gelyk by ons de muuren in de huizen, waarom zy de zelve noemden Sepulchra dealbata, geschilderde Graven. Deze Grafplaatsen waren gemeenlyk overwelft, zes ellen diep, en vier ellen breed, en daar in acht of meer uitgehakte holten of Cellekens, om de dooden in te ggen, welke onderscheide holten met een steen gesloten werden. Den Grafkelder of verwelfde spelonk noemden de Hebreen Magnara, de byzondere N 4 Schouburgh der 200 dere Graven Cucim, en den steen, die de mont van het Graf sluit Golel, Wentelsteen. Ook hadden de Joden voor gewoonten dat zy boven hunne Grafsteden, dus of dergelyk dede schryven: Dat de ziele ga in den Hof van Eden, amen. Of in het bundelke der levendigen. Sela. Deze gewoonten is oud en al by de Trojanen in gebruik geweest als uit het zeggen van Homerus blykt, 't geen dus vertaalt word: Op dat uwe broeders en medegezellen u bestellen ten grave, en met een grafschrift vereeren: dewyl dit het loon is der stervenden. Dit is overgegaan tot de Kristenen in alle landen en koninkryken en blyft noch in gebruik, inzonderheit ontrent mannen die om hunne dappere bedryven zulks hebben verdient. Onder alle aan de geletterde waerelt voldoende Grafschriften (zeit Alkemade) munt om zyn kortheit en allerkragtig ste uitdruksels, boven andere uit, dat van den Rotterdamschen Zeehelt Egbert Meesze Kortenaar, die voor 't Vaderlant vechtende, op 't bedde van eer gestorven is, staande op zyn Tombe, enz. Dit schreef den groote Historyschryver en Dichter Gerard Brand aldus luidende: De Held der Maas, verminkt aan oog en rechterhand, En egter 't oog van't Roer, de vuist van't Vaderland, De groote KORTENAAR, de schrik van 's Vyands Vlooten, D'ontsluiter van de Zont, legt in dit Graf beslooten. Inzonderheit geschiet dit (als ik gezegt heb) aan die om hun dappere bedryven zulks hebben verdient, en voor menschen daar iet zeltzaam van gezegt kan worden, als by voorbeelt dat een man drie Leu Schilders en Schilderessen. 201 Ecuwen gezien heeft, gelyk zulks John Bailes gebeurt is, op wiens Graf ik te Northampton in Engeland dus vond geschreven: Here under lyeth JOHN BAILES, Born in this towne; He was above 126 years Old, and had his hearing, and sight, and memory to the last. He lived in III Centurys, and was Buried the XIV of April 1706. Dat is: Hier onder leit Johan Bailes geboren in dit Dorp; hy was boven de 126 jaren oud, heeft drie Eeuwen beleeft, en had zyn gezicht gehoor en geheugen tot het laatste van zyn leven. Hy werd begraven den 14 van Grasmaand 1706. De Grieken waren zoo overprachtig in 't bouwen van hun grafsteden en tomben, dat de Richters van Athenen daar een wet tegens maakten. De Romeinen bouden elk naar zynen staat een Tombe, van welke Georgius Fabricius de menigvuldige sieraden beschryft. Ook plachten de Grieken hunne graven te versieren met de kenteekenen van des overledens konst en oeffening: als blykt aan 't graf van den vermaarden Archimedes versiert met een Spheer en Cylinder volgens de getuigenis van Cicero. By Homerus bid Elpenor aan Ulysses, dat hy zyn graf vereere met een scheepsriem. En Virgilius zingt van de lykpragt van den Trompetter Misenus: At pius Aeneas ingenti mole sepulcrum Imponit, &c. Dat Schouburgh der 202 Dat door Vondel dus vertaalt is: . Maar dees Godvrugte Vorst Eneas bouwde voort Den man een heerlyk graf, hangt 's mans Trompet en Wapen En Gordel aan den berg Dus kan een weetlustige vele oudtydsche gebruiken opspeuren, welke de Historische ver beeldingen groot sieraat byzetten. Maar schynen dusdanige voorwerpen een wakker konstschilder wat te gering om 'er acht op te geven: wel aan, dat hy verbeelde de beruchte Koningin Artemisia in 't midden van hare pragtig uitgestreeken Hofstoet. in weduwegewaad, met een goude kelk, of schaal in hare hand, gereed om de gemengde Lykas van Mausolus (een zeltzaam voorbeelt van vrouweliefde) in te drinken; om zelf een Tombe te verstrekken tot haar mans gedachtenis: en vertoone in 't verschiet de overprachtige Grasstee, geschat voor een van 's Waerelts wonderen, Mau soleum genoemt, en speur de Bouwgestalt na van dat groot gevaart uit d'oudste schryvers. Of vertoone de begravenis van een Egiptischen Koning, en de prachtige uitvaart naar zyn Graf, verzelt met een groote Lykstatie, Fluit- en Ratelspel, en menigte van Fakkellichten, terwyl de Priesters op het aankomen vast reukwerk en gebeden offeren aan de Zon, op den kruin * van zyne hemelhoog opgemetselde yramide, in de valeien van Memfis. On* Aangezien dat reyzigers van zommige pyramiden of grafnaalden een trapswyzen opgang van buiten hebben ontdekt, en op den kruin een breede oppervlakte, is de geleer Schilders en Schilderessen. 203 Omtrent de vertooningen der Bybelsche Historien behoorde een konstschilder zig min, als omtrent de Heidensche te vergissen; aangezien dat zy doorgaans maar eenen schryver daar in hebben te volgen, daar en tegen heeft men tot de Heidensche Historien en tytgevallen zomwylen verscheide schryvers welke een en dezelve gebeurtenissen verschelig geboekt hebben, waar ontrent de geloofbaarste dienen gevolgt te worden om 't minst te doolen. Maar wel meest zal een konstschilder het spoor der waarheit misloopen, wanneer hy de Dichters daar ontrent navolgt; aangezien dat die de vryheit nemen van doorgaans de zaken te schikken naar hun oogwit, en zoo als het hun in hun kraam best en sierlykst te pas komt om het oor van hun lezers te vleyen, zonder zig eens te bekreunen of zy de waarheit of hunne eigen verdichtzelen volgen, als by voorbeelt. Herodotus verhaalt dat Cyrus in een veltslag tegens Tomiris Koningin van Schytien omkwam, dat leerde Spencer zedert van gedachten geweest, dat deze groote gevaarten, verstrekt hebben tot gewelde hoogten en het oppervlak voor een Altaar, waar op de Priesters oudtyds offerden; om dus nader by de Zon, die zy voor haar God eerden te zyn: en tot Grafsteden der Koningen. Isouf (schryft de Turksche Spion) heeft binnen een dezer groote gevaarten geweest, en gevonden in het midden een groot vierkant vertrek, welkers muuren van Thebaisch marmer gemaakt waren, en in het zelve een kist van denzelven steen. Buiten twyffel (zeit hy) had het lichaam van den stichter daar in geleegen. Diodorus Siculus Lib. 1 Cap. 5. geeft van de ledigheit dier Grafsteeden deze rede: De minste van de lyken der Egiptische Koningen in die Pyramiden of Grafnaalden gelegt, zyn daar in gebleeven; want het volk werd door 't bouwen derzelve zoodanig belast en verbittert, dat zy de doode lyken der Koningen daar uit wierpen; waarom zommige Egiptische Koningen zig heimelyk in onbekende plaatsen lieten begraven. Schouburgh der 204 dat zy hem onder de Dooden liet opzoeken, den kop afslaan en den zelve in een lederen zak met Schytisch bloed gevult steken, zeggende: Bloedhoni gy hebt myn Zoon en Volk met * list overrompelt en vermoort; zuip nu zoo veel bloed als gy kont. Welk ook de groote Rubbens dus (alleen met in stee van een ledere zak een koper bekken of koelvat met bloed te vertoonen) verbeelt heeft. Maar die den Franschen Tooneeldichter Monsr. Quinault in zyn Treurspel van Cyrus volgt, zal hem verbeelden daar hy van Tomiris in den veltslag gevan gen gekregen, zig zelven door drie steken in zyn grootmoedige borst, met een degen den wachters ontweldigt, om 't leven helpt, om dus het strafschavot, reeds voor de legertent van Tomiris op gerecht, te ontgaan. Welk wy ook (niet by vergissing, maar om zyn vertaalde Treurspel door W. den Elger, te sieren) op gelyke wys hebben vertoont. Fontenelle (en hier mee maken wy een einde van onze tusschenreede) zinspelende in zyne t'zamenspraak der Dooden, op de vryheit die de Dichters zig toematigen, merkt aan dat Virgyl Eneas met Dido paart die 300 Jaren na hem eerst ter waerelt kwam: doch laat zulk doen door den sprekenden Geest van Stratonica spotswyze aldus tegens Dido verdedigen: Hy was weduwenaar, gy weduw. beide zyt gy genootzaakt geweest uw Vaderlant te ver* List] Cyrus deed een menigte vaten met wyn vullen, en week af als was hy bevreest voor de veldmacht van Tomiris, en liet die in zyn Legerplaats leggen. De Schyten die hem vervolgden, dien drank ongewoon, slobberden daar zoo rykelyk van dat zy beschonken gins en herwaards neervielen, en in slaap raakten, waar op het leger van Cyrus zig in allereyl wendde, en de Schyten dootsloeg. Schilders en Schilderessen. 205 verlaten: beide zogt gy uw geluk in vremde Landen; dat zyn zaken die veel overeenkomst met malkander hebben. Het is waar dat gy drie hondert jaren naa hem ter waerelt zyt gebragt: maar Virgyl heeft zoo veel reden gehad om u met malkander te voegen, dat hy oordeelde, dat die 300 Jaren, welke u van den anderen ſcheyden, geen zaak van aanbelang was. Maar De konsten staan aan eeuw noch tyd gebonden: Vernuften gaan en komen op hun tyd: zeit de Prins der Nederduitsche Dichteren. Dit passen wy tot een voorbereidsel toe op den beroemden JAN LIS, anders Pan, konstig schilder van Beelden en Historien; heel en half levens groot Oldenborg zyne geboorteplaats heeft zyns gelyken voor hem, noch na hem in de konst voortge bragt. Naar dat hy den grond tot opbouw der konst geleit had (by wien in die landstreek weet ik niet) kwam hy afzakken naar Nederlant en begaf zich by Hendrik Goltzius, welks wyze van schilderen hy uitkeurde onder anderen tot zyn voorwerp, en kwam in korte jaren door vlyt en naarstigheit zoo veer dat hy verscheide stukken zoo tot Haerlem als t'Amsterdam heeft gemaakt, zoo gelyk naar de handeling van zynen meester zwemende, datmen ze daar voor zoude aangezien hebben. Daar na vertrok hy naar Parys, Venetien en Ro men, daar hy een andere wyze van schilderen aanving die hem gelukte. Hy betuigde groote agtinge te hebben voor de Antike wyze, maar hy begreep met een, zoo hy daar geheel op wilde toeleggen, dat hy dan van ro⸗ 206 Schouburgh der voren af, aan zoude moeten beginnen. Waarom hy niet lang te Romen bleef maar weder naar Venetien vertrok, 't geen toenmaals de Bloem der konst van Paul, Veronees, Tintoret, Titiaan inzonderheit del Fetti bezat, om zig daar met vlyt en oplettentheit naar te oeffenen. Onderwylen schilderde hy in de Kerk Alli Tolentini te Venetien Hieronimus levensgroot, daar hy in de Woestyn met een pen in de hand zit te schryven, en nevens hem een Engel die op een Bazuin blaast, naar welken de Grysaart zyn hooft omwend; als ook een Adam en Eva, daar zy de dood van Habel beschreyen; in welke wezens hy daar bene vens een verwonderlyke verbaastheid (dewyl zy de eerstemaal een dood mensch zagen) had geschildert. Deze en andere stukken verspreiden zyn roem alom, zulks hy voornemens wierd de faam te vervolgen; trok naar Nederlant, en maakte daar verscheiden stukken zoo van Historien als vrolyke gezelschappen, daarmen de zang-en speelkonst oeffent, zynde de beelden op de Venetiaansche wyze gekleed. Maar hy bleef daar niet vele jaren, zoo om dat hy 'er niet kon aarden, als om dat hy de hulp van d'Academie miste; dus trok hy weder naar Venetien daar hy bleef. Onder zyne stukken word inzonderheit geroemt de val van * Faeton om de geestige buitelinge en de Faëton was de Zoon van de Zon of Apol, en de NimKlymene, volgens schryven van Naso. Maar Pausanias er Hesiodus noemen hem den Zoon van Cefalus, en Aurora. Van zyn dwaze begeerte, en treurigen uitslag van dezelve zingt de brave Dichter L. Rotgans, in zyn Zedelessen uit de oude verdichtzelen aldus: Klimenes zoon ontrust door Epafus verwyt, Bezoekt zyn Vader in t Paleis der Zonnestralen, Schilders en Schilderessen 207 de konstig geschilderde Waternimffen, die daar over met verbaastheit opzien. In dit stuk zyn de beelden ontrent drie spannen groot, gelyk ook dat was 't geen ik by den Heere Gerard van Hoogeveen tot Leyden gezien heb, verbeeldende de Historie van den verloren Zoon, 't geen braaf geschildert dog meer op de Moderne wyze gekleed is als hy gewoonlyk deed; want hy anders d'Antyke en Moderne wyze van kleedingen heel bevallig wist door malkander te mengelen. De konstlievende Heer Siewert vander Schelling heeft een veel gelukkiger keur gedaan: (wel te oordeelen zeit de spreuk is een konst die al de waerelt niet verstaat.) en een stuk van Jan Lis in zyn konstvertrek dat zoo heerlyk geteekent, kragtig en teer geschildert is, als of Rubbens en van Dyk t'zamen de hand daar in En klaagt dat anderen op zyn gehoorte smaalen. Betuigme, zegt hy, Godt, dat gy myn Vader zyt: Vergun my eenen eisch, dien ik u voor zal draagen. Apollo stemt zyn beë. Vermeetle Faëton Verzoekt, ter kwader uur, de paarden van de Zon Te mennen eenen dag, en stygt op, Febus wagen; Schoon 't woord dien Godt berouwt om t dreigende gevaar: Hier volgt hy 't Zonnespoor hovaardig en vermetel Maar smoort in 't schuimend zout, geklonken van den Zetel Door blixemschichten van Jupyn den donderaar. Maar volmaakter afbeelding van Faëton is te vinden in het Treurspel van dien naam by den grooten Agrippiner, waar aan Antonides gedenkt in zyn Lykdicht: Vermetle Faëton, ten Zonnewagen of Gestegen, en gevoert tot in des Hemels top, Roost nu het Aartryk met zyn gloeiende gareelen Smelt dan de Starren zelfs, die met verbrande keelen Om demtogt hygen, steekt den Regenhoog in brant, En zengt de Goden, tot Jupyn met felle hant Hem blixemt, daar hy uit de Zonnekoets geklonken Van boven stort, en legt in d'Eridaan verdronken. 208 Schouburgh der gehad hadden: over zulks ik hem op deze proef alleen wel derf onder de grootste meesters in de konst tellen. Hy had zig aangewent (zeit Sandrart) lang te bedenken, maar als hy van eenig werk begin had gemaakt ging hy'er spoedig mee voort. Hy was graag by geselschap, en liet zig (als het spreekwoort zeit) met een stroo binden, waar door het dikwils gebeurde dat hy twee of drie dagen en nachten agter den anderen uitbleef zonder dat men wist waar hy was, tot dat zyn beurs leeg was. Wanneer hy dan in den nacht t'huis kwam, maakte hy zyn verwe en alle toereedzelen tot zyn werk gereed eer hy zig zette om uit te rusten, of te bed te gaan: waar na hy dan met zulk een yver aanvang maak te van zyn werk, dat hy niet afhielt (schilderende zomwylen drie dagen en nachten zonder slaapen, zoo dat hy zig naau tyd gunde om te ee ten) voor dat het voltooit, of ten minsten zyn voornemen of oogwit voldaan, en hy vernoegt was. En schoon hem dikwils gezegt wierd dat zulke wyze van leven hem schadelyk, en zyne gezontheit nadeclig was, 't mocht niet helpen. Dus Sandrart hem van Venetien, en van zyn geselschap zogt af te troonen, gelyk hy hem al zoo veer had overgehaalt dat hy zyn woord had geg ven, en hem belooft te volgen naar Romen. Dit was in den Jare 1629. Maar hier mee sleurde hy zoo lang (wie kan zyn nootlot ontgaan) tot dat de pest, die toen te Venetien toenam dit voorne men belette en hem in stee van naar Rome naar de eeuwigheit deed reizen, in den bloey van zyn leven. Hy liet geen Kinderen of Weduw naar: want hy had zig gedragen naar de Italiaansche spreuk, welke op dezen zin uitkomt: Z00 209 Schilders en Schilderessen. Zoo lang men van melk voor gelt gerieft kan worden, hoeftmen geen Koey op stal te houden. En aangezien wy den regten tyd van zyn geboorte niet weten, hebben wy hem hier geplaatst; om door hem en JOAN DE HEEM, een der beruchtste Bloem en Fruitschilders, het Jaar 1600 luister by te zetten. Wy hebben ontrent het leven van zommige konstschilders aangemerkt, dat, gelyk der menschen levenstyd verdeelt wort in Lente, Zomer, en Herfst, de konst ook gelyk als van de kintsche jaren opklimt, hare hoogte heeft, en weder daalt zoo dat die mannen in de konst waren, naderhand met den ouden dag kinderen daar in wierden. Maar daar van is het tegendeel in onzen DE HEEM gebleken; wiens konstzon, na dat zy eens ten kimme was verrezen, nimmer daalde; want het is bekent dat hy tot zyn t zeventigste jaar geleeft en de konst geoeffent heeft; en echter zyn laatste penceelwerk het beste en konstigste was. Onderalle muntte uit zeker groot Tafereel gemaalt met een krans van allerhande Fruit en bloemen 't geen hy voor den konstminnende Johan vander Meer, die ook als konstschilder op zyn beurt ten Tooneel zal komen, schilderde, die hem daar voor betaalde de somme van 2000 gulden. Dezen vander Meer die een Loodwitmaken en treffelyke woning buiten Uitregt hadde, trof het ongeluk, dat de soldaten in den jare 1672 dit alles tot den gront toe verwoesten, zoo dat hy daar door in een slechten staat raakte. Dit stuk ter naauwer nood voor de woede geborgen, scheen hem de eenigste hoop te wezen tot herstelling; des hy besloot met goedkeuring van den Heer van Zuilestem I DEEL. 210 Schouburg der stein dit ten prezent te schenken aan zyn hoogheid den Prince van Oranje, naderhant Koning van Engeland, met verbeelding van eenig ampt daar door te zullen verkrygen, en des te meer, om dat de soldaten van den staat wel voornament lyk de oorzaak van zyn bederf waren geweest. Dit geschiedde. Doch hy liet voor af, om het te meer smakelyk te maken aan den Stadhouder, des-zelfs beeltenis in 't midden van gemelde fruit en Bloemkrans schilderen. Maar gelyk'er (als het spreek woort zeit) niet eerder vergeten word als wel daden, zoo verliep'er ook een geruime tyd dat de Prins aan hem niet dacht, niettegenstaande hy het zelve door voorspraken en verzoekschriften levendig hield. Anderen hebben aangemerkt dat het ster ven van den Heer van Zuilestein voor Woerden (die 't wel met hem voor had) zyn ongeluk was. Eindelyk stelde de Prins hem in de Vroedschap tot Uitregt, dat hem even zoo veel dienst doen konde als 't vyfde rad aan den wagen. De Raad van Uitregt met hem verlegen zynde, aangezien hy in zyn oogmerk miste, gaf hem het Tollenaars ampt of Controleurschap aan de Vaart anders Vreeswyk. Dit was het loon voor zoo heerlyk Konstjuweel 't geen ik niet weet waar zedert vervaren is. Verscheiden buitenlantsche Hoven hebben zyne konstwerken behaagt, en het teeken van de Ridderschap dat hy droeg is een bewys van de agtinge die zyn konst gehad heeft, tot dewelke hy (behalve de natuurdrift) geene andere leidinge gehad heeft als die van zyn Vader David Daviaze de Heem, die te gelyk met zyn Zoon in den jare 1660 noch leefde, als uit dit Rym van Korn. de Bie te speuren is, Hier 211 Schilders en Schildereffen. Hier leven twee door konst, de Zoon met zynen Vader. Beider neiging liep tot het schilderen van aller hande soort van oog-en smaakstreelende vrugten, als Druiven, Persiken, Abrikoozen, Kersen, Oranje, Sitroene en Granaatappelen. Beyde waren zy afgericht op 't nabootsen der schoone na tuur; zoo dat'er gezeit wort by gemelden de Bie: De Zoon doorploegt zoo wel, zoo zuiver en zoo wakker, Gelyk de Vader doet, Picturaas vruchtb'ren Akker. Die 't werk van Vader en van Zoon stelt by malkander, Kan geenzins onderscheit bespeuren....... Doch inzonderheit word JANDE HEEM geprezen, om dat hy het Goud en Zilver als schotelen, schalen enz. natuurlyk wist na te bootsen als of het waarlyk Goud en Zilver was. Op het een en ander ziet het volgende vaars: Wanneer DE HEEM, vol vuurs, op 't onbezielt paneel, 't Nieusgierig oogh verschalkt door streken van 't penceel. Verwondert zigh Natuur, die voor den gloet der verven, Haar Ooft, hoe glansryk ziet verbleeken en besterven. 'T is ydel datmen van den vrekken Midas rept; Hier heeft de Kunst de verf in klinkklaar goud herschept. Zyn Beeltenis staat in de Plaat K onder Ant. van Dyk, wiens beelt van de Schilderjeugt met verwonderen word aanschout. H O 2 Schouburgh der 212 Hy ontweek in den jare 1670 met zyn vier Dochters en twee Zonen den moetwil der Fransche soldaten, die kort daar aan het Sticht overstroomden naar Antwerpen, maar stierf 1674 na dat hy meer dan seventig jaren bereikt had. Beide zyn Zoonen oeffenden zig mee in de konst. Van KORNELIS die wel 't veerste gevordert was in de konst vintmen naam: maar van den anderen ziet men zelden stukken die met zyn naam gemerkt zyn, aangezien hun Vader voor gewoonte had hunne werken met zyn konstpenceel 't overloo pen of over te polysten, gelyk ook de stukken van Minjon die eenige jaren by hem woonde om de konst te leeren. Men mag hem wel mee onder de gelukkige schilders tellen. J. Sandrart verhaalt dat Tomas Keyzer t'Amsterdam hem voor twee kleine stukjes schildery aanbood de somme van 450 gulden; maar dat hy dezelve, schoon hy een vrint van hem was, niet geven wilde. Behalven Abrah. Minjon (waar van wy naderhand melden zullen) word ook de Uitrechtze HENRIK SCHOOK onder de leerlingen van JOH. DAVIDSZ. DE HEEM getelt, alschoon hy eerst Abrah. Bloemaart, en Jan Lievenze den ouden tot onderwyzers gehad heeft, en in de Historien al een wydenstap gevordert was. De lust dreef hem (wie kan zyn geneigtheit altyds paal zetten?) om eens een Bloem stuk te maken, 't geen hy aan JAN DE HEEM, aan wien hy kennis had vertoonde, die het zoo fraay keurde dat hy hem ried op dien voet voort te gaan, en zig geheel daar aan te houden, sprekende openhartig (gelyk hy dus voor alle jonge Schilders gewoon was te doen) van de Konst, en de behandelinge der zelve met een gegrond oordeel, waar 213 Schilders en Schilderessen. waar door gemelde Schook zig aan hem overgaf; te meer om dat hy bespeurde dat dit deel van de Konst hem lichter toeviel als de Historien. JOHAN PARCELLES, wiens netten geboortetyd wy mee niet weten, plaatst de Bie by Hendr. vander Borght geboren 1583. en Joh: Wildens geboren 1600, en op de lyst der Konstschilders, die wy in de beschryving van Haarlem vinden, staat hy by Pieter Molyn, Karel de Hooge, Jakob Pinas en Salomon de Bry, geboren 1597. Wy hebben het zeker voor het onzeker genomen, en hem geplaatst in 't begin van de XVI Eeuw. Jan PARCELLIS, leerling van Vroom, schilder de natuurlyk en konstig Zeeschepen, Zeestormen, en Zeestrantjes, met fraje Beeltjes. Ik heb'er van hem gezien, verbeeldende, hoe de Visschers hunne pinken over rollen op 't strant slepen; en weer daar zy met hun vracht in manden op hun schoften het Duin op torschen; maar inzonderheit steekt zyn penceelkonst uit in het natuurlyk verbeelden van Zeestormen, waar in hy de onweerwolken, die den dagh in een nacht zetten, en de geweldige bliksemstralen, die uit de t'zaamgeperste wolken doorbreken, zoo natuurlyk tegen rotzen stranden en in 't schuimende Pekel doet flikkeren, dat een Hannekemajer wel schrik zou krygen voor 't Zeewater. Hy was, meent men, van geboorte uit de Kaag een Dorp in 't Meer by Leiden. Dog de Ridder Karel de Moor heeft my verzekert dat hy tot Leiden geboren is, en tot Leyerdorp begraven. Hy had een Zoon JULIUS genaamt, die hem zoo na by in die konst kwam dat'er dikwils in gedoolt wort, te meer om dat hy mee als zyn Vader 0 3 Schouburgh der 214 Vader J. P. onder zyne stukken schreef. Onverschelig was hy, en even natuurlyk in 't verbeelden van zyne voorwerpen: 't zy hy een geplaveid strant met hooge santduinen schilder derden, daar in 't verschiet de scheepjes voor en ag ter, met malkander spelemyen. Of een stille Zee daar de Dichters Galatee in een schulp, ontvluchtende den vreesselyken Eenoog Polefemus, zonder schroom zouden durven overvoeren, of daar Eoöl door zyn geblaas de Zee beroert, en de baren aan 't woeden maakt, even als Wanneer de Tritions (als de Strantreus zwaar verbolgen Door spyt en minnesmart zyn Galateé vervolgen, In't vluchten stuiten wil, en dwingen tot zyn min) De golven klooven met hun vinnen, om haar in Dien nood te bergen, en met opzicht te verzellen: Om spoedig over Zee na 't drooge strant te snellen, Den Zeeweg vloeren voor de blonde Galateé: Dan golven golf op golf elk naar een goede ree, En ſtaap'len zig gezweept, op een tot hooge bergen Die in hun woede zelf de lucht en 't onweer tergen De Zeehulk gins en weer, gefoltert in dien drang, Maakt 't scheepsvolk angstig en het hart des stuurmans bang, Zig ziende in dezen nood geperst aan alle zyden; Nu 't stuur niet luist'ren wil om rots en klip te myden. JAN EN JAKOB PINAS van Haarlem schilderden Beelden en Lantschappen. Jan was wel 't veerste in de konst gevordert, en heeft in den jare 1605 met P. Lastman geboren 1581 verscheiden Jaren in Italien geweest om zich naar de beste voorbeelden te oessenen. Zyn penceelwerk helde 213 Schilders en Schilderessen, helde naar den bruinen kant, waarom vele geloo ven dat Rembrant hem daar in na geaapt heeft. Vondel gedenkt aan hem in zyn voorbericht voor 't spel van Josef in Dothan met deze woorden: Josefs verkooping schoot ons in den zin, door het Tafereel van Jan Pinas, hangende nevens meer konstige stukken van P. Lastman, ten huizen van Docter Robbert vander Hoeven; daar de bloedige rok den Vader vertoont wort. PIETER MOLYN zyn tyd en stadtgenoot was een fraay Lantschapschilder, helder en dun in zyn verschieten, als ook natuurlyk gloejend op de voorgronden. Nevens hem verschynt een geheel rot konst schilders, zyne tydgenooten van verscheiden oorden, dog meest Antwerpenaren ten tooneel: als Warnard van Valkert, Remigius van Rheni. Lowys de Vadder, Marten Rykaard, Andries van Artvelt, Jakob van Es. WARNARD VANDEN VALKERT is geboren tot Amsterdam, maar in wat jaar van de vyftiende eeuw, weet ik niet, maar aan een groot stuk dat ik van hem gezien heb, waar op hy met eigen hand geschreven had, dat hy het zelve had voltooit op den 10 van Herfstmaand 1623 was wel te zien, dat het van geen Jongeling gemaakt was. Wy hebben hem daarom nevens andere zyne tydgenooten, welker geboorte tyd ons niet bekent is, geplaatst. In dit stuk kwamen verscheide Pourtretten levens groot, met nog andere beelden, en zyn eigen portret boven aan. En in 't verschiet vertoonde zig St. Jan predikende in de worstyn. Dit beeltje was inzonderheit konstig geteekent en ront geschildert, gelyk ook het ander werk op de wyze van O 4 Schouburgh der 216 van Hend. Goltzius, by wien hy de konst geleert had. REMIGIUS VAN RHENI geboren te Brussel, was een groote yveraar, om na te speu ren al 't geen dienen konde om de konst een groote kragt by te zetten, en had het veer gebracht, als aan de konststukken die hy voor Henrik Graaf van Wolfegh in Duitslant gemaakt heeft, bleek. Hy heeft in 't jaar 1600 by dien Graaf gewoont op zyn slot, 't welk naderhant door de woede der Zwitzers, met al de konst is verbrant. Ook is'er in dien tyd geweest een uitstekent meester in de konst, PETER VAN LOON genaamt; doch deze had een heel andere handeling van penceel als de voorgemelde: doch was vernuftig in 't schilderen van perspectiven en gebouwen, die hy loflyk en net uitvoerde. Hy is gestorven daar hy geboren was, namelyk t'Antwerpen; maar in wat Jaar weet ik niet. LOWYS DE VADDER geboren te Brussel, was een fraay lantschapschilder en byzonder yverig in 't naspeuren van den aart, en eygenschap der boomen gronden enz. minder en meerder wy kingen, naar mate van hunnen afstant, en wat meer om een goed lantschapschilder te wezen dient in acht genomen te worden. Men zegt van hem; dat hy (eer Aurora met glans gehult 't hooft boven de kimmen stak om den komenden dag aan te kondigen) al op de been was om agt te geven hoe de nachtdampen allengkens door haren gloed verdunt zynde, de dingen zich klaarder en klaarder aan 't oog ontdekken, tot aan 't uiterste verschiet. 't geen hy met een konstig oordeel in zyn stukjes heeft waargenomen. Daar by zietmen overal in zyn werk zulke zoete spiegelingen van boomen en gron Schilders en Schilderessen. 21) gronden in de zoetvloejende beken, die hy doorgaans te pas bragt, dat zyn werk yders oog streelden. Deze had tot zyn leerling LUKAS ACHTSCHELLINKS mede van Brussel, die een goed lantschapschilder was; en zyn meesters handeling heel wel wist na te bootzen. Dat het zaad der konst, eens in een vruchtbaren stamgrond geworpen, naderhand nieuwe spranten uitschiet, is gebleken aan den lantschapschilder MARTEN RYKAARD, Broeders zoon van den ouden David Rykaards. Zyne handeling sweemde na die van Joos de Momper. Nu stelt zich voor onze oogen ANDRIES VAN ARTVELT van Antwerpen. Deze was fraay in 't schilderen van water, inzonderheit van onstuime Zee, tempeesten daar de zoute plas door het bulderend geblaas van Eolus, het Zeeschuim tot aan de zwarte wolken opjaagt, tegen de schitterende blixemstralen; Tgeen ARTVELT heeft zoo fraay geschildert naar het leven Natuurlyk, kragtig, en zoo na de konst verzoet, Of hy van Jongs af aan op zee was opgevoedt. Hy heeft neven andere zyne tydgenooten d'eer gehad dat zyn Beeltenis door den grooten A. van Dyk in 't koper gebragt is. JAKOBVAN ES, mede een Antwerpenaar, schilderde heel natuurlyk, Visschen, Vogels, Bloemen, inzonderheid alle zoort van smakelyke vrugten, waar op dit vaarsje ziet: Want 0 5 Schouburgh der 218 ........ Want ziet de Muscadellen Hoe levendig zy staan; men zou haar kernen tellen. Zyn Beeltenis is in print, van W. Hollar gesneden GUILIAM EN GILIS BAKKEREEL, schilders van Antwerpen, waren twee gebroeders, gelyk in naam maar gans verschelig in aart, geneigtheit en verkiezinge hunner konstbehandelinge. Want de een was een lantschapschilder, de ander had zig tot het schilderen van groote Beelden gezet. De een hield altyt den spot met 's Waerelds yd'le pracht, Maar d'ander heeft te meer den staat en d'eer geacht. Zy bleven naa hun dood gescheiden van malkand'ren. D'een stierf te Roomen, en t'Antwerpen stierf den and'ren. Daar is geen geslagt bekent waar onder de konst zoo vele jaren agter een heeft gebloeit als het geslagt der Bakkereelen. Van ouds af heeft'er altyt een of twee te Romen gewoont; en de laatste was niet gestorven, of'er trok straks weder een stuk of twee van Antwerpen na toe, om de plaats te vullen. Sandrart verhaalt: dat hy'er in zyn leven 7 of 8 van gekent heeft, die veel gelt door hun konst wonnen, maar ook alles weer in vrolikheit verteerden. JOANNES WILDENS was een lant schapschilder van Antwerpen. Zommigen hebben hem den naam van Portretschilder gegeeven, misleid door dit volgende vaarsje: Schilders en Schilderessen. 219 'T was WILDENS, welkers konst ontfing haar eerste leven Door Rubbens, in dien tyd den grootsten in de konst, Zy heeft uit dankbaarheid ook eindelyk die gonst, In zyne Beeltenis, aan hem weerom gegeven. Maar dit is de waarheit dat P. Paul. Rubbens dezen WILDENS veel gebruikte om de gronden en agterwerken met lantschappen te beschilderen, het geen deze volgende regelen zeggen willen: Als WILDENS had den grond aan Rubbens konst gebragt, Zoo kwam'er 't leven in, met een veel grooter kragt. Wie zouw den tyd, indien hy wezentlyk was, niet met scheve oogen begluren, om dat zoo menig konstwerk, door den zelven zoodanig vergruisd is dat'er byna niets overblyft, om des werkmeesters roem te bestempelen? Gelukkiger zyn daarentegen geweest, zulke welker konstwerken de woedende klauwen der oproerige Beeldstormers ontrukt, of door byzondere voorzorge bewaart, voorhanden zyn: om den naam van hunnen maker in spyt van den tyd eeuwen te doen leven op de tongen der konstlievenden, en tot voorbeelden van naarvolging te strekken. Dus is het gegaan met de konststukken van den Hollantschen PIETER VAN DE PLAS, tot welkers loffelyke gedachtenis Korn. de Bie van hem zeit: Hy verdient een groote eer, en afgeſcheiden te wezen van alle konſthatende berispers, als die in veel deelen van de konst anderen overtreft en te boven gaat, waarom de re- Schouburgh der 220 de vereist hier te gedenken aan de treffelyke ordonantien die Pieter vander Plas heeft in zynen tyd door zyn konstpenceel, tot verwonderinge van alle liefhebbers, voortgebragt, mits daar in is te bespeuren dat de natuur hem mild begonstigt heeft met de gaven van de uiterste volmaaktheit die in 't leven kan gezien worden, gelyk tot Brussel en in andere uitlantsche steden nog van zyne werken te vinden zyn, welke getuigen dat hy zonder beroeminge niemant in onze eeuw in grooter volmaaktheit naar reden, proportie en eys van eenige schilderkonst behoefde te wy ken. Hy is binnen Brussel gestorven. Hier aan laten wy volgen den konstoeffenaar JA KOBUS DE GEEST schilder van Antwerpen; op welks dood den Dichter Jan Vos deze lykklacht gemaakt heeft: Antwerpen, treur, ey! treur, uw kunst is nu in noodt: Laat al de tranen vry langs uwe kaaken loopen. Vraagt gy: om welk een reên? uw schilders Geest, is doodt. Wie zynen geest verliest, heeft op geen kunst te hoopen Dit volgende paste dezelve dichter op de konstschilder Gerret Bartels, die door den val van een steen sturf: Twee steenen rukten 't lyf van Bartels van ons af D'een die hem 't hoofd verplet; en d'ander op zyn Graf: Men hoort zyn kroost vergeefs by deze steenen steenen. De doodt verschoont Geen geest; zylacht als and'ren weenen. Nu Schilders en Schildereffen. 221 Nu volgt de Antwerpenaar PIETER NEEFS. Deze schilderde Vorstelyke Paleyzen, en Galeryen in perspectief, maar inzonderheit gezichten van Tempels, en Kerken inwendig te zien, met al der zelver ornamenten, Balkons, verbeve Choren, Altaren, Predikstoelen, en wat inwendig aan en tot dat werk behoort. Een arbeidzame verkiezing, die ik liever wil zien dan zelf maken. Hier by zal niet kwalik voegen de Hollander THEODOOR BABUER. Doch ik weet van hem niets te zeggen, als dat ik uit zekere omschryving begryp, dat zyn konst bestont in een diergelyk werk als dat van den voorgemelden. 'T geen niet minder als naar gewyde Tempels en Kerken geleek was de verkiezinge die KRISTOFFEL en JAKOB VANDER LANEN, tot hunne behandelinge in de Konst, hadden uitgekeurt, bestaande in het verbeelden van gezelschap pen daar men vryt, speelt, drinkt, en allerhande vrolyke en zinstreelende tytverdryven oeffent. Wy hadden byna overgeslagen, en vergeten HENRIK DE KLERK, die geroemd word om de zinryke Poetize vindingen die hy in zyne penceelwerken heeft te pas gebracht; ook om zyn fraje zeedestukken, waar van 'er noch hier en daar te Brussel in Kerken te zien, en uitvoerig gemaakt zyn. Hy was een leerling van Marten de Vos. Van ANTHONI SALART zyn mede noch eenige stukken te zien tot Brussel, daar hy geboren en ook gestorven is. Ook is GULIAM MAHUE, Pourtret Schilder, te Brussel geboren en begraven. In dien tyt waren ook om hunne Konst in ag tin 222 Schouburgh der ting AUGUSTYN BRUN, en HANSHOLSMAN Schilders van Keulen, mitsgaders FREDERIK BRENTEL, en JAKOB VANDER HEVDEN te Straatsborg geboren, welke om hunne Kunst by Vorsten geeerd werden. Gelyk ook DANIEL VAN ALSLOOT, van Hartog Albert. Eindelyk komen mede op de naamrol de Antwerpenaars ABRAHAM MATTYS, en EGIDIUS VAN TILBURG, van deze weet ik niet te schryven, als dat de laatste Boerekermissen, en Markten schilderde, en de eerste een goet Lantschapschilder was. Gelyk ik ook niet van onzen Rotterdammenaar DAVID DE HAAN weet te zeggen, als, dat ik uit dit volgende rym besluit dat hy te Roomen geweest is; Die uit het Hollants lant Naar Romen was gevlogen, Alwaar zyn groot verſtant Werd yv'rig opgetogen. Deze vind ik alle ten opzicht van hunnen geboorte- en sterfdag ongemerkt, zoo dat 'er geen jaartal aan te bespeuren is. Wy willen hen ook ongemerkt laten deurgaan. Het maakt my dikwils onlustig, als ik schryvers ontmoet, die meer dan een halve eeuw voor my, en gevolglik zoo veel nader aan den levenstyd der zulken, welker bedryf zy voorgeven te beschryven, geweest zynde, egter daar niet van zeggen dat 'er van gezeit moest wezen. Ja 't smart my nu ik zoo laat aankom dat 'er veele zaken in de vergetenheit geraakt zynde, ik gevolgelyk van de zel Schilders en Schilderessen. 223 zelve, niet zoo schryven kan als ik wel wilde. Ik heb wel over meer als twintig jaren bedacht hoe noodig het was, dat ymant eens de pen versneed om over die stoffe te schryven, en zedert my zelven gevleit dat 'er wel ymant zou opkomen, die zig het verlies der gedachtenisse van zoo vele brave Konstschilders zoude ter harte nemen: maar daar is niets van gekomen, als dat nu en dan deze en gene, een stukswyze verhandelinge van de zelve in druk hebben gegeven in de Fransche taal, zulks wy 't ons moeten getroosten, en de Lezer met ons, dat het met velen mager uitkomt. Als by voorbeelt met JUSTUS VAN EGNONT, geboren tot Leiden in 't jaar 1602, die zoo veer in de Konst gevor derd is geweest, dat de Koning van Vrankryk Lowis de XIV daar een welgevallen in gehad, hem een lange wyl aan zyn Hof gehouden, en met loffelyke geschenken beloont heeft; nochtans vint men van hem niets gebockt, by wien hy de Konst geleert heeft, of wat behandelinge hy hadde; maar alleen dat hy een Historie-schilder was. Dat wareltsche zaken in gestadige veranderingen bestaan, heb ik meer als eens gezegt. En hoe de wisselingen de gansche levens jaren van den eenen mensch met tegenspoeden aaneenschakelen; en die van een ander in voorspoed doen uitloopen, zoo dat al zyn tyd van het geluk zonder ebbe bespoelt word, heeft de bevindinge ons ook meer als eens doen zien. 'T laatst gezegde zal door dit volgende levens verhaal bevestigt worden. PHILIPS DE CHAMPANJE werd geboren te Brussel in 't jaar 1602. Zyne ouders waren van Schouburgh der 224 van geringe geboorte, maar hadden veel geldt en zynde een eenige zoon hadden zy veel met hem op. Zyn geneigtheit liep al vroeg op 't leeren van de Schilderkonst, 't geen zy hem inwilligden, doch deden daar ontrent geen goede keur, 't geen hem dikwils van meester deed veranderen, verdrietig maakte, en deed besluiten zig buiten eenig onderwys naar 't leven te oeffenen, 't geen wel gelukte. Zyn borstbeeld vertoont zig aan d'overkant, tusschen de beeltenissen van J. v. Bronkhorst en P. J. van Asch, in de Plaat L. waar by zig een Academie beelt, afgeschetst op papier, nevens een pourtret doet zien. Met zyn 19 jaar kwam hem het reizen in 't hooft; waar op hy besloot door Vrankryk naar Italien te trekken, maar bleef eenigen tyd in Vrankryk ten huize van een Duitscher, een gemeen schilder. Naderhant ging hy op zig zelf wonen in het Collegie van Laon, waar Nikolaas Pousyn toen een woning nam, en met Philips groote vrintschap onderhielt. Chesne, een Schilder maar een zottebol en windbuil, had aangenomen eenig werk te schilderen in het Paleis van Luxenburg, en gebruikte daar toe deze twee jonge konstenaren. CHAMPANJE maakte het groot, en Pousyn het kleen werk tot de sieraden van dat vertrek, en zy verstonden elkander daar in. De Koningin nam zeer groot genoegen in het werk, inzonderheid dat van CHAMPANJE van wegens des zelfs helder heit, in vergelyking van dat van Pousyn. Chesne die hier door bemerkte dat hy zig uit het nest (als men zeit) gestooten had, en hem licht geen ander werk meer zoude worden aanbesteed, werd nayverig op CHAMPANJE, en veroorzaakte moeylykheit. Maar CHAMPANJE die den vrede bemindeVrank Schilders en Schilderessen. 225 ontging dit, en vertrok naar Brussel, om zyn Broeder te bezoeken. Wanneer hy eenigen tyd daar geweest hadde, werd hy andermaal voornemens naar Italien te gaan, maar zyn reis niet door Vrankryk maar door Duitslant te nemen: doch eer hy zig op reis begeeft komt de Abt van St. Ambrosius, Sur-Intendant des Bâtimens, tot Brussel, met bericht dat Chesne die hem hatig was, gestorven was, en verzoekt hem weder te komen tot Parys. CHAMPANJE was niet zoo haast te Parys gekomen of hy wierd opzichter gemaakt over de Konstkabinetten van de Koningin, met een inkomen van 1200 gulden jaarlyks. Zy liet hem ook eenige groote werken schilderen, in de Kerk en t Klooster der Carmeliten, in welken tyd hy ook troude met de Dochter van meergemelde Chesne die veel gelt hadde. Zie hoe de gevallen zig van begin af aan schikten tot zyn geluk? en hoe zommigen in deze waerelt altyt tegen stroom en wind moeten oproeyen, terwyl anderen gemakkelyk voor den wind zeylen. De Kardinaal de Richelicu zocht hem door anderen te lokken uit den dienst der Koningin, met aanbiedinge dat hy zoo veel zoude eisschen als hy begeerde om voor hem te schilderen, maar hy sloeg dit op een beleefde wyze af, en voegde daar by: Dat hy den Kardinaal (indien hy zulks begeerde) wel een schilder zoude aanwyzen die hem genoegen zoude geven, en verzocht vorder in zyn gunst te mogen blyven. Dit antwoort by den Kardinaal overgebracht, was oorzaak dat hy te meerder agtinge voor hem kreeg, om dat hy niet ontrouw wilde wezen aan die hem wel beloonden, en liet hem zyn afbeelding op verscheiden wyzen schilderen. I. DEEL. Hy Schouburgh der 226 Hy was yverig en van een werkzamen aart, en heeft veel beroemde konstwerken in dat Koninkryk gemaakt. In 't Cabinet des singularitez d'Architecture, Peinture, Sculpture, & Graveure &c. Par Florent le Comte, I. D. p: 78. is een lyst van al zyne beruchte werken, waar ontrent inzonderheit geroemt wort zeker stuk, waar in Louys de XIII, knielende voor een Mariabeeld, dat hy zyn Rykskroon aanbiedt, verbeelt staat. Dit stuk had hy geschildert voor de Zilverwinkelhouders te Parys, en 't is in de Kerk van Notre-Dame, of de Lieve Vrouwe Kerk, opgehangen; gelyk dezelve uit een oud gebruik jaarlyks gehouden zyn te doen; waar toe zy dan een der voornaamste konstschilders uitkeuren. Welk konststuk voor af op den Feestdach van Maria, van den morgen tot den avond, voor de Kerk te pronk hangt, om van allen beschout te worden. Monsr. Poncet Raadsheer in 't Hof der Aydes, kwam hem eens op eenen zondag bezoeken om van hem geschildert te worden, maar hy weigerde zulks te doen (schoon hy een groot man en byzonder vriend van hem was); om dat hy zwarigheit maakte van de Kerkelyke beveelen, en het gemeen gebruik te overtreden; hoe gretig hy ook op winst was. In dien tyd werd de roem van C. le Brun, toenmaals noch in Italien, door geheel Vrankryk getrompet, en zyne aanhangers maakten zyne bekwaamheden noch veel grooter dan zy waren (gelyk het gemeenlyk gaat als men ymant gunst bewyzen wil) om hem tot Hofschilder van den Jongen Koning Louys den XIV in te dringen. Maar CHAMPANJE kreunde zig daar niet aan. Hy had 227 Schilders en Schilderessen. had (als het spreekwoort zeit) zyn Schaapjes op 't droog, en storf in 't jaar 1674, oud 72 jaren. Geen enkel, maar verscheiden voorbeelden hebben ons doen zien, dat het konstzaad in 't stambloed verspreid, van d'eene tot d'andere Eeuw nieuwe konstbloeizels heeft voortgebragt. De Boeken van J. Sandrart doorbladerende vint ik in het 3 Boekdeel van zyn Teutsche Academie op pag. 69. gemeld van eenen VAN AELST, die niet alleen een hoogvlieger in de Schilderkonst, maar ook een voornaam Boumeester was; waarom hy ook door den Magistraat van Antwerpen werd uitgekeurt om de Eerepoorten, naar zyn bestek, te doen vervaardigen, tegens d'intrede van Filip pus den tweeden, zoon van Karel den vyfden, in den jare 1550. Van wien ook de Boeken: Siciliae & Magnae Graeciae Historia, ex antiqui numismatibus illustrata. (met medaljes) en De Romanae & Graecae antiquitatis monumentis é priscis Numismatibus erutis, per Hubertum Goltzium Herbipolitanum Venlonianum, civem Romanum, geschreven zyn. Deze VAN AELST is de zelve dien K. v. Mander Pieter Koek van Aelst noemt, en die overleden is tot Antwerpen kort na den jare 1550. Want zyne naargelaten schriften van de Boukunde werden in den jare 1553 door zyn weduwe Maayken Verhulst in druk uitgegeven. Hy liet ook een zoon na PAULUS genoemt, die ook de konst oeffende, en getrout is geweest, uit wien gelooft word (schoon van Mander alleen van zyne Weduw meld, en zeit: P 2 Schouburgh der 228 zeit: Dat zy naderhand getroud is geweest aan Gillis van Koningsloo.) dat van AELST in de beschryving der Stadt Delf op 't jaar 1602 aangetekent (thans het voorwerp voor onze pen) zyn oorspronk heeft. EVERT VAN AELST, is geboren te Delf in 't jaar 1602. Hy was een braaf schilder in allerhande soort van stilstaande leven, inzonderheit fruit, dat hy heel natuurlyk wist te verbeelden, als mede yzere Harnassen, Stormhoeden, en alle soort van glansige Metalen, die hy hunnen behoorly ken glans en weerschyn naar vereys wist te geven. Hy stierf 1658 naarlatende tot naarvolger in de Konst WILLEM VAN AELST, zoon van zyn Broeder Jan van Aelst, Notaris te Delf, die deze Konst van zynen Oom zoo wel geleert heeft, dat hy noch jong zynde, hem te boven ging, ja zodanig in de Konst toenam, en het leven zo natuurlyk wist na te bootzen, dat zyn penceelwerk geen schildery, maar het leven zelf scheen te wezen. Hy heeft in zyn jeugt vier jaren in Vrankryk en zeven jaren in Italien de Konst geoeffent, en in dien tyd by Kardinalen, Vorsten en groote Heeren in aanzien geweest. In den jare 1656 weder in zyn Vaderlant gekeert, heeft hy zig met 'er woon eerst te Delf, daar na tot Amsterdam begeven, alwaar zyne Konst by alle konstkenners hoog geacht is geworden, en tot een hoogen prys verkocht. Waar uit men klaarlyk ziet, en daar uit besluit kan maken in 't algemeen hoe alle konsten en wetenschappen niet van eersten af aan in hare volkomenheit zyn uitgevonden; maar dat de vinder, of anderen op dien grond voortvarende trapswyze hebben ontdekt, en uitgevonden, 't geen daar aan ontbrak, om ze te bren 229 Schilders en Schilderessen. brengen tot hare hoogste volkomenheit. WILLEM, anders GUILHELMO, was een man (na dat hy in Italien geweest had) die een grootmoedigen inborst bezat, en die niemant, inzonderheit als hy wat boven zyn peyl gedronken had, ontzag. 'T is gebeurt, dat de Borgermeester Maarzeveen met hem geschil kreeg, over d'eene of andere zaak, waar door zy in woorden kwamen. VAN AELST, die voor een Borgermeester van Amsterdam niet wilde 't zeil stryken, in een zaak daar hy meende recht in te hebben, stoof op, trok zyn boven rok open, en toonde op zyn borst den gouden penning, en keten die hy van den Groothartoog van Toskanen had gekregen, zeggende: Gy zyt met een geltzak om uw hals geboren, en dat is 't al; maar dat ik ben, ben ik door verdienste. Maar of hem die worst (als het spreekwoort zeit) naderhand niet opbrak, daar twyffelde zelf, die 't my verhaalt heeft, niet aan. Een man (zeit Gratiaan) verliest zyn agting door een hardnekkige verdediging; want zulks is niet de waarheit voorspreken, maar eer zynkoppigheit vertoonen. En op een andere plaats. Zommige vertrouwen zig zoo zeer op hunne verdiensten, datze gansch geen zorg dragen, om zich te doen beminnen. Schoon hy (gelyk ik even gezegt heb) een grootmoedigen inborst bezat, nochtans trof hem Venus zoon met zyn vlammende schicht, zoodanig dat hy verslingerde aan zyn dienstmeit, dat een dikke moffekop was, de zelve troude, en drie schoone kinderen by haar teelde. In dien tyd woonde hy op de Princegraft, by het Waale Wecshuys daar hy ook gestorven is, in 't jaar 1679: Maar het jaar zyner geboorte heb ik niet konnen Schouburgh der 230 nen te weten komen, en heb daarom zyn levensbedryf aan dat van zyne tyd en konstgenooten geschakelt. Jan Vos maakte op een zyner voornaamste bloemtafereelen dit volgende vaarsje: Hier komt de lieve Lent by wintertydt verschynen. Natuur, die al wie maalt door haar penceel verdooft. Begint, nu zy dit ziet, van enklen spyt te kwynen. Aurora, leg uw pruik vol roozen van uw hooft: Hier groeien roozen die uw hulsel overtreffen. Zoo wort VAN AELST, door kunst, de waerelt deur beroemt. Wie and'ren overwint behoort men te verheffen. Zyn handt, vol geesten, heeft het bladt van dit gebloemt Beschildert met een glans, die nimmer zal verslensen. Het loof dat heet en koudt verduurt zal eeuwig staan. Vrou Venus zou haar krans om dit gewaſch verwenssen; Om, als zy hoogtydt houdt, te pronken met de blaân, Of als zy't hart van Mars aanminnig komt bestryen. 'T ſicraadt der Vrouwen is de lyſt der Schilderyen. Zyn Weduwe vertrok na zyn dood met de kinderen (dit was in 't jaar 1680) naar haar lant, waar een Brouwer verlokt op de harde Ryksdaalders die zy mee gebrogt had, haar troude. Maar 't leed niet lang of een droevig ongeluk trof den oudsten van de kinderen, zynde een welgemaakte jongen, want hy viel in den Brouketel en verbrandde. De 231 Schilders en Schilderessen. De bevindinge heeft den Landman doen zien dat de groeybaarheid niet alleen van de gesteltheit der zaden, maar byzonder van een wel doorbouden en gemesten grond afhangt. De jeugt die zig tot d'oeffening der Konst begeeft by een Akker geleken, en de leerlessen van haar onderwyzer by het zaadt, zullen wy zien dat zy beide meer of min van een zelven goeden aart moeten wezen. Want zoo die gront niet is doorbout met oordeel; en doormest met vernuft, yver, en leerzugt, is 'er weinig hoop van eenen ryken oegst te maajen. In tegendeel als die grond goet is, gaat de verwagting zeker zelfs buiten verwagting. Dit is gebleken aan JAN VAN BRONKHORST, die door yver, aangeboren leerzucht, en aangewende opmerkinge (schoon hy maar een gering zaat van onderwyzingen in den akker van zyn begeerte ontfangen had) dat zaad zoo wel heeft gebroed, dat 'er van hem word getuigt, dat, al mocht ymant het geluk gebeuren van het doorluchtigste verstant, en den grootsten meester in de Konst tot zyn onderwyzer te hebben, zoo konde hy niet beter in de uiterste wetenschappen van de Konst ervaren wezen. Elf jaaren was hy pas oud als hy besteed wierd by een Glasschryver geheeten Jan Verburgh, om de grondbeginzelen der Teekenkonst te leeren, alwaar hy een en een half jaar zig met grooten yver en naarstigheit heeft geoeffent, en daar na noch by twee andere gemeene Glasschilders, zoo lang tot dat hy in 't jaar 1620 lust kreeg om een reys naar Vrankryk te doen, om daar zyn Konst verder voort te zetten, dus nam hy de reis over Brabant, maar werd door zeker toeval in den voortga P 4 232 Schouburgh der gang gestuit; want tot Atrecht kwam hy gevallig by eenen Peeter Mathys konstig Glasschilder, daar hy zig ophielt ontrent een en een half jaar, in welken tyt hy gelegentheit had om veel fraje werken te helpen maken. Van daar trok hy naar Parys, daar hy een heel bekwaam meester in 't Giasschryven, Chamu genaamt, aantrof, daar hy eenigen tyd bleef en toen weer naar zyn geboortestadt geraakte, alwaar hy als meester in die konst de zelve met vlyt en yver voortzette; nochtans altyt by zich zelven onvergenoegt, wyl dit doen hem te gering scheen te wezen. Dit was de regte slypsteen om zyn brein te scherpen tot grooter ondernemingen; te meer werd dit voornemen in hem opgewakkert, toen hy gelegenheit had van met Kornelis Poelenburg om te gaan, en hem te zien schilderen, welke aangename en bevallige handelinge zyn gemoet zoodanig trok dat hy onveranderlyk by zich zelven besloot, tot het schilderen in Olyverf over te gaan, en op de handeling van Poelenburg zich te zetten. Doch dit sleurde noch al een tyd lang, zelfs na dat Poelenburg al was naar Engelant getrokken. In 't jaar 1637. heeft hy het Glasschilderen noch al gehanteert, doch in het jaar 1639 ontsloeg hy zich geheel daar van, yverende dagelyks zonder onderwys, en bracht het zoo ver dat de tyd zyn roem niet licht zal afmaajen. Hy was geboren t'Uitrecht in 't jaar 1603. De Nieuwe Kerk tot Amsterdam pronkt noch heden neffens het Koor met drie van zyne konstibeschilderde kerkglazen. Men ziet daar in verbeelt hoe de Vrede den Oorlogsgod Mars boeit, en kluistert, en den Kryg en zynen aanhang vertreed. Hoe de welvaart van zee en lant bloeit, als Schilders en Schilderessen. 233 als de met slangen geparuikte Twist verbannen wort. Zy wort vertoont door den Overvloetshooren, die allerhande slag van uitheemsche Koopmanschappen uitgeeft; gelyk ook door de Boeken te kennen wort gegeven, dat geleertheit, konsten en wetenschappen, in tyden van vrede 't schoonste bloejen. En op de deuren van het Orgel zietmen door zyn konstpenceel met olyverf verbeelt, de Triumf van David over den verslagen Goliat: de zalving van Saul tot Konink, en hoe hy van zyn troon David voor hem spelende aan zyn speer meende te spitten. Zyn Beeltenis kanmen beschouwen in de Plaat L boven aan daar zig nevens aan een beschildert kerkglas vertoont. In dit zelve jaar 1603 kwam NICOLAES KNUFTER te Leipsig ter waerelt. Hy, als van natuur tot de konst geboren, deed van der jeugt aan in ste van zyn schoollessen te leeren niet anders als zyn boeken met beeltjes, een beesjes bekladden. Waar over hy dikwerf van zyn mee ster gehekelt en gekastydt wert. Doch alles te vergeefs; want wierd hem papier en inkt onthouden, hy bediende zig van houtkool en betekende de wanden zoo hoog als hy ze bereiken kon: Daar over hy van de huismeid dikwils heel onzagt gehandeld werd. Zyn Vader ziende dat alles wat hy aanwendde zyn drift niet stuiten konde, dacht in 't eerst noch dat dit ontstont, om dat hy geen geneigtheit hadde tot het leeren van talen. Dus bedacht hy alle ambachten die hy konde, schreef die op een blad papier, en leide dit zyn zoon voor, zeggende, by konde een van alle verkiezen wat hy wilde, dog hy verkoos niet anders dan 't schilderen te leeren. Maar dit moet ik noch vooraf zeggen, da, Schouburgh der 234 dat ook wel de voorname reden, waarom de meid over het begruizen der muuren hem zoo hard viel, was: dat hy zyne Beelden zoo Paradysagtig na tuurlyk met kool overal door 't huis op de wanden afschetste, dat zy al zoo wel als Eva konde zien datze naakt waren. Gelyk hy onder andere ook heel geestig had afgeschetst, daar Ulisses naakt by Nausicae komt, gevolgt naar de beschryving van Homerus. Zyn Vader besteedde hem dan gevolgelyk by eenen schilder genaamt Emanuel Ny sen, daar hy twee jaren by woonde; maar daar viel het niet tot zyn voordeel uit, terwyl hy in stee van hem de konst te leeren hem voor knecht gebruikte om zyn mantel agter hem te dragen wanneer hy uitging. Dit hem tegen de borst zynde liep hy weg, en kwam tot Maagdenburg daar hy ee nigen tyt zyn kost won met penceelen te maken voor schilders, dog daar hy weder afraakte, en zig begaf by een kladder, daar hy by bleef tot het jaar 1630, wanneer hy tot Uitrecht kwam, en gelegentheit aan de hand kreeg, om zyn grooten yver en zucht die hy tot de konst hadde aan Abraham Bloemaart te kennen te geven, die ziende zyn natuurlyke drift, en hoe veer hy reeds meer door zyn leerlust als grondig onderwys gevordert was, hem een plaats in zyn huis schikte, alwaar hy door goed onderwys en naarstigheit in korten tyd zoo veer kwam dat hy op eigen wieken konde dry ven, ja zoo hooge vlucht in de konst maakte dat hy d'eer gehad heeft van voor den Koning van Denemarken te schilderen drie stukken; vertoonende veltslagen, waar in des zelfs voorzaten d'overwinninge bevochten hadden. Waar, of wanneer hy gestorven is, heb ik niet konnen naspooren. Schildersen Schildereffen. 235 In dit zelve jaar 1603 is tot Antwerpen geboren JOHANNIS COSSIERS een man daar de Brabanders veel van roemen, inzonderheit om een konststuk dat te Mechelen in de Kerk van het groot Begynhof hangt, 't geen alleen genoeg is om zyn roem te trompetten, zoo veer als 'er schilderkonstminnaars gevonden worden. Hy is na dat hy vele Hoven bezogt, en overal blyken van zyn konstpenceel gelaten heeft gestorven. Dat 's zeker, maar in wat jaar weet ik niet. Dit jaar 1603 vrugtbaar in konstoeffenaars te teelen bracht ook voort den gedachteniswaardigen SIMON DE VOS. Deze was een man die zich op de fondamenten van de konst grondig verstont, en daar van met (oordeel bedient heeft. Zyne stukken in Brabant inzonderheit bekent, getuigen wat vermogen zyn penceel heeft gehadt. Van JOAN BYLERT, hunnen tytgenoot geboren te Uitregt, weten wy niet veel te zeggen, als dat hy, naar het ons heeft toegeschenen, eerst van een los en ongebonden leven is geweest, en naderhant een af keer daar van gekregen hebbende, zig tot de oeffeninge der schilderkonst begeven, een gelukkigen voortgang daar in gemaakt, en in die keurwisseling roem behaalt heeft. Eer wy dit jaar 1603 eindigen moeten wy ook gedachtig wezen den Delfzen Konstschilder PIETER JANZE VAN ASCH. Deze was een braaf lantschapschilder, inzonderheit in 't klein. Men ziet maar zelden van zyne penceelwerken, om dat hy niet veelgemaakt heeft:wyl hy op een anderewys (om zyn ouden Vader en Moeder te bezorgen) zyn tyd heeft moeten besteden; maar 't geen datm'er van ziet is goed. Hy was deugdzaam en vroom van le Schouburgh der 236 leven, en bereikte eene hoogen ouderdom. Want de konstschilder Johannes Verkolje, geboren 1650, nog omgang met hem gehad, en ook zyn beeltenis in koper gebracht heeft, die wy (geen ander voorhanden zynde) gevolgt hebben. Zy staat onder aan in de Plaat L nevens een tafereeltje waar op een lantschapje geschetst staat. Na hem volgt KRISTIAEN VAN KOUWENBERCH geboren te Delf op den 8 van Herfstmaant 1604. Hy heeft tot leermeester in de konst gehad Johan van Nes, is daar naa gereist naar Italien, van waar hy, byzonder in de konst gevordert, wedergekeert is in zyne geboortestadt Delf. Daar heeft hy vele konststukken zoo Historien als naakte Beelden levensgroot geschildert en daar door veel roem behaalt. Behalven op andere plaatzen zietmen ook van zyne penceelkonst in de princelyke lusthuizen Ryswyk, en t'huis in 't Bosch. Daar na ging hy zyn Fortuin volgende te Keulen wonen, alwaar hy overleden is den 4 van Hooimaand 1667. Onder zyne stadt-, tyd-en konstgenooten worden opgetelt: Leonard Bramer, Pieter van Asch, Adriaan van Linschoten, Hans Jordaans, Kornelis de Man, en Johannes Vermeer. Deze alle waren, als Dirk van Bleiswyk Evertz in 't jaar 1667 zyn Boek, de beschryving van Delf eindigde, noch in leven. Nu eischt ook eene plaats DANIEL VAN HEIL geboren te Brussel in 't jaar 1604. Gelyk dezes geboortestadt met die van den voorgaanden in tusschenstant verschil de, zoo verscheelden zy nog meer in de verkiezinge van hun penceelwerk. Want de voorgaande scheen tot Schilders en Schilderessen. 237 tot verlustiginge van 't gezicht, deze op een ontroeringe in de ziel der aanschouwers toe te leggen. Want hy schilderde meest Brandstigtingen en diergelyke voorwerpen die ysselyk zyn om aan te zien. Nochtans ('t geen tot zyn lof getuigt wort) was alles zoo natuurlyk dat'er niets als de hette aan ontbrak. Onder zyne voorname stukken worden getelt de ondergang van Sodom en Gomora met de gansche lantstreke, door een vuur uit den Hemel &c. en het verbranden van Troje, daar men ziet, hoe, Toen Sinons toorts de stadt verdelgde door haar vlam De Koning Priam lag voor 't oog van zyne maagen. Geharnast op den grondt door Pyrrhus zwaart verslagen; Daar Hekuba den val van haar beroemden stam Betreurde, op't bloedig lyk van haar' gemaal gezegen; Of daar Eneas torst Anchises op zyn schouders, En geeft Askaan de hand in 't midden van 't gekerm; teekenen die diergelyke Historische verbeeldingen kenbaar maken. Wy hadden byna vergeten den braven Dordrechtze konstschilder JAKOB GERRETZE KUIP, wiens penceelkonst al vroeg de konstminnende bekoort heeft, te gedenken; maar wier den hem indagtig als wy zyn zoon Albert Kuip ten tooneel zoude voeren. Hy schilderden Osjes, Koctjes, Schaapjes enz. De verschieten agter de zelve waren meest lant en watergezichten die zig om en by Dort doen zien, welke hy tot zyn gebruik naar 't leven afgeteekent heeft, en zyn wyze van schilderen was helder gloejend en smeltende. Deze Schouburg der 238 Deze JAKOB GERRETZ KUIP, Dortenaar, leerling van Abr. Bloemaart IZAK VAN HASSELT, KORN. TEGELBERG beide lantschapschilders, en JAQUES GRIEF, anders Klaan, die stil leven schilderde, waren de hoofden of aanleiders welke in den jare 1642 het konstgenootschap van St. Lukas te Dordrecht hebben opgerecht, na dat zy uit het Gild, genoemt het Gilt van de vyf Neringen (volgens beding als in de Acte van scheiding staat uitgedrukt) waren uitgegaan. Maar eer ik eenige byzonderheden (om den Lezer bericht te geven van 't geen van tyd tot tyd, rakende de Konstschilders is voorgevallen) voortbreng, zal voor af dienstig wezen aan te wyzen hoe de Konstschilders in St. Lucas Gilt, en andere Ambagtgilden zyn betrokken: van wien de naam van St. Lucas Gild, zyn afkomst heeft; en hoe de Schilders in verscheiden steden uit die Gildens uitgegaan, Broederschappen hebben opgerecht, welke bestonden uit enkele Konstenaars, en Konstlievenden. Hoedanig oulings de Konstschilders en hunne werken by de grootsten van de waerelt zyn geacht geweest, hebben vele schryvers breedwydig gemeld; het geen den leer-en weetlustigen is bekent. dus zal 't niet nodig wezen uit de twyffelachtige outheit menigte van voorbeelden op te delven, maar wy zullen alleen van de zelve, en van later tyden zoo veel ontleenen, als tot aanleiding van ons oogmerk dient. Leonard da Vency, was van wegen zyne Konst zoodanig by den Koning van Vrankryk geagt, dat deze Vorst verscheidenmalen, hem, daar hy op zyn ziekbed lag, kwam bezoeken, en handreiking aanbood, zulks hy ook eindelyk in 's Konings Schilders en Schildereſſeu. 239 nings armen den geest gaf. Zie K. van Mander p. 57. Den moordt van Polidoor heeft de Raad van Romen zoo euvel opgenomen, dat den Moorden zoo swaren straf wierd aangedaan, als of hy eenen van den Raad om 't leven had gebracht. Dit merki Philips angels in zyn lof der Schilderkonst aan op p. 22. en voegt daar by, dat de Venetianen noch in later eeuwen, zich door de Konst zoo vereert agtten dat zy aan brave meesters jaarlyks 300 kroonen ten geschenk gaven, op dat zy die binnen hunne muuren mochten behouden. En hoe meer men in d'outheit te rug treed, hoe meer men zal ontdekken de groote achtinge die men voor de Konst en Konstenaars over hadde. 'T waaren Apelles en Praxiteles die het geluk alleen hadden, dat de grootste waereltvorst hunne konst beminde; waar op zeker Dichter zinspelende, zeit: Apelles werd, uit veel, alleen gestelt, Te schilderen den grooten Alexander: Praxiteles, had oorlof, en geen ander, Een marmer beeld te snyden naar dien Held. D'eerst gemelde schilderde daar nevens voor den Vorst een naakte Venus, Anadyomene, zeit Plinius dat is, vers uit Zee opkomende: waar toe hem de schoone Campaspe, Alexanders byzit, tot een levendig model om naar te schilderen vergunt werd. Maar wat gebeurt 'er? De ontvlamde drift, hoe zeer hy ze trachtte te bedekkken was niet zoo te ontveinzen, of het wierd van Alexander bemerkt. Die ziende zyne grootmoedigheit hier door ter proef gestelt, besluit, daar hy tot dus veer de waerelt bedwongen had, ook zyn neiginge te bedwingen. Hy stapt van Schouburgh der 240 van zyn lieve Campaspe af, en schenkt die aan Apelles. Gemelde Plinius merkt ook aan, hoe na dien tyd een Grieks Vorst, wanende de Konst hier door in eere en aanzien te houden, door een wet gebood dat niemant de Konst van schilderen vermogt te leeren, of de zelve te oeffenen, ten zy hy edel geboren was. En uit een even zoo nadeelig begryp, voor de Konst was't, dat 'er zulk een hooge prys gestelt wierd, voor die dezelve begeerden te leeren. Want hier door werden be kwame geesten, en de schranderste vernuften, om dat zy van een slegte geboorte waren, gesmoort en tot den ploeg gebruikt: daar en tegen vernufteloozen als zy slegs van groote geboorte waren, tot het penceel opgebracht: 't geen een merkelyk verval in de Konst veroorzaakte, tot dat Keizer Maximiliaan deze konstbreuk heelde, by zeker voorval verklarende, dat hy van hondert Boeren wel hondert Edellieden, maar van hondert Edellieden geen een goet schilder maken konde. Dezelve Vorst heeft met een de Konstenaars in 't algemeen geadelt; daar hun verkregen blazoen (zynde drie zilvere schilden op een blaau velt) noch de gedachtenis van draagt. K. v. Mander melt van dit voorval in 't leven van Albert Durer, op pag. 131. B. Als ook een diergelyk in 't leven van Hans Holbeen p. 143. Edoch hoe dit ge melde wapen aan den naam van St. Lucas wapen komt, staat t'onderzoeken. De schryvers die zomwylen hun werk hebben gemaakt van de oudtydze veranderingen, zoo Kerkelyke als Wareltlyke, te doorsnuffelen, hebben aangemerkt; wanneer deze Landen, in macht van Menschen en Steden aangegroeit, de Roomsche Gods Schilders en Schilderessen. 241 Godsdienst, en het waereltlyk bestier gezetelt was, datmen toen voor de Ambagt- en Hantwerk lieden Gilden of Broederschappen heeft opgerecht, dezelve met voordeelen en voorregten begiftigt, en dezen of genen Heylig tot patroon of beschermengel toegevoegt: als by voorbeelt het Timmer luiden Gilt aan St. Joseph: de Smits aan St. Elooi: de Schoenmakers aan St. Krispyn: de Kleermakers aan St. Joan den Dooper: de Schilders aan St. Lucas. en zoo voort; welke in de Kerke een byzonder Kapel en Altaar hadden: en aan welke zy op zekere tyden Kerkdienst pleegden en offerhanden deden, van waar de spreekwyze: St. Lucas moet op zyn oud kleed een nieuwe lap hebben, oorspronkelyk is. Dus ook verscheydene andere Broederschappen, als van St. Huibregt, die de vrye Jacht ten voorrecht hadden, en diergelyke meer, welke zekere wyze van Godsdienstige plechtigheden, d'een meer d'ander min, volgens de instelling, ve plicht was aan zynen patroon of patronesse; als by voorbeelt de Konfraterniteit, of Maria's Broederschap, welke volgens de instellinge verpligt was op de Feestdagen van Maria Missen te laten doen, en gebeden voor de afgestorvene Broederen op gezette tyden: 't welk zy, als de stadt 's Hartogen bosch aan de Heeren Staten 1629 over ging, in de Kapitulatie bedongen onverhindert te mogen onderhouden; gelyk het ook zoo gebleven is, uitgezondert dat zulks in 't verborgen, om geene ergernisse te geven, geschiedde, tot den jare 1642. wanneer het meestendeel uitgestorven was, laten de zommigen die van den Hervormden Godsdienst waren zich daar by inschryven, 't welk van de Heeren Predikanten in dien tyd euvel opgenomen werd, die daar Classicale handelingen over beleydI. DEEL. den Schouburgh der 242 den in verscheide steden, en opstellen maakten, die zy aan de Universiteiten afvaardigden. De Predikanten op het Classis te Gornichem vergadert in Juni 1643 waren de eersten die dit werk ter hand namen, en hunne voorstellingen en vragen daar omtrent den Professoren te Leyden in schrift toezonden. Jakobus Trigland, en Fredrik Spanheim waren toenmaals hoogleeraren in de Godgeleertheit. Dien 't lust kan het Boekje, Oordeel van verscheiden Leeraars enz. over de Mariaansche Broederschap, door een liefhebber der waarheit, enz. gedrukt 1645, nazien: terwyl wy reeds te verre van 't spoor geweken, te rug stappen moeten, tot dien tyd, waar in Keyzer Karel de V. deze landen bestierde, om te zeggen dat hy zommige steden met voorregten heeft begiftigt; als ook de Gilden der zelve, bevoordeelt met zeker recht, waar door zy al 't geen hunnen handel en hanteringen hinderlyk en naadeelig was, buiten de steden hielden: zulks, die desselfs voordeelen wil den deelachtig zyn, genoodzaakt wierden, het Borger- en Gilderecht dier steden met gelt te koopen. Nu was het by vele van de Konstschilders dies tyds in gebruik gekomen, dat zy openbare winkels, en verkoopdagen van Schilderyen hielden, en dus zig, om hun voordeel te bejagen, met het voorregt van een Gild dekten. Maar als met 'er tyd het Glasschilderen geheel ten onbruik wierd, in enkel Glazemaken verkeerde, en door de slegte tyden gemeene Konstfchilders mede tot den kladpot vervielen, en het getal der Grofschilders hielpen vermeerderen; en dus het Gildebroederschap meest in ambagtsgezellen bestond; hebben de Konstoeffenaars daar wat tegens aan gezien, als waar Schilders en Schildereffen. 243 waar het der Edele Konst oneer aangedaan, onder ambagtslieden getelt te worden. Waarom zy dan gelegentheit zogten om die Broederschap te ontgaan, en een konfraterniteit van enkele Konst oeffenenden op te rechten. Ook heeft men in zommige steden de konstlievenden daar mede onder betrokken; het welk die van Dordregt in den jare 1641 werkstellig maakten, door een verzoekschrift het geen zy aan de Eedele Heeren Borgermeeste ren en Schepenen dier stadt presenteerden, die hun die scheiding van den Gilde der Glazemakers, op eenige voorwaarden niet alleen hebben ingewilligt, maar den Konstschilderen ten voordeel door een Acte, ondertekent M. Berk, in den X Artykel vergunt en toegestaan: Dat niemant vermocht men eenige Schilderyen langens de straat te loopen, om die langs de deuren te veilen &c. XI. Dat niemant van buiten in komende vermocht eenige openbare verkoopingen van Schilderyen aan te rechten enz. En in eene nader verklaring van dezen XI Art. verleent 1643. Dat niemant wie by zy van buiten ofte van binnen, onder wat voorwendzel het zelve ook zoude mogen wezen, op geenerhande wyzen eenige verkoopingen van Schilderyen zal vermogen te houden. als alleen die van het Konstgenootschap van St. Lucas, gezeit de Fynschilders, enz. Dit spoor hebben de Konstschilders in verscheyde Hollandsche steden gevolgt. Die van 's Gravenhage, als my uit de aantekening, die daar van gehouden is, is gebleken, kwamen in den jare 1656 op den 15 van Sprokkelmaand by den anderen, om over de wyze van scheiding te beramen, en een verzoekschrift diesaangaande te presenteren aan den Raad dier plaats: en waren de verzoekers 48 in getal, en onder 1 deze Schouburgh der 244 deze DIRK VANDER LIS, toen Regerende Schepen. In 't zelve jaar wierd hun verzoek van scheiding uit het Gild van Glazemakers, Stoelemakers en Boekbinders toegestaan, en eerst het bovenste der Boterwaag, naderhand vier vertrekken boven de Korenmarkt tot hun vry gebruik gegeven. Het grootste vertrek dient tot de verkooping van Schil deryen, die uit sterfhuizen, of anderzins voorvallen, waar van de konfraterschap zyn voordeelen trekt. De zoldering van deze zaal, van onder te zien, is verdeelt in vier hoekstukken met een ovaal in 't midden, alle met beeldwerk konstig beschildert. Het eerste hoekstuk door THEOD, VANDER SCHUUR geschildert, verbeelt de drie hoofdkoleuren. Het tweede door DANIELMYTENS, daar de Deugt de Historien op den rug van de Faam schryft, die door haar worden uitgebazuint. Het derde door AUG. TERWESTEN, waar in de Perspectief, Doorzichtkunde en Architecture, of Boukonst zig vertoont. Het vierde door ROBB. Du VAL waar in de Astronomie of Starrekunde, en Geometrie of Meetkonst gezien wort. Het middelvak, door WILL. DOU DYNS beschildert, vertoont de Haagse stedemaagt, onder welker bescherming zig de Schilderkonst, Beelthouwery, Glasschildery en Graveerkonst, aanbieden. Hier nevens aan zietmen Pallas verzelt met de Konstliefde, de Grofschilders met ladder en kladpot: De Boekbinders met schroef en pers, en de Stoelmakers met hun gereedschap, in yver ten konsthemel uytbonzen. En in het schoorsteenstuk door MATT. TERWESTEN geschildert, ziet men de jeugt door Merkuur opleyden, tot de konstschool, aangespoort door roem en beloning. Het tweede vertrek dient tot hun vergaderplaats, en pronkt met een glazekas vol Konstboc Schilders en Schildereffen. 243 boeken met vergulde banden, by 't afsterven van dezen en genen tot hun gedachtenis aan de Konst kamer vereert, als ook in twee lysten, de Lykvaarzen, op d'uitvaart der beruchte Konstschil ders Daniel Mytens, voorgevallen op den 19 van Herfstmaant 1688, en Willem Doudyns, 't eene door J. STERRENBERG, 't ander door SILVIUS, berymt. Het derde vertrek tot de gemeene Tekenplaats of Academie opgeregt in den jare 1682. Het vierde vertrek dient tot gebruik van den knecht van 't Konstgenootschap. Haarlem, een der oudste Steden van Hollant, heeft al vroeg een bloejende Konstschool, en talryk Konstgenootschap binnen zyn ringmuur gezien. Maar om niet alles op te halen, uit vreeze dat het den Lezer verdrieten mocht, zal ik maar alleen van het Konstgenootschap der Antwerpse Schilders iets melden:eerst om dat hun Konstgenootschap vroeger in tyd is begonnen, dan een der Konstgenootschappen van Nederlant: ten tweede dat ook geen der zelve met zulke voordeelen is begunstigt, dan dat van Antwerpen. Inzonderheit heb ik de gedachtenis daar van willen ververschen; op dat alle Stedebestierders door dit loffelyke voorbeelt gespoort mochten worden, om dergelyke hulpmiddelen tot opbouw der Konst, en roem der Steden aan de zelve te schenken. Ik vind in het MEMORIAAL van de Schilders kamer tot Antwerpen geboekt, dat dezelve begin genomen heeft met het jaar 1450, en dat 1454 de konstschilders zig tot een voegden en een konstgenootschap aanvingen, waar van JOAN SNELLAERT en JOAN SCHUERMAEKER de eerste Regenten of Overluiden waren. Sedert welken tyd de konst daar met grooten luister gebloeit heeft, gelyk het konstgenootschap ook (op 23 dat Schouburgh der 246 dat de konst zig meer en meer voortzetten zoude) een Academie, of oeffenplaats om naar 't naakte leven te teekenen, heeft opgerecht in den jare 1664. en in den jare 1695 een pleister-Academie waar toe zy de keurlykste afgietsels der geachtste Antiken hebben opgezocht. Welke Academien of konstscholen vergroot en verbetert zyn in den jare 1694 en 1695 sedert welken tyd dezelve kamer pronkt met het marmere Borstbeelt van den Hartog van Beyeren, toen Gouverneur van de Spaansche Nederlanden en groot beminnaar van konsten, inzonderheit de Schilderkonst, als ook een yverige voortplanter dier oeffening Het geldt tot onderhoud van gemelde twee Academien en verdere kosten die daar op loopen, word gevonden uit 12 vrybrieven door de Gouverneurs uit order van den Koning van Spanjen aan het konstgenootschap vergunt, om de gemelde kosten tot opbouw der konst goet te maken. Yder der zelve word waardig geschat 800 gulden meer of min, na die schaars te bekomen zyn, en zy worden van het konstgenootschap verkocht aan gegoede Borgers; om van alle Borgerbeam tingen, die kostbaar en lastig vallen, vry te zyn voor hun leven: als Gildemeester- Kerkmeester-, Wykmeester-Vaandrig- en mindere Officierschappen van de Borgerwacht. Welke vrybrieven, de bevoordeelden overleden zynde, straks weder vervallen aan het konstgenootschap dat dezelve weder op nieus aan anderen verkoopt, en tot onderhout der konstschole zig van die penningen bedient. De twee laatste der gemelde vrybrieven zyn hun door gunst der Keurvorst van Beyeren bezorgt, wanneer zy hem tot Protector van de konst, en het Schilders en Schilderessen. het konstgenootschap inwydden. Dit geschiede op den 2 van Sprokkelmaand 1693. De schilders kamer was rykelyk behangen met penceelkonst van uitmuntende Meesters, en de Heer Jan Babtist Gryns oud Borgermeester, en hoofdman der konstkamers, en Dekens haalde den Vorst op, gelicht door menigte flambouwen, tot de konstzaal, daar een tafel met kostelyke spyze stont aangerecht om zyne Doorl. te onthalen. Waar by zig allerhande konstig snarenspel deed hooren, en naar het eindigen opende zig een tooneel, daar zig de Antwerpsche Steedemaagt treurig leunende op een waterkruik (verbeeldende de Schelde) op vertoonde. Straks verscheen Apol die haar naderende dus aansprak: Hoe leit de Stedemaagt zoo treurig wat reden zyn 'er die u de zilte tranen langs de bleeke wangen doen rollen? gryp moet; de Goden zyn door uw klachten bewogen. Als ik in het morgenkrieken (vervolgde de Zonnegodt) myn heng sten uit het pekel opmende, zag ik een Held uit het huis van Oostenryk tot u naderen; om u in zyne bescherminge te nemen, waar door de konsten weder als voorheen in vollen luister zullen bloejen enz. Ook kwam een Beelthouwer en Schilder op het tooneel. Deze met een beschildert doek, daar de belegering van Belgrado op afgebeelt stont, en boven dezelve de Faam, die des Vorsten roem trompette: 't welk ook de voorname toeleg van dit spel is, 't geen ook B. Ogier huisvrouw van Guil. Kerricx die het zelve berymt heeft, te kennen geeft. En zeker dit spel verdient dat men 't pryze, te meer wyl het in zoo korten tyd opgeslagen is. Twee Q4 248 Schouburgh der Tweemaal vier en twintig uuren Tusschen dag en tusschen nacht, Heeft dit op 't tooneel gebracht. Maar het geestigst in 't spel was dit, dat gemelde Kerricx het borstbeelt van den Vorst naar een geschilderd afbeeltzel in marmer gemaakt had, zonder dat de Vorst daar iets van wist, en het zelve met pleister overtogen, werd als of 't een ruwe blok steen waar, op het toneel gebracht. De beelthouwer die onder 't spel zomtyds den Keurvorst aanzag, als wilde hy zyn beeltenis in marmer uithouwen, gaf zomwyl een slag met den hamer op het zelve, waar door dan eerst een brok af sprong, die de bovenkruin ontdekte, dan eens het eene oog, dan het ander, de neus en zoo voorts, tot het beelt zig volkomen deed zien. Waar over de Keurvorst verwondert stont te kyken, en verklaarde dat hem nooit zulk vermaak aangedaan was. Dit borstbeelt staat noch op de Konstkamer. Beter was 't voor de Konst geweest zoo hy zelf waar tegenwoordig gebleven. Ja het is te beklagen dat verwisseling van staat zyn Kunst vuur gedooft heeft; want dat deed ook anderen ontvonken, zoo dat de Konst tot groote waarde steigerde. Hier mee willen wy onze Redenvoering eindigen. en de Toncelgordyn openen met de Konstschilder AALBERT KUIP geboren te Dordrecht in 't jaar 1605. Deze was de zoon van JAKOB GERRITZE KUIP een braaf schilder, by wien hy de konst geleert heeft, hoe wel hy in handeling veel van zyn Vader verscheelde; want hy wat meer aan den netten kant was: ook zoo ruw in zyne penceelbehandeling niet als zyn Neef BENJAMIN KUIP die een medeleerling met hem was: hoc Schilders en Schilderessen. 249 hoewel ik'er dingen van gezien heb, die meesterlyk aangetoetst waren. Daarenboven hield zig zyn Vader aan eenerhande verkiezinge. Hem daar entegen scheen het evenveel te wezen wat hy ook maakte. Ossen, Koeyen, Schapen, Paarden, Fruit, Lantschap, stil water met Schepen; 't scheen hem alles onverschelig te wezen, en daar men zig over verwonderen moet, is, dat hy alles even fraay en natuurlyk schilderde. Daarenboven heeft hy inzonderheit wel in acht genomen de tyd stonden waar in hy de voorwerpen verbeeldde, zoo dat men den benevelden, morgenstont van den klaren middag, en dezen weer van den saffraanverwigen avontstont in zyn tafereelen kost onder scheiden. Ook heb ik verscheide maanlichten van hem gezien die heel natuurlyk verbeelt waren, en zoo geschikt dat dezelve een aangename spiegelin, in 't water maakten. Onder zyne konststukken zyn wel de voornaamste, daar hy de Dortsche Beestemarkt in verbeelt, als ook de Pikeurbaan, daar hy dan de schilderagstigste Paarden die daar gewoonlyk kwamen, in te pas bracht, zoo dat men dezelve kost onderkennen. Dat 'er na zyn dood geen modellen of teekenen van andere meesters by hem gevonden wierden is een bewys dat hy alleen de natuur tot leiding nam. 't Was ook zyn aart niet gelt daar aan te besteeden, want hy had altyt tot zinspreuk: In harde Ryksdaalders komt de mot niet. Egter was hy een man van onbesproken leven, en ouderling van de Gereformeerde Kerk. Hy heeft in zyn tyd menigte van lantschap zichten zoo buiten Dordrecht als elders geteekent, die met zwart kryt omgetrokken, en met sapjes opgewasschen, geestig en natuurlyk behandelt zyn. PIE. Q5 250 Schouburgh der PIETER DANKERS DE RY is geboren t'Amsterdam in 't jaar 1605. Hy was een goed schilder van pourtretten Zyn penceelkonst was zoo in Nederland als in andere gewesten geacht, als aan dit onderstaande vaarsje, in zyn tyd tot zyn lof gerymt, blykt. O wyd befaamde Konst die menig Ryk doorwandelt, Als gy uw eel penceel wel naar het leven handelt, Gelyk aan 't Poolsche Hof heeft menigmaal gedaan DERY, daar van zyn hand veel brave stukken staan. Gelyk de luister der Zonne, die 's morgens uit den dageraad geboren is, uitgeschenen, in eenen benevelden avondstont wegzinkt: even dus is het ook met het menschelyke leven. Het jaar 1606 heeft verscheide Sonnen aan de kimme van den konsthemel zien opgaan; en weer andere na zy de waerelt alom beschenen hadden, zien ten grave dalen. Onder deze was KAREL VAN MANDER Konstig schilder, en Schryver van het leven der Konstschilders. Ook zouden wy (om zyne verdiensten) verpligt zyn geweest, hem onder de braafste Nederlandze Konstschilders te gedenken, ten ware zyne levenswyze, en wat hy gewrogt heeft, uitvoerig ware beschreven, 't geen in den tweden druk van 1618. agter zyn werk geplaatst is. Dus wy van hem niet te zeggen hebben als (wyl door verzuym het jaar, en de maand waar in zyn sterftyd is voorgevallen, daar in is vergeten) dat hy zynen levensloop geeindigt heeft op den 11 van Herfstmaand, in t jaar 1606. oud 58 jaren, en dat de puikdichter J. v. Vondel 't zyner eere dit vaars of zyn beeltenis gemaakt heeft: SIC Schilders en Schilderessen. 251 SIC ITUR AD ASTRA. Men ziet den Geest van ouden KAREL zweven, In deze prent, maar levender in't werk Van't Schilderboek, waar in de Schilders leven, Na hunnen tydt, zyn pen, in't worstelperk Der Schilderkunst, de leerb're jeught leert stryen En worstelen, op't voorbeeld van Natuur, En haar ontvouwt den zin der schilderyen Van Nazoos Dicht, dat Jovis blixem vuus Braveert met zyn gestalte wisselingen, Zoo goddelyk en kunſtiglyk verknocht Als MANDER haar ontknoopte, en op dat zingen D'Orakels van dien Helt te voorschyn broght. Wat eischt dit beelt? geen gout, noch geen juweelen, Een Schilders kroon van d'edelste penceelen. MDCLVII. Als mede dat hy een zoon naargelaten heeft KAREL genaamt, zyn Vader niet ongelyk in konst en vernuft. Inzonderheit was hy berucht door 't schilderen van Pourtretten, waarom hy ook door den Konink van Denemarken is ontboden geweest, daar hy zig door zyn konst en gedrag bemint heeft gemaakt, en van daar veel roem en voordeel weg gedragen. Dit bevestigt de Prins der Nederduitsche Dichteren in 't hooft van 't vaars dat hy op 't afbeeltzel van zyn Koninklyke Majesteit, te Denemark, Noorwegen en Gotten, Frederik den III, door onzen van Mander geschildert, gemaakt heeft, daar hy hem noemt Hofschilder van zyn Majesteit, en vorders zig dus laat hooren: Den Schouburgh der 252 Den geest van Mander, om de Majesteit te malen Van Konink Frederik, ontbreekt geen verf, maar vier, Dat uit vier Kroonen gloeit met levendige straelen, Of uit zyn Noortstar geeft een' goddelyken zwier. Wat raet? de Schilder zit bekommert, en verlegen. In groote zaeken mist de Konst haer kracht, en eisch. Penseelen zyn te licht om Scepters op te weegen; Dies maelt hy in't verschiet de Zee, en't Zeepalais, De Sont, en Kroonenburgh, op dat men 't beelt moght kennen. De flaeuwe schildergeest met merken van de Kroon Zyne onmaght sterken moght, eer hy verflaaude in 't rennen. Zoo strykt de Kunst haar vlagh voor's Konings glans en troon. En gelyk deze alleen door de verstandige leerlessen tot die hoogte in de Konst geklommen is geweest, zoo zyn er ook meer brave mannen door zyn onderwys voortgesproten, als JAQUES DE MOSCHERO, KORN. ENGELSZ, HENDR. GERRETZ., FR. VENANT enz. inzonderheit FRANS HALS. 'T schynt my toe dat des ouden Karels zoons zoon mee een oeffenaar dier Konst geweest is, uit dit vaars, dat Vondel op zyn eigen Afbeeldin, door hem geschildert maakte, dat dus luid: Ik sloot een ring van tienwerf zeven jaren, Toen Mander, wiens penceel, zoo ryk begaeft, Op s Grootvaêrs spoor en faem ten hemel draeft, My schilderde, bezaait met gryze haeren, Daer Schilders en Schildereffen. 253 Daer Fredriks Kroon ontzien wort, en benyt, Zoo kan myn schyn noch leven na myn' tyt. MDCLVII. Wy hebben tot nog toe gezien dat Antwerpen wel de grootste lyst der Konstschilders heeft opgelevert tot onzen Schouburg; maar andere Steden brengen hunne vernuften mee op de Rol, gelyk Mechelen PEETER FRANCOIS Lucasz. geboren in t jaar 1606 op den 20 van Wynmaand. Hy heeft de Konst eerst by zyn Vader, daar na by Gerard Segers tot Antwerpen geleert. Zyn geneigtheit strekte wel meest tot het schilderen van Lantschappen met kleene Figuurtjes, die hy wonder net en zuiver schilderde, zoo dat ook de AartsHartoog Leopoldus een goet behagen in zyne werken gehad heeft, en hem langen tyd in zyn dienst gebruikt. Hy is gestorven den 11 van Oegstmaant 1654. en wy laten zyn Konst haars meesters lof melden. In dit zelve jaar 1606 is ook tot Brussel geboren LUDOWICUS anders LOUIS PRIMO geby naamt Jentiel. Deze, na dat hy dus veer in de Konst gevordert was (maar onder wiens opzicht weet ik niet) dat hy zig op zyn Konst (als men zeit) bedroopen konde, trok naar Romen, waar hy 30 jaren zig gehouden heeft. Zyne handelinge van schilderen was uitvoerig, zinlyk en net, daar het Brabants woord Jentiel zyne oorspronk uit genomen heeft. Zyn konst heeft d'eer van in des Paus Paleis, onder de beste Konst, geplaatst te wezen. Hy was 1660 noch in leven. Sandrard, die hem mede gedenkt onder de Konstenaren, wil, dat hem de bynaam Jentiel, als hy hem 254 Schouburg der hem in den jare 1626 te Roomen in de Bend begaf, is gegeven; om dat hy zig wel wist voor te doen, zig by groote luiden vervoegde, en als een geboren Edelman gedroeg Dit jaar 1606 byzonder vruchtbaar in 't voortbrengen van brave Konstenaars deed ook op den 15 van Wiedemaand aan den Ryn buiten Leyden REMBRANT te voorschyn komen. Zyn Vader werd door de wandeling Herman Gerritzen van Ryn geheeten, zynde een mulder op de Korenmolen tusschen Leyerdorp en Koukerk aan den Ryn, en zyn moeder was Neeltje Willems van Zuitbroek genaamt, welke door dat beroep eerlyk aan den kost konden geraken. Onze REMBRANT VAN RYN een eenige zoon zynde, wierden zyne Ouders voornemens van hem de Latynsche taal te laten leeren, en hem tot de geleertheit op te voeden, tot welken einde zy hem te Leyden ter schoole deden. Maar de byzondere drift, die hy tot de Teekenkonst hadde, deed hem van besluit veranderen, gelyk zy ook gevolglyk hem bestelden om de fondamenten dier konst te leren by Jakob Izakzen van Zwanenborg, by welken hy bleef omtrent den tyd van drie jaren, in welken tyd hy zodanig gevordert was, dat yder zig daar van verwondert hielt, en besluit maakte dat uit hem wat groots te verwagten stont, des besloot zyn Vader (om dat hem geen gelegentheit zoude ontbreken van een vasten grond, tot opbouw van de konst) hem by P. Lastman t'Amsterdam te brengen, by den welken hy zes Maanden bleef, en na dien tyd nog eenige maanden by Jak. Pinas tot hy besluit nam van voortaan by zig zelven de konst te oeffenen, 't geen hem wonder wel van eerst af aan gelukte. Anderen willen dat Pinas zyn eerste on Schilders en Schilderessen. 255 onderwyzer in de konst zou geweest zyn. En Simon van Leewen, in zyn korte beschryving van Leiden, zeit: dat Joris van Schoten de leermeester van Rembrant en Jan Lievensz. geweest is. Terwyl hy dan yverig en met grooten lust by zig zelven aan zyner Ouders huis, dagelyks de Konst voortzette, kreeg hy nu en dan bezoek van konstlievenden, welke hem eindelyk aanwyzing deden aan een Heer in den Haag, ten einde hy zeker stukje 't geen hy toen gemaakt had aan den zelven zoude vertoonen en aanbieden. REMBRANT trok daar op met het zelve te voet naar den Haag, en verkogt het voor hondert gulden. Hy, wonderwel in zyn schik en niet gewoon zoo veel gelt in zyn buidel te hebben, verlangde straks om op 't allerspoedigste t'huis te komen, op dat zyne Ouders deelgenooten wierden van de verheugenis die hy daar over hadde. Te voet gaan was nu te gering, met de Jachtschuit te varen te gemeen, des ging hy op de wagen zitten, die naar Leiden reed. Wanneer zy nu aan 't huis den Deil pleysteren zouden, en elk van den wagen afging om zig te ververschen, bleef onze REMBRANT alleen op den wagen zitten, by zynen buit, vertrouwende den zelven niet alleen. Wat gebeurt'er? de kreb naau weg gezet, terwyl de wagenaar vast met de rest van 't volk aan kwam treden, raken de paarden op den hol, en rennen met hem voort, zonder zig aan 't keeren te steuren tot binnen de Poort van Leiden, en bleven voor hun gewone Herreberg met den wagen stil staan daar elk zig over verwonderende, hem vraagde hoe zulks waar by gekomen; waar tegens hy niet veel praat hielt, maar zig van den wagen en met den buit weg maakte 256 Schouburgh der maakte naar zyne Ouders, wel vergenoegt dat hy dus voor niet en zonder eenige kosten spoedigen als anders tot Leiden gebrocht was. Thans deed hem dit blinkend beginsel de hoop van geltwinning vooruit zien, en zyn konstdrift op die wyze gespoort nam zoodanig toe in de konst dat hy aan alle konstkenneren genoegen gaf. Dus kreeg hy (als het spreekwoort zeit) de handen vol werk. En dewyl hy naderhand, zoo om 't schilderen van pourtretten als andere stukken, dikwils genootzaakt was tot Amsterdam te komen, vond hy goed (ziende dat die Stadt inzonderheit hem gonstig scheen te wezen, en zyn opkomen daar in te voorspellen) zig met 'er woon daar na toe te begeven, 't geen was ontrent den jare 1630. Daar zynde vloeide hem het werk van alle kanten toe; gelyk ook menigte van Leerlingen, tot welken einde hy een Pakhuis huurde op de Bloemgraft, daar zyne leerlingen elk voor zig een vertrek (of van papier of zeildoek afschoten) om zonder elkander te storen naar 't leven te konnen schilderen. En gelyk'er onder de Jeugt, inzonderheit als'er veel by een zyn, wel zomtyts iets klugtig voorvalt; zoo gebeurde 't hier ook. Want een van dezelve een vrouweleven tot model noodig hebbende, bragt het zelve in zyn afgeschoten vertrek. Dit lokte de anderen tot nieusgierigheit. zoo dat zy op hunne kousen (om niet gehoort te worden) by beurten door eene kleine scheur, met voordagt daar toe gemaakt, het spel betuurden. Nu was het op een warmen zomersen dag wan neer dit voorviel; des de teekenaar of schilder zig zoo wel als het model moedernaakt ontkleedden. Wat dertele behandelingen en reden Schilders en Schilderessen. 257 denwisseling tusschen die twee voorvielen, konden de aanschouwers van dit blyspel melden. En gebeurde 't op den zelven tyd dat REMBRANT kwam om te zien wat zyne leerlingen deden, gaande om hen te onderwyzen naar gewoonte by den eenen voor en den anderen naa, tot dat hy ook eindelyk by het vertrek daar deze naakte gelieven by een zaten kwam, dat hy wel dicht gesloten vord, en van de zaak verwittigt eenigen tyd stil dit spel door de gemaakte splete beschoude, tot dat hy onder meer woordenwisselingen hen hoorde zeggen: Zekernu is 't even of wy Adam en Eva waren in't Paradys, want wy zyn beide naakt. Waarop hy met zyn schilderstok op de deur klopte, en met een luide stem tot beider verbaastheid hun dus toeriep: Om dat gy naakt zyt, daarom moet gy het Paradys uit, nootzaakende door bedreigingen zyn leerling van binnen de deur te openen; zoo dat hy binnen kwam, het spel van Adam en Eva stoorde, 't blyspel in een treurspel deed verwisselen, en den gewaanden Adam en zyn Eva met slagen uitdreef, zoo dat zy ter naauwernood in 't afloopen van de trappen nog een gedeelte van hunne kleederen om 't lyf kregen, om niet naakt op de straat te komen. Hy was in opzicht van de konst ryk van gedachten, waar om men van hem niet zelden een menigte van verschelige schetzen over een zelve voorwerp ziet verbeelt, ook vol van veranderingen zoo ten opzigt van de wezens, en wyze van staan, als in den toestel der kleedingen; waar in hy boven anderen (inzonderheit zulken, die dezelve wezens en kleedingen, even of het al twee lingen waren, in hunne werken te pas brengen) is te pryzen. Ja hy munte daar in boven allen l. DEEL. un: 258 Schouburgh der uit: en niemant weet ik dat zoo menige verandering in afschetzingen van een en 't zelve voorwerp gemaakt heeft; 't welk ontspruit uit aandagtige bedenkingen der menigerhande Hartstochten, die op zulk een zaak noodzakelyk bewogen, en gaande gemaakt in der menschen wezens inzonderheit door vaste kentrekken zig doen zien, en ook uit de onderscheidentlyke beweginge der lichamen zig vertoonen. Om een voorbeeld te stellen: daar Kristus zig door de brekinge des broods aan zyne Discipelen die met hem naar Emaus gegaan waren, doet kennen, zyn'er verscheiden schetzen (behalven de twee die 'er in druk uitgaan) by de beminnaars van de teekenkonst bekent. En geen minder getal afschetzingen zyn'er van de gestalte der twee Discipelen als Kristus uit hunne oogen verdwenen was, waar door zy verzet, verbaast enverwondert stonden. Wy hebben een der zelve die ons best beviel, om den Hartstocht van verwonderinge die daar in waar genomen is, en het verbaast staaren met het gezicht op den ledigen stoel, waar in Kristus een oogenblik te voren gezeeten, nu daar uit verdwenen was, tot leidinge voor de noch onbedreve schilderjeugt in plaat gebragt, en hier nevens vertoont. De bedrevenen moeten myn yver niet ten kwade duiden; 't is om de jeugd aanleiding tot opmer ken te geven, en die niet ondankbaar zyn zullen myn moeite met dank loonen; want zulke voorbeelden, zyn (gelyk de Spaansche zinspreuk zeit) als de hand die de Ossen met den muil by 't water leid. Maar een ding is te beklagen dat hy zoo schigtig tot veranderingen, of tot wat anders gedreven, vele dingen maar ten halven op gemaakt heeft, 200 259 in geet p denkand ge ng nau inzonns print de wy m; om us heeft e ruwe heeft in ruwe indelyk ok met b, daar en de op teeik doen verantster zyn : hy om schooen staal 7ze van beurde n had, en; dit igt een endoek n doo. en veel stretten p zoutooveel dat hy liever 258 uit: c ring in gemaa bedenk op zull de ge heit do uit de zig vel Kristu Discip ren, (behal bemini minde: der twe dwene dert st best be die daa ren me tus een dwene schilde toont. De duiden ken te myn II beelder als de leid. Maa tig tot vele dii Schilders en Schilderessen 259 zoo in zyne schilderyen, als nog meer in zyn geët ste printkonst, daar het opgemaakte ons een denk beelt geeft van al 't fraajs dat wy van zyne hand gehad zouden hebben, ingevallen hy yder ding naar mate van het beginsel voltooit hadde, als inzon derheit aan de zoo genaamde hondert guldens print en andere te zien is, waar omtrent wy over de wy ze van behandelinge moeten verbaast staan; om dat wy niet konnen bepen hoe hy het dus heeft weten uit te voeren op een eerst gemaakte ruwe schets, gelyk blykt dat hy gedaan heeft aan het pourtretje van Lutma dat men eerst in ruwe schets, daar na met een agtergront en eindelyk uitvoerig in print ziet. En dus ging het ook met zyne schilderyen, waar van ik 'er gezien heb, daar dingen ten uitersten in uitgevoert waren, en de rest als met een ruwe teerkwast zonder agt op teekenen te geven was aangesmeert. En in zulk doen was hy niet te verzetten, nemende tot verantwoording dat een stuk voldaan is als de meester zyn voornemen daar in bereikt heeft, zoo ver dat hy om eene enkele parel kragt te doen hebben, een schoone Kleopatra zouw hebben overtaant. Een staal van zyne koppigheit omtrent diergelyke wyze van behandelingen schiet my te binnen. 'T gebeurde dat hy een groot pourtretstuk onder handen had, waar in Man Vrouw en Kinderen stonden; dit stuk ten deelen afgemaakt, komt onverwagt een aap dien hy had te sterven. Hy geen anderen doek gereed aan de hand hebbende, schildert dien dooden aap in 't gemelde stuk, daar die luiden veel tegen hadden, niet willende dat hunne pourtretten by dat van een afschuwelyken stervenden aap zouden te pronk staan. Maar neen: hy had zoo veel liefde voor dat model van den dooden aap dat hy R 2 liever Schouburgh der 260 liever dat stuk onvoldaan wilde aan zig houden. dan hun ten gevallen de kwast 'er op zetten, gelyk ook geschiedde; waarom het gemelde stuk ook naderhant, tot een afschutting gedient heeft voor zyne leerlingen Egter zyn 'er nog vele van zyne konststukken, welke in 't geheel doorschildert en uitgevoert zyn, in de voornaamste Konstkabinetten te zien, alschoon 'er eenige jaren verleden vele tot hoogen prys opgekogt naar Italien en Vrankryk zyn gevoert. En ik heb opgemerkt dat hy in zyn vroegen tyd wel meer gedult gehad heeft om zyne konststukken uitvoerig te bewerken dan daarna. Onder verscheide bewys-stalen is dit inzonderheit aan dat stuk te zien dat by den naam van St. Pieters scheepje bekent is, 't geen veel jaren in 't kabinet van den Heere Jan Jakobzen Hinloopen, voorheen Schout en Borgermeester tot Amsterdam, gehangen heeft. Want de werking der beelden, en wezens trekken zyn daar zoo natuurlyk naar de gesteltheit van het geval uitgedrukt als te bedenken is, daar benevens veel uitvoeriger geschildert als men gewoon is van hem te zien. Ook is ter zelver plaats een stuk daar Haman Hester en Assweer vergast, door Rembrant geschildert, waar van de Dichter Jan Vos, als een verstandig konstkenner, den inhout des zelfs, nevens de kracht der byzondere gemoedsdriften, daar in te bespeuren, dus uitdrukt: Hier zietmen Haman by Asweer en Hester eeten. Maar't is vergeefs, zyn borst is vol van spyt en smart. Hy byt in Hesters spys: maar dieper in haar hart. De Koning is van wraak en raazerny bezeeten. De Schilders en Schilderessen. 261 De gramschap van een Vorst is schrik'lyk alsze raast. Die alle mannen dreigt, wort door een vrouw verbaast. Zoo stort men van den top in 't dal der tegenspoeden. De wraak die langzaam komt gebruikt de strengste roeden. Dus is ook het stukje 't Vroutje in overspel bevonden, genaamt, by den Heere en Meester Willem Six oud Scheepen der Stadt Amsterdam. Als ook het stukje de predikinge van Johannes den Dooper, in 't graauw geschildert; verwonderlyk om de natuurlyke verbeeldingen der toeluisterende wezenstrekken, en veranderlyke bekleedingen byden Heere Postmeester Johan Six mede tot Amsterdam to zien. Waarom ik ook vast moet besluiten dat hy daar inzonderheit zyn werk van gemaakt, en op de rest zoo veel agt niet gegeven heeft. Hier in word ik te meer verzekert, om dat verscheiden van zyne leerlingen my hebben verklaart, dat hy zomtyts een wezen wel op tienderhande wyzen afschetste eer hy 't zelve op paneel bragt; ook wel een dag of twee konde doorbrengen om een Tulleband naar zyn zinlikheit op te tuigen. Maar wat het naakt belangt daar ontrent heeft hy zoo veel voorbereidselen niet gemaakt, maar daar meestentyd slordig over heen geloopen. Zietmen een goede hand van hem 't is zeltzaam, wyl hy dezelve, inzonderheit by zyn portretten, in de schaduw wegdommelt Of het mogt een hant zyn van een oude berimpelde Bes. En wat zyn naakte vroutjes aanbelangt, de heerlykste voorwerpen voor't konstpenceel, en daar alle berugte meesters van ouds af, al hun vlyt op hebben gelegt; die zyn (als het spreekwoort R 3 zen, Schouburgh der 262 zeit) te droevig om'er van te zingen, of te spelen. Want het doorgaans vertoonzelen zyn daar men van walgen moet, en zig verwonderen dat een man van zoo veel vernuft en geest zoo eigenzinnig in zyne verkiezingen geweest is. T zal den Lezeren niet vervelen, inzonderheit den genen welke geneigtheit hebben om de behandelingen der konst volgens de rede en zekersten gront te kennen, 't zy om die tot gebruik te maken of daar van te konnen spreken, op dat zy weeten en verstaan de grontleidingen der onderscheiden begrypen die groote meesters in het behandelen dezer konst hebben gehad, en die zy zig als een grondwet hebben voorgestelt; dat ik eens twee groote lichten in de Schilderkonst in opzicht van hunne wyze van doen in vergelyking breng, en dan myn oordeel, met dat van K. v. Mander gepaart, vryborstig uitzeg. Deze verhaalt dat Michael Angelo plag te zeggen: Dat alle schilderwerk, 't zy wat, of van wien gemaakt, maar kinder-en beuzelwerk is, zoo niet alles naar 't leven geschildert is, en datter niet goet of beter kan wezen, dan de natuur te volgen; over zulks by niet cenen enkelen streek deed, of by zette het leven voor zig &c. Van deze meening was ook onze groote meester REMBRANT, stellende zig ten grondwet, enkele naarvolging van de natuur, en alles wat daar buiten gedaan werd was by hem verdacht. Wat besluit nu van Mander op dit gestelde? Dit: Dat het geen kwade weg is om tot een goed einde te komen: want naar teikening (of zy schoon na 't leven komen) te schilderen, is zoo gewis niet als het leven voor zig te hebben, en de natuur met al haar verscheiden verwen na te volgen; doch behoeftmen eerst zoo veer gekomen te wezen in verstant, Schilders en Schildereffen. 263 stant, dat men 't scheonste leven uit het schoon onderscheiden kan, en weet uit te kiezen. Hier leit de knoop: Het schoonste uit het schoone te konnen verkiezen, dien wy noch wat vaster zullen trachten te leggen. Wy willen graag toestemmen dat naar 't leven te schilderen nootzakelyk en goet is, maar dat dit niet tot zoo een algemeenen grondregel kan gebragt worden, dat het leven enkel te volgen de eenige weg zoude wezen om volmaakt in de konst te worden; want dan zoude nootzakelyk moeten volgen, dat de genen die zig meest gewenden naar 't leven te schilderen de beste meesters in de konst waren, dat niet algemeen doorgaat, maar in tegendeel ontrent velen onwaar bevonden word. Want my zyn schilderyen voorgekomen, waar in alles met grooten arbeid, en met de uiterste uitvoerig heit naar 't leven was geschildert, en nochtans was 'er in dezelve noch houding, noch wykin, noch schikking, noch teekening. En weder andere die zoo stip niet naar 't leven gevolgt waren, maar daar de geest des schilders meer in doorstak, die in allen deelen van de konst welstandig waren, en voor goede en deugtzame schilderyen konden doorgaan. Daar beneffens is 'er een onnoemelyk getal van dingen, en voorwerpen, die yder op hun beurt in het schilderen te pas gebragt worden, daar het leven niet toe gebruikt kan worden; als by voorbeeld vliegende, buitelende, springende, of loopende beelden, welker beweging en werking alle oogenblikken veranderen, waar door de schilder zig op die wyze daar van niet kan bedienen. Egter zyn'er ten allen tyden meesters geweest die tot hun grooten roem diergelyke voorwerpen wonderlyk R 4 naz 264 Schouburgh der naar de konst hebben weten te schilderen, buiten behulp van 't leven. Ja hoe zouden zulke die groote vaste stukken schilderen 20 of 30 voeten van den grond, op steigeringen en schragen, het leven hebben konnen gebruiken? by gevolge hebben zy hun vaste denkbeelden, en modellen ten voorwerp moeten gebruiken om daar na te schilderen. Nog eens. Stel eens, men moet vreugd, blydschap, droefheit, schrik, toorn, verwondering, veragting enz. dat is, de menigerhande lydingen van de ziel. door vaste en kennelyke wezenstrekken vertoonen. Hoe zal men 't daar mee maken? gy zult licht antwoorden: men kan het levend model gebieden te lachen, te schreyen &c. en op dusdanige wyze 't leven gebruiken. Ja, maar dan is 't ook wel schreyen dat m'er om lachen zou, en treurig zien of m'er mee spotte, om dat het lichaam de vereiste aandoening niet hebben kan zonder drift der ziele; en over zulks de wezenstrekken niet natuurlyk zyn; dewyl zy niet door aandrift der geesten, maar gedwongen het wezen ploojen. By gevolge kan door navolging van 't leven in dit opzicht onmogelyk voldaan worden aan de konst, maar het werk moet noedwendig gebrekkig blyven; om dat in het voorwerp vermist wort, 't geen in 't konstwerk wort vereist. Ook blyven vele gemoetsdriften zoo lang niet in stant; want de wezenstrekken straks op de minste veranderlyke aandoening van gedaanten verwisselen, zoo dat'er naau tyd is van naschetzen, ik laat staan van te schilderen, en by gevolge kan'er geen andere wyze bedagt worden waar door een konstoeffenaar in dezen opzicht zig bedienen kan, dan door een enkele bevatting en vast denkbeelt: Schilders en Schilderessen. 265 of men moet zig bedienen van het vernuft van zulken, welke door vaste regelen en konsttrekken elke byzondere gemoetsdrift tot leiding voor de leerbegerigen in plaatdruk de waerelt hebben meegedeelt. Gelyk daar is dat pryslyk Boek: DISCOURS ACADEMIQUES, 't geen door de meesters der Koninklyke Academie te Parys aan Monsr. de Colbert opgedragen is, naar welks voorbeelt wy ook een proerje van dien aart, door andere ontleende voorwerpen hebben opgestelt, en in het tweede Deel van Philaléthes Brieven te pas gebragt. Ymant zal licht zeggen, Rembrant heeft zig op het verbeelden der byzondere wezenstrekken wel verstaan, en wort daar in geprezen; heeft hy dit niet op vasten gront gedaan? Ik antwoort ja: maar op een gront welken ik niet tot een algemeene leiding kan stellen; naardien hy door een wonderbaar vast denkbeelt, de gemoetsdriften in dien oogenblik, wanneer dezelve zig in het wezen der voorwerpen vertoonden, heeft weten in te drukken, en zig daar van te bedienen: 't welk alleen een zeldzame natuurlyke hoedanigheid is; waar voor onze leerlessen niet noodig zyn: dienende onze leiding alleen om zulken die dat geluk niet bezitten, door beproefde weegen op te leiden; om daar toe bekwaam te worden. Om deze zaak aangaande 't gebruik van 't leven, nu noch wat klaarder aan te duiden, zoo zeg ik I. Daar moet voorafgaan een vast denkbeeld over het gansche bewerp van 't geen men maken wil, waar van men geen volmaakt denkbeeld vormen kan, ten zy men weet en kent wat tot het maken van zulk een konstwerk als men zig voorstelt vereist wort: te weten de schikkinge der Beelden, R 5 en 266 Schouburgh der en voeglyke werking onder malkander; om het model voor of daar na te schikken eermen tot het na 't leeven schilderen komt. Zonder dit staat al het werk op losse schroeven. Ik zal eens een voorbeeld van een minder beslag voorstellen. Om daar nu de proef op te maken, zeg ik: 'T is nootzakelyk dat men in de Accademie naar 't leven tykent; dit zal yder met my toestemmen, en licht daar byvoegen: datmen uit het leven, het leven leert kennen. 'T schynt fraay gezeit, Lezer, maar oordeelt niet te voorbarig; want de meeste van de jeugt die hier in Hollant naar 't naakte leven teikenen, teekenen zonder dat het hun nut doet: om dat zy een zeker oordeel en kundigheit missen, dat voor af moet gaan, zoo zy de vrugt van het naar 't leven teekenen willen genieten: Hier in bestaande, I. Dat zy zich niet genoeg gewennen het naateekenen van fraje Italiaansche en andere Printen en teekeningen. II. Dat zy zich niet genoeg bevlytigen in het naateekenen van pleister gevormt naar de fraaiste antique, als ook boetzeerzels van de geagtste meesters, zoo veer, dat zy hier door het schoone van het gemeene leeren onderseheiden. III. Dat zy de Menskunde in den gront niet verstaan, dat is al de spieren in het menschelyke lichaam niet kennen; om te weten hoe deze en gene spieren door beweging en rekking der armen of beenen van vorm veranderen, daar een pranging is opzwellen, daar een rekking is weder in een langwerpige of hoekige gedaante verkeeren. Het spreekwoort: men moet beslagen ten ys komen, komt hier te pas. Want zonder deze voorbereidzelen kan 'er niet een voetstap in de konst gevordert, noch het oogmerk dat men voor heeft met naar 't naakte leven te teekenen bereikt worden. Wilje nu de rede weten waarom? de men sche Schilders en Schilderessen. 267 schelyke lichamen verschelen van malkander hier in, dat de Musculen of spieren zig in 't eene lichchaam veel duidelyker vertoonen dan in 't ander. Wat zal nu iemant onbedreven in de Menskunde (wanneer de spieren zig door een flaauwe en twyffelagtige tint vertoonen) daar van maken? zulk een zal niet wetende wat hy ziet, ook op het papier brengen 't geen hy niet en weet wat het is, of waarom dat het zoo is, en by gevolge zoo onzeker of 't gedroomt ware. Daarentegen die zich des verstaat, en de spieren in hare beweginge plaats, en gedaante kent, weet van de twyffelag tigste ontdekkinge zig te bedienen. Dusdanige leidingen tot de konst heeft C. le Brun, opziender van de Academie des Konings van Vrankryk, in gebruik gebragt, en veel fraje geesten en berugte schilders daar uit voortgeteelt. Vondel zegt zeer wel in de Aanleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste: Die van zynen geest naar den Parnas gedreven, in den schoot der Zanggoddinnen nedergezet, en Apollo toegeheiligt wort, dient zyne genegenheit en yver door hulp van de kunst, en leeringe te laten breidelen; anders zal zulk een vernuft, hoe gelukkig het ook zy, gelyk een ongetcomt paart, in het wilt rennen; terwyl een ander door kunst en onderwys getoomt, den hengst slacht, die, onder eenen goeden roskammer en beryder, met roede en sporen gesemt en afgerecht zynde, overal by kenners prys behaalt. REMBRANT (om een einde van dit pleit te maken) wilde zig aan geene regelen van anderen binden, en noch min de doorluchtigste voorbeelden volgen van die, welke met het schoone te verkiezen zich zelven eenen eeuwigen roem gemaakt hebben; maar vernoegde zig met het leven te volgen, zoo als het hem voorkwam, zonder eenige kein Schouburgh der 268 keur daar ontrent te maken. Waarom ook de brave Dichter Andries Pels, heel geestig van hem zeit in zyn Gebruik en Misbruik des Tooneels. p. 36 dat hy, Als hy een naakte vrou, gelyk zomtyts gebeurde, Zou schild'ren, tot model geen Griekse Venus keurde, Maar eer een' Waster, of Turftreedster uit een schuur; Zyn' dwaling noemende naarvolging van natuur, Al't ander ydele verziering. Slappe borsten, Verwrongen handen, ja de nepen van de worsten Des ryglyfs in den buik, des kousebands om't been, 'T moest al gevolgt zyn, of natuur was niet te vreên, Ten minsten zyne, die geen regels, noch geen reden Van evenmatigheit gedoogde in 's menschen leden. Ik prys deze vryborstigheit in Pels, en verzoek dat de lezer myn openhartig oordeel ook zal ten besten duiden, als niet geschiet uit haat tegen des mans werk, maar om de verschelige begrypen, en onderscheiden behandelingen der konst met el kander te vergelyken, en den leerbegerigen tot naarvolging van het prysselykste aan te sporen. Want buiten dit moet ik zeggen met den voorgemelden Dichter: Wat was't een schade voor de konst, dat zig zoo braa; Een hand, niet beter van haare ingestorte gaaj Bedient heeft! Wie had hem voorby gestreeft in 't schilderen? Maar ag! hoe grooter geeft, hoe meer by zal verwildren, Zoo hy zig aan geen grond, en snoer van regels bindt. Maar alles uit zig zelf te weten onderwindt! Doch Schilders en Schilderessen. 269 Doch dit alles overgeslagen; zyn konst werd zoodanig in zyn tyd geacht en gezogt, datmen hem (als het spreekwoort zeit) moest bidden en gelt toegeven. Vele jaren agter den anderen heeft hy het met schilderen zoo drok gehad dat de menschen lang naar hunne stukken moesten wagten. niettegenstaande dat hy met zyn werk vaardig voortging, inzonderheit in zyn laatsten tyd, toen het 'er, van na by bezien, uitzag of het met een Metzelaars truffel was aangesmeert. Waarom hy de menschen, als zy op zyn schilderkamer kwa men, en zyn werk van dichteby wilden bekyken, te rug trok, zeggende: de reuk van de verf zou u verveelen. Ook wort'er getuigt dat hy eens een pourtret geschildert heeft daar de verw zoodanig dik op lag, datmen de schildery by de neus van de grondt konde opligten. Dus zietmen ook gesteente en paerlen, op Borstcieraden en Tulbanden door hem zoo verheven geschildert al even of ze gebootzeerd waren, door welke wyze van behandelen zyne stukken, zelf in wyden afstant, kra tig uitkomen. Onder een menigte van roemwaardige pourtret ten die hy gemaakt heeft, is'er een geweest by den Heere Jan van Beuningen, dat hy naar zyn eigen wezen had geschildert, 't geen zoo konstig en kragtig uitgewerkt was, dat het kragtigste penceelwerk van van Dyk, en Rubbens daar by niet kon halen, ja het hooft scheen uit het stuk te steken, en de aanschouwers aan te spreken. Niet min word ook, 't geen in de Galery van den Groothartoog van Florencen nevens de pourtret ten, van F. KONING, F. MIERIS, G. DOU, B. VANDER HELST, FERDINANSUS VOET van 270 Schouburgh der van Antwerpen, M. MUSSCHER, G. SCHALKEN, G. LAIRES, A. VANDER WERF, K. DE MOOR, en VANDER NEER, hangt, om de kracht van 't schilderen gepreezen. Dus veel oordeelen wy genoeg gezeit te wezen aangaande zyn penceelwerk. 'T lust ons (schoon zyn levensrol zig al vry wyd en breed heeft uitgestrekt) noch van zyn natuurlyke en onnavolgelyke etskonst wat te zeggen, 't geen alleen genoeg zoude geweest hebben om zyn roem op te houden. Van deze zyner ettelyke honderden onder de printkonstlievenden bekent, gelyk ook geen minder getal van schetzen met de pen op papier. waar in de driften van 't gemoet ontrent allerhande voorvallen zoo konstig en duidelyk zig in de wezenstrekken vertoonen dat het te verwonderen is. Toren, haat, droefheit, blytschap, en zoo voort, alles staat zoo natuurlyk afgebeelt datmen uit de pentrekken lezen kan wat elk zeggen wil. Onder vele die onder die menigte uitsteken is de verbeeldinge van Christus laatste Avondmaal 't geen ik by den konstminnenden vander Schelling heb gezien, thans in handen van meergemelden Heere Will. Six, het geen meer als twintig Ducatons waard geschat word, schoon het maar een enkele schets met de pen op papier is. Waar uit men besluiten moet: dat hy magtig is geweest op de beschouwinge der menigerhande gemoetsdriften, zig een vast denkbeelt in te drukken. Veel geestige Historien, Beeltjes, Portretjes, en een menigte van Manne-en Vrouwe-Kopstukjes zyn door hem met de naald ten eersten, en vele onder die heel uitvoerig in koper geetst, die tot genoegen der liefhebbers door den druk verspreit zyn. Hy Schilders en Schildereffen. 271 Hy had ook een eige wyze van zyne geetste platen naderhant te bewerken en op te maken: 't geen hy zyne leerlingen nooit liet zien; 't is ook niet te bedenken op wat wyze 't zelve gedaan is; dus is die vinding (even als de wetenschap van het Glas te koleuren, gelyk het Dirken Wouter Crabet van Gouda hebben gedaan) met den uitvinder ten grave gedaalt. Men ziet van het Pourtretje van Lutma (om een voor alle ten voorbeeld te stellen) drie onderscheiden drukken: eene die ruuw geschetst is, een wat meer opgemaakt, met byvoeging van een glasraam, en eindelyk een uitvoerig en kragti uitgevoert. Men ontdekt ook aan het portretje van Silvius, dat het op gelyke wyze eerst ruuw geetst is, de teedere tintelschaduwe en kragt daar naderhand is ingebragt, en zoo eel en zagt gehandelt, als door de schraapkonst kan gedaan worden. Dit doen bragt hem grooten roem en niet min voordeel by: inzonderheit ook het kunsje van lichte verandering, of kleine en geringe byvoeg zelen, die hy aan zyne printjes maakte, waar door dezelve andermaal op nieu verkogt werden. Ja de drift was in dien tyd zoo groot dat zulke luiden voor geen rechte liefhebbers gehouden wierden, die het Junootje met en zonder 't kroontje, 't Josepje met het wit en bruine troonitje en diergelyke meer, niet hadden. Ja het Vroutje by de kachel, schoon van zyn geringste, moest elk met. en zonder 't witte mutsje, met, en zonder het sleutelkacheltje hebben, 't geen hy door zyn zoon Titus (kwamsuis te gering voor hem) liet uitventen. Daar benevens had hy zoo groot een menigte van Leerlingen die hem yder jaarlyks 100 Gulden opbragten: dat Sandrart die omgang met hem gehad heeft, Schouburgh der 272 heeft, getuigt dat hy konde berckenen dat REMBRANT, jaarlyks van zyne leerlingen meer dan 2500 Gulden inkomen had. En nochtans was hy (geltgierig luid niet wel) zoo geltliefdig dat zyne leerlingen dit bemerkende, by wylen uit potzery op den vloer of elders, daar 't hem in 't oog moest komen, stuivers, dubbeltjes, schellingen enz. schilderden, daar hy dikwerf de hand vergeefs naar uitstak, dog verlegen zynde, daar van nooit iets deed merken. Gelt stopt geen begeerten. Doe hier by het geen hy met het penceel won, want hy zich voor zyn schildren wel liet betalen. Zoo moest hy noodwendig een grote somme gelt opgeleit hebben; te meer noch dewyl hy geen man was die veel in de kroeg of gezelschappen verteerde, en noch min binnens huis, daar hy maar borgerlyk leefde, en als hy aan zyn werk was, dikwils met een stuk kaas en broot, of met een pekelharin zyn maaltyd deed. Niettegenstaande dit alles, heeftmen van zyn groote nalatenschap niet hooren trompetten, na zyn dood, welke voorviel in 't jaar 1674 Hy had ten Huisvrouw een Boerinnetje van Raarep, of Ransdorp in Waterlant, wat klein van persoon maar welgemaakt van wezen, en poezel van lichaam. Haar Pourtret zietmen nevens het zyne in een van zyne printjes, daar wy ons van bedient hebben, en zyn Beeltenis doen zien in de Plaat M. onder Ann. Mar: Schurmans. Hy verkeerde in den herfst van zyn leven wel meest met gemeene luiden, en zulke die de konst hanteerden. Misschien dat hy de wellevenswetten, door Gratiaan beschreven, gekent heeft; want die Schilders en Schilderessen. 273 die zeit elders: Het is goet met uitstekende Persoo nen te verkeeren, om zoodanig te worden, maar wanneermen dat is, moetmen zig by middelmatige voegen. En hy gaf 'er deze rede van: Als ik myn geest uitspanninge wil geven, dan is het niet eer die ik zoek, maar vryheit. Zyne wyze van doen ontrent de konst (schoon in vele deelen te mispryzen) doet my besluiten dat hy zulks voordachtig gedaan heeft; want indien hy zig een wyze van schilderen, die naar die van anderen geieek, had aangewent, of zyn penceel op den voet van eenige berugte Italiaanen, of andere hoogvliegers geschoeit, zoo zouw de waerelt, uit vergelyking van 't een met het ander, zyne verdienste hebben konnen opmaken, daar hy nu, met het tegendeel te doen, die proefneming heeft vooruit geloopen, en gedaan als Tacitus van Keizer Tiberius zeit: Dat hy alles vermydde waar uit het volk gelegentheit konde nemen van vergelykingen tusschen hem en Augustus te maken, wiens gedachtenis by zag dat by yder aangenaam was. Onder de menigvuldige leerlingen, die hy in de konst heeft opgekweekt, worden ook deze volgende genoemt, die, om dat wy den tyd van hunne geboorte niet weten, voeglykst staan agter hun meester geplaatst, als PAUDIS, een Nedersakx (ook by Sandrart gemeld) die naderhant geschildert heeft by den Hartog Albert van Beyeren. FRANS WULFHAGEN, geboren te Bremen, heeft de behandeling van zynen meester met veel roem weten na te bootzen, en zig ook daar aan tot het einde van zyn leven gehouden. JURIAAN OVENS. Deze was een braaf meester in Historien en Nachtlichten, en bracht I. DEEL. groo Schouburgh der 274 g oote kracht in dezelve. Van hem is een groot stuk te zien in de Gaandery van 't Amsterdamse Raathuis, verbeeldende de t'zamensweeringen der oude Batavieren in 't heilig of Schaaker Bosch, daar Claudius Civilis de voornaamste Hoofden en Edelen, op een gastmaal genoodigt, in zyn belang overhaalt, om 't juk der Romeinen van hun ne halzen af te werpen. Hy was 1675 noch in leven en schilderde voor den Hartoog van Holsteyn in Frederikstadt. Zyn pourtret, door G. Dou geschildert, hebben wy in de Plaat N geplaatst onder Adr. Brouwer. Ook worden inzonderheit zyne pourtretten geprezen. Vondel laat zig op de Afbeelding van den Edelgeboren Heer Godart Baron van Amerongen, Heer van Ginkel enz. door J. Ovens geschildert dus hooren: De schilder mengelde, om Heer Godart af te maalen, Oprechte rustigheit, en Ridderlyken zwier (len In d'oogen, daar men d'eer van Uitrecht uit ziet straeGelykze Frederik ontvonkten met hun vier, Toen hy op't Baltisch Hof den borstschilt hem vereerde: Nu bruist hy moedig door den Spaanschen Oceaan Naar Flippus, die in Oost en Westen triomfeerde, En blixemt op den vloek der Turksche halve Maan. Madrid zal juichen op den glans van Amerongen. En't Bisschoplyke Sticht, wanneer de staatgezant, Onthaalt op't groot Paleis, door eene straat van tongen Het bontgenootschap strekt van 't vrye Nederlant. Dan welkomt d'avontſtar de zevenſtar der ſtaaten. Op 's Helts getrouheit magh de vryheit zig verlaaten. MDCLX. s'Gra Schilders en Schildereffen. 275 s'Gravenhage heeft vroegtyts al mee brave konstenaars voortgebracht om dien roem niet alleen aan bemuurde steden te laten. MONNIKS, OF MONIX (dus spelt hy zyn naam) is geboren in 't jaar 1606. De reislust en zucht tot vermaarde konstwerken te zien, dreef hem naar Rome, waar hy dertien agter een volgende jaren, in dienst van den Paus, met schilderen en teekenen heeft doorgebragt. Hy schilderde Gezelschapjes op de wyze van Gerarts, maar men ziet die zelden hier te lant: maar van zyne teekeningen vintmen 'er nu en dan een by de liefhebbers. Hy stierf egter in den Haa ruim 80 jaren out zynde. Zyn jaargenoot JAN VANDEN VELDE weet ik niet waar geboren is. Hy is wel meest bekent door de fraje Lantschapjes die van hem in print uitgaan, en alzins onder de printkonstlievenden bekent zyn. Deze had een Broeder, maar of die ouder of jonger dan hy was, daar heb ik niet konnen agter komen. Deze was genaamt ESAIAS VANDEN VELDE, en schilderde Bataljes en andere Ruitergevegten, en strooperyen. Hy heeft ook veeltyts zyn konstpenceel geleent om de werken van andere meesters met beeltjes paar den en troepen van Ruitertjes op de Spaansche wyze gekleed te sieren. Hy woonde in den jare 1626 te Haarlem, en 1630 te Leiden. Zyn penccelkonst was in dien tyd geacht, en werd duur betaalt. Men gelooft dat Willem vanden Velde, de penteekenaar, Vader van Adriaan en Willem vanden Velde geboren 1610, de Broeder van beide de voorgemelde is geweest. S 2 Jo. Schouburgh der 276 JOACHIM SANDRART Laurenszoon is geboren te Frankfort aan de Mein, den 12 van Bloeimaand 1606. Deze (na dat hy in het leezen en schryven, als ook in de eerste beginzelen der konst was onderweezen door Theod. de Brie en Math. Nierian) heeft, door begeerte tot de konst gedreven, in den ouderdom van 15 jaren zig te voet naar Praag begeven, om de Graveerkonst te leeren by den beruchten Gillis Sadelaar, die hem zulks af-, en in tegendeel het schilderen aanried, waar ontrent hy zig liet gezeg gen. Hy is daar op naar Uitrecht gereist, daar ny zig begaf om onderwezen te worden van Gerard Honthorst, die hem mede nam (van den Konink ontboden zynde) naar Engelant, alwaar hy gelegentheit vont om brave konstwerken te zien, gelyk onder andere de XII Keisers en Keiserinnen van Titiaan meer dan levensgroote geschildert, de zelve welke in koper gesneden zyn door gemelden G. Sadelaar; welke konststukken na de dood van den Hartog van Buckingham, nevens meer andere stukken tot een hoogen prys verkocht werden aan Keizer Ferdinand den III; om daar mee zyn Paleis te sieren. Hier door gespoort nam hy zoodanig in konst toe, dat de Koning (te weten Karel Stuart) hem verscheide stukken liet schilderen en hem voor zyn yver een geschenk gaf. En 't geen hem aan 't Hof meer bemint maakte, was, dat hy voor den Graaf van Arondel de Beeltenissen van Koning Henrik den VIII. Tom. Morus, Des. Erasmus en andere meer, naar de schilderyen van H. Holbeen, zoo konstig wist na te boot zen. De geneigtheit die hy had om Rome te zien groeyde dagelyks aan, des hy in den jare 1627 uit En Schilders en Schilderessen. 277 Engeland scheepte naar Venetien, daar hy door den Konstschilder Jan Lis anders Pan, en Nicolaas Ringnerus verwelkomt werd, als ook geleid om al het fraay dat Venetien bezit, te zien, inzonderheit de weergalooze konstwerken van Titiaan, en Paul. Veronees in de Kerk van St. Sebastiaan. Van daar vertrok hy naar Bolonie daar hy min nelyk ontfangen wert van Mich. le Blon vermaard Plaatsnyder, zyn vollen Neef van Vaders kant, dewelke hem verzelde eerst tot Florence, en daarna tot Rome, daar hy onder de Konstschilders verscheiden vond welke hy kende, als onder andere Piet. van Laar, of Bamboots, met den welken hy wel meest omgang hielt. De eerste stukken die hy te Rome maakte, waren Hieronimus, en Maria Magdalena, welke door den Kardinaal Barbarini gekogt, ten geschenk gezonden werden aan den Koning van Spanjen, naderhand een Altaarstuk in de Kerk van de Heilige Maria, verbeeldende de 12 Misterien van den Rozekrans, waar door zyn naam berucht wert. Zoo dat als toen de Koning van Spanjen gelast had 12 stukken schildery van twaalf der voornaamste schilders die te Romen gevonden werden te koopen, hem gezonden wierden een van Guido, Guerchin, Josephin, Massimi, Gentileschi, Pietre de Cortone, Valentin, Andre Sacchi, Lanfranc, Dominikin, Poussin, en een van Sandrart. Naderhant gaf hem de Hartog Justiniaan het bewint over de graveerders der beelden van zyn Galery. Eenige jaren te Romen in 't oeffenen der konst besteed hebbende, vont hy zig geneigt om andere steden van Italien te bezien. Tot dien einde S 3 ver Schouburgh der 278 vertrok hy eerst naar Napels in Sicilien, daar hy verscheiden konstwerken maakte, en teffens zig verlustigde met verscheiden afschetzingen te maken van den vuurbrakenden Berg Vesuvius, en den ingang tot de Elizeesche velden, daar Virgyl aan gedenkt. Van daar vertrok hy naar Malta daar zyn konst byzonder geacht werd: en schoon hy daar door veel benyders kreeg, wist hy dezelve door beleeftheit en gedienstigheit tot zyn vrienden te maken. Ons lust geen lyst te maken van al de steden welke hy bereist heeft, maar wy zeggen alleen in 't voorby gaan, dat hy allerwegen in dien waerelt oort alles naar 't leven afteekende, waar van d'oude Dichters zoo vele vertellingen te bock geslagen hebben: Als de Vulkaansche Eilanden, den Berg Etna, en de gevaarlyke klippen Scilla en Caribdis. En na hy nu alles tot zyn genoegen beschout had, keerde hy weder naar Frankfoort en troude met Johanna de Milkau. Maar aangezien de Pest en Hongersnood meer en meer daar omstreeks in Duitslant toenam, en reets zyn zwager door een deel hongerige boeren in zyn huis overvallen was die hem meenden te verworgen, en dan voorts alles weg te stroopen, dagt het hem daar niet veilig te wezen, over zulks vertrok hy in aller yl met zyn Huisgezin naar Amsterdam, daar hy gelegentheit vond om zyn konst te oessenen. Gelyk hy dan behalven meer andere konststukken; in 't Gasthuis op den Kolveniers Burgwal de inhaling van Maria de Medicis geschildert heeft, en voor den Heer Bikker, en Spieringer gezant van Zweden de pourtretten hunner Huisgezinnen, en hielt zig eenige jaren daar op tot dat hem eene erffenis te Stockau by In Schilders en Schilderessen. 279 Ingolstadt in 't Hartoogdom van Neubourg te beurt viel. Maar bewust dat het Lanthuis en de Lustgaarden byster vervallen waren, verkocht hy al 't gene hy tot Amsterdam bezat, zoo van schilderyen, teekeningen als andere frajigheden, te weten aan gemelde Spieringer 2 Boeken met Italiaansche Teekeningen voor de somme van 3500 gulden. Noch is in een openbare verkooping voor zyne Teekeningen gekomen 455 gulden, en van zyne Schilderyen 40566 gulden, om het zelve weder te herstellen. Maar toen het naaulyks was herbout, en de Landeryen in staat gebracht om vruchten te geven, werd het ten eemaal verbrant door de Fransen. Doch hy boude het zelve weder op, schooner dan het geweest was, en beducht voor een tweeden inval, verkocht het, en ging zig nederzetten tot Augsburg, daar hy vele konstwerken voor Maximiliaan Keurvorst van Beyeren, en Keizer Ferdinant (die hem een goude keten met een medalje vereerde) gemaakt heeft, als inzonderheit verscheiden Martelisatien van Heiligen, en de vindinge van 't Heilig Kruis † door Helena § te Brinna in Moravia. 5 Helena.] De Vrou van Flavius Valerius Constantinus Chlorus, en Moeder van Constantyn den Grooten geboren in Brittanje in 't jaar 272 na de geboorte van Kristus. † Heilig Kruis] Sulpicius Severus verhaalt deze wonderbare Kruisvinding dus: Dat Helena, boven gemelt, in 't omgraven van den heuvel, of slechten van den Berg Kal varia, om een Tempel op die plaats te stichten, drie kruissen vond, van welke zy door openbaring het Kruis van Jesus, hier door uit die der Moordenaren wist te onderkennen, dat een doode door het zelve aangeraakt, aanstonts levendig wierd: hoedanig een vermogen in de andere twee kruissen niet gevonden werd. Dit zouw volgens des schryvers zeggen voorgevallen zyn in 't jaar 326 na Christus geboorte. Doch 280 Schouburgh der In dien tyd nam hy ook onderhanden zyn Boekwerk, de Duitsche Academie, waar aan hy bezig is geweest tot in zyn ouderdom. In den jare 1672 (zyn Vrouw overleden zynde) verliet hy Augsburg, en ging wonen tot Neuren berg, en troude in dat zelve jaar den 5 van Slacht maand met Hester Barbara Dochter van den Raadsheer Wilh. Bloemaart. De voornaamste inhout van zyne Boeken, daar wy van gemelt hebben, behelst het levensbedryf van de Schilders, waar in hy Vasari en Rudolfi in opzicht van de Italianen, of anders K. van Mander in zyn geheele schikking en orde gevolgt heeft, en daar hy in zyn tyd omgang met veele schilders had, heeft hy der zelver leven en konstwerken beschreven, daar aan toegedaan, en dus het getal veel vergroot, in de Latynsche en Hoogduitsche tale doen drukken: welk nut een prysbaar werk, beDoch de geloofbaarheit van dit verhaal is door P. Rabus, die het kantschrift op gemelde boek van Sulpicius gemaakt heeft uit Salmazius genoegzaam verydelt, met aan te toonen dat, gelyk de genen die gekruissigt zouden worden hun kruishout naar Golgotha droegen, ook de kruissen met de doode lichamen wierden wech genomen. En neem, zy waren niet wech genomen, maar blyven leggen, en men heeft 300 jaar lang tot aan Konstantyn zulke straf op die plaats geoeffent, hoe is het dan by gekomen dat 'er maar drie kruissen onder 't puin van den Berg zig hebben laten vinden? Wil dit egter ymant gelooven, hy doe dit zonder betwisting, mits hy my daar in drage, dat ik het niet geloof, 't welk de rede en billikheit eyst; aangezien ik niet weet dat ymant recht vergunt is van over een anders begryf te heerschen, veel min zyn evenmens te verketteren om een verschelig begryp, als Korn. de Bie, in zyn Schilderboek op pag. 269 in diergelyk geval doet. Die meer van deze stof belust is te weten, zie na Ant. Byneus Gekruisten Kristus XVII. Hoofd. p: 484. en Wil. Goeree in zyn Waerelt en Kerkhistorie op pag. 401. 281 Schilders en Schilderessen. behalven het aankleven van dien, en de menichte der konstplaten, alleen genoeg is om zyn naam onder de gedenkwaardige mannen te tellen. Wat arbeit moeite, en yver, En nazock dat een Schryver Steets doen moet, weet niemant; Als die 't zelf neemt ter hant. Zyne laatste penceelwerken (ten bewys dat zyn oordeel en yver tot de konst met de jaren niet afgenomen hebben) worden byzonderlyk van zynen Levensbeschryver, in den Latynschen druk, geprezen. Deze waren de verbeelding van de laatste sterfuur van Christus, waar by vertoont stonden, Maria de Moeder des Heeren, Johannes, en * Longinus S 5 Longinus], is by de Romeinen voor een naam gebruikt nu als blykt aan Velius Longinus Grammaticus, en Dionisius Longinus Rhetor. 't Is gelooflyk (zeit Byneus) dat het verdichtzel van Longinus zynen oorspronk genomen heeft uit het Grieks woort, 't welk het scherp van een Lans, Speer of Spies beteekent: gelyk dit woort dus by Xenophon Strabo en anderen gebruikt wort. Of uit de beteekenis van lang; alzoo tot de bende der Spiesdragers (even als by ons) de langste persoonen gekeurt werden. En overzulks loopen zy de meening der Euangelisten mis, welke hier eenen Lon ginus verdichten, die zwak van gezicht, door het bloed uit de zyde van Kristus bespat genezen werd, en naderhand als Martelaar om de Kristelyke belydenis gedoot is. Dewyl zy alleen zeggen dat een der krygsknechten zyn zyde doorstak enz. en wel inzonderheit uit de beteekenis van 't Grieks woort, een uit de krygsknechten te voet. In het Persisch Euangelium van Xaverius, en in de Boheemsche vertaling leestmen dat het een Ruiter is geweest. Doch deze misvatting is ontsproten, om dat de ouden door onkunde en verkeerde beeltenissen misleit, de kruissen veel hooger gewaant hebben te wezen, als men naderhant door naspeuringe heeft bevonden. Waar van wy boven op pag 194 hebben gesprooken. Schouburgh der 282 nus met gebogen knien. Ook het laatste oordeel, waar aan hy in zyn zeven en zeventigste jaar de laatste hand leide, en kort daar aan uit deze waerelt verhuisde. Gelyk der menschen aangezichten van den anderen in kennelyke weezenstrekken verschillen, zoo verschilt ook hun aart, en geneigtheid, naar mate dat d'een meer of min bestier over zyne Hardstochten oeffent, en nog meer wanneer de gemoedsdriften niet alleen de volle toom word gegeven, maar ook wanneer zy in haren aart g vleid worden; waar ontrent EMANUEL DE WITT uitstak, die als een tweede Diogenes cynicus, elk in de veeren zat, en als Momus elks doen beschimpte, en lasterde. Hy is geboren tot Alkmaar in 't jaar 1607. zyn Vader was een Schoolmeester geoeffent in de Meetkonst en een goed Redenaar, in welke wetenschap EMANUEL in zyn jeugt zig ook geoeffent heeft, waar door hy de Redenkonst boven het gemeen verstont: maar ook daar door menigmaal zintwisten en onlusten in gezelschappen veroorzaakte, inzonderheit wanneer 'er van een Bybelstof gesproken wierd, zig niet ontziende die wyze van Redenvoeringen te dwarsboomen, en het zakelyke in twyffel te trekken, zeggende, dat met zyn vyftiende jaar, hem de Å¿chellen al van d'oogen ge licht waren. En ten waar de brave konst die hy bezeten heeft zulks niet vorderde, zyne levenswyze had ons niet bekoort, om hem een plaats onder de konstenaars in te schikken. Trouwens hy staat 'er niet alleen; wy hebben meer schurfte Schapen onder de kudde ontdekt. Zyn waarde penceelkonst 283 Schilders en Schildereſſen. konst moet ten voorbeeld van naavolging, maar zyne levenswyze tot een afkeer en verfoeyzel strekken. Hy heeft de konst geleert te Delf by Evert van Aelst Willemsz., waar van wy op pag. 228. gesproken hebben. Als hy zig der gronden van de konst verstont oeffende hy zig in 't schilderen van Beelden, Historien en Pourtretten, gelyk ook noch het pourtret van de Vrouw van Juriaan van Streek door hem geschildert, by deszelfs zoon te zien is. Doch hy begaf zig naderhand geheel met 'er woon tot Amsterdam, en tot het schilderen van Kerkjes, waar in niemant hem gelyk was, zoo ten opzicht van de geregelde Boukonst, geestige verkiezinge van lichten, als welgemaakte beeltjes. De meeste Kerken binnen Amsterdam heeft hy van binnen op verscheiden wyze naar 't leven afgeteekent, geschildert, met Predikstoel, Orgel, Heere-en gemeene gestoelten, Grafsteden en andere versierselen, zoo dat dezelve te kennen zyn. In zommige heeft hy den Predikdienst, in andere daar het volk te Kerk komt, vertoont, elk in zyn gewoone drachten. Het voornaamste zyner konstwerken is geweest het ingezicht van het Koor en dat gedeelte van de Nieuwe Kerk daar de Tombe, of Marmere Grafstee van den Admiraal de Ruiter staat. Dit stuk was hem door Jonker Engel de Ruiter voor een goede somme geld aanbesteed, maar die stierf eer het gelevert was. De Predikant Bernardus Somer met de Dochter van den Admiraal getraat, niet veel werk van schilderyen maakende, bood onzen Emanuel 200 en eindelyk 300 gulden voor het zelve, maar hy bleef styfnekkig staan op het recht van zyn gemaakt verding, en schold den Pre⸗ Schouburg der 284 Predikant voor al wat leelyk was, die hem daar voor zoo lang liet naloopen, dat hy van kwaadheit een mes nam, (niettegenstaande hy geen een stuiver in zyn zak had) en sneed het stuk aan riemen. Het is slegs een kleen gebrek (zeit een wys man) dat uwe bejeegeningen ruw zyn; en nochtans is dat genoeg om een yder afkeerig van u te maken. In tegendeel is de vrindelykheit yder bevallig Zyn brave konst maakte hem al dikwils goede vrinden; maar hy wist zig (volgens de Spaansche spreuk) daar zoo lang niet van te bedienen, tot hy dezelve niet meer noodig had. Hem werden in zyn tyd twee stukken voor den Koning van Denemar ken aan besteed. De tyd binnen dewelke zy gedaan moesten wezen, lang verstreken, kwam des zelfs Consul daar na omzien, zeggende dat zyn Koning onvergenoegt was; dien hy met een norschen kop dus toegraaude. Als de Ossenkoning die stukken niet begeerde, dat hy dezelve wel aan een ander verkoopen konde. Dus maakte hy door zyn onbesnoeyde tong zyn vrinden tot vyanden; en werd van elk (als men zeit) met den nek aangezien. zelf van de Konstenaars, door dien hy van elks doen met veragting sprak. De schilderyen van Lares vergeleek hy by de prinse vlag, ja de beste konst was niet vry van belastering T gebeurde op een laten avond dat Lares in de herreberg kwam daar de Wit zat, een stuk kryt nam en eenige lynen op de tafel trok; om de Wit. die gewoon was op zyn meetkunde te snorken; te trotzeeren. De Witt die zulke schuld niet lan borgde, maakte met kryt op de tafel een schets van 't kanon, waar mee hy zeide dat hem zyn neus afgeschoten was. 't Welk Lares cuvel opnam; en Emanuel kwam niet on 285 Schilders en Schildereffen. geteistert daar van daan. s'Morgens vroeg met den dag ontmoette hem een van zyne bekende, die hem eerder aan zyn kapot als wezen kende, want hy twee blauwe oogen, een dikke neus, en verscheide krabben in zyn aangezigt had. Dees zeide tot hem: wel hoe vader de Witt! hoe dus geteistert, en waar zoo vroeg na toe? die tot antwoort kreeg, zie: dit pertret hebben zy my giſter avond dus mismaakt in den donker gedoodverft, en daar gae ik weer na toe, om het by den dach te laten opmaken. 'T schynt of de Wit, naar de verkeerde zinspreuk, De minste vrede best, leefde. Wat noodwendigheit was het dat hy Lares zoo stekeligen antwoort toeschoot, daar de zinspeling geen gront van waarheid had? Want de Venusziekte had zyn neus dus wanstaltig niet herschept, maar hy was met dezelve dus geboren, als my gebleken is aan zyn afbeeltzel door hem zelf geschildert toen hy 17 jaren oud was. Als hy dan te laat (als men zeit van de Mollen) oogen kreeg, en zag dat de Fortuin hem den nek gekeerd had; dat elk schuw van hem was, dat hy als een vremdeling in zyn eigen lant met het oorwierd aangezien, en tot armoede verviel, wierd hy mistroostig by zig zelven, inzonderheid toen zyn Huiswaard hem zomwylen lastig begon te vallen om betaling van schuld, met verwytingen dat hy zelf oorzaak van zyn ongeval was, en dat hy, als hy naar raad had willen luisteren, zulks wel had konnen voorkomen. Meer stalen van zyn levensbedryf zouden wy konnen beschryven. Doch het zouden maar als voren bewyzen wezen van zynen weerborstigen aart. Een staal moet ik noch aanhalen, dat men zeit van de beleefste bejegeningen te wezen die ymant van Schouburgh der 286 van hem heeft ontmoet. Zeker jong konstenaar, Janssens genaamt, had dan een stukje geschildert dat hem dacht wel het beste te wezen dat hy gemaakt had. Des verzocht hy de Witt, als een oud ervaren meester, om het zelve eens te komen zien, in verwagting dat hy zyn yver zoude pryzen, den misstandt aanwyzen, en hem moed geven om daar in voort te gaan Als het hem dan wierd voor gestelt, en gevraagt wat hy van hem docht; antwoorde de Witt: ik denk dat gy een vergenoegi mensch zyt; om dat deeze prullen u behagen: en ging wech. Gelyk zyne levenswyze van alle andere verschilde, zoo verschilde hy ook van andere in de wyze van sterven; want door dien de rede elk leert, dat hy zonder zyn wil of toedoen in de waerelt komt, en niemant keur, of macht gegeven is dit leven te slaken, maar dat dit van 't welgevallen des Scheppers afhangt; heeft hy zig naar allen schyn daar ontrenr vergrepen, zoo uit de omstandigheden, welke op dien tyd voorvielen, als uit de getuigen, die het uiteinde beschout hebben blykbaar is. Ik heb van de onlusten tusschen hem en zyn huiswaard gemeld. 't gebeurde den laatsten avond van zyn leven dat'er hooge woorden tusschen hun beide kwamen. Zulks de Huiswaard met een dieren eed zwoer dat hy hem niet langer onder zyn dak wilde hebben. Waar op hy opstondt, en zeide: Dat hy daar al in voorzien of een middel bedacht had dat hy hem zulks niet meer zoude zeggen, en ging de deur uit. Twee van 't gezelschap die daar tegenwoordig waren ziende dat de Witt van gelaat verandert mistroostig scheen, volgden hem van veere na om te zien waar hy mocht Schilders en Schilderessen. 287 mocht belanden, maar verloren hem door den duister ontrent Korsjes brug uit hun gezicht. Dien zelven avond begon het sterk te vriezen, en 't ys bleef elf weken in 't water, in welken tyt niemant wist waar hy vervaren was; dan wanneer 't ys brak, werd hy ontdekt by de Haarlemmersluis. Hy werd dan opgevist, en men bevond dat hy een touw om zyn hals had, waar uit men besluit gemaakt heeft, dat hy zig aan de leuninge by het sekreet aan de Korsjesbrug heeft willen verhangen, het touw gebroken, en hy verdronken is. Men bracht het Lichaam in 't Gasthuis, en van daar naar 't Pesthuiskerkhof, op den Overtoomzen weg, daar het begraven werd, in 't jaar 1692, in den ouderdom van 85 jaren. Wanneer een Konstschilder door zyne levenswyze sticht, en door zyne penceelverbeeldingen t'effens 't oog vermaakt en den aandacht door waarde beschouwingen opbeurt, door voorwerpen welke leerzaam en stichtelyk zyn, zoo gaat vermaak en nut gepaart. Beelden en Schilderyen zyn Boeken voor de leken zeit de Concieliespreuk, maar ze moeten'er ook na wezen. Een dartel Bachus Feest, daar men de geile Satyrs volgezopen, de Veldnimfen snoeplustig ziet na jagen, om den sluyer die heur naakt heit dekt te rooven, of uit geilheit hun hoofd onder 't hemd steken, hoe konstig verbeelt, zou weinig aanleidindinge geven tot godvruchtige gedachten. Het prysselyke heeft de Konstschilder PIETER VANDER WILLIGEN van Bergen op den Zoom, in acht genomen, die door zinnebeelden en beeltenissen, op zyne tafereelen heeft afgebeelt de ydelheid der aardsche schatten, de ver Schouburgh der 288 vergankelykheit van 's menschen leven, en den onwissen wissen sterftyd. Men moet waarlyk zeggen van zulke geschilderde Beeltenissen en teekenen van de sterflykheit: Elk is een Doods Herout, die zeit: Gedenk ô mensch, dat eens uw luister, Uw schoonheit, roem en heerlykheit, Zal worden in het graf geleit, En door een zark bedekt in 't duister. Heeft het konstpenceel geltzakken tot barstens toe opgevult, Juweelen en andere waereltschatten verbeeld, de aandacht daar in spiegelende, en door de rede den aart dier zaken beschouwende, onderwyst het gemoed uit de gevolgen, dat Die zig aan 't blinkent goud vergapeu, En zoeken hunne rust in 't gelt, Steeds onrust vinden die hun kwelt: Zoo wel in 't gretig zamenschrapen, Als in 't bezitten van hun wensch; Doch schoon het zelve noch genoegen Noch rust, maar onrust baart na 't zwoegen, T blyft egter 't doelwit van den mensch. Dus was 't voorhenen, en noch heden. De Muntgod word steeds aangebeden. 'T is zeker, zeit Isidorus, dat de leerzame vonden van 't menſchelyk vernuft ontſpruiten uit goede opvoedinge, of uit natuurlyke gesteltheit. En daar een deugdzame geest het penceel geleid, is de verbeelding leerzaam. Hier in word ook LEONARD van ORLY geprezen, als mede een DAMMORI VAN LUIK welke door hun konstpenceel meest 289 Schilders en Schildereffen. meest Emblematische Tafereelen, en zeedebeelden vertoonden, die een aandagtig gemoed tot deugd konden opwekken ABRAHAM VAN DIEPENBEEK wert geboren in 's Hartogenbosch. Den tyd wan neer hy geboren is, weet ik niet, maar hy leefde noch in den jare 1662. Hy heeft van der jeugt af, en voorts den meesten tyd van zyn leven met het behandelen van doorluchtige voorwerpen doorgebracht, dat is glas, 't welk hy zoo konstig met beeldwerk en historien heeft weten te bewerken door 't penceel, dat hy in zyn tyd voor den besten meester in die konst wierd geacht. Korn. de Bie zeit: Hy wierd in Nederlant genoemt de kloekste geest: Was mals in 't schilderen, heel los en poczelagtig, Ook vast geteekent: en zyn kleuren wonder kragtig. Hy heeft de schilderkonst geleert by den grooten Pet. Paul. Rubbens; en van een edelmoedigen geest zynde heeft hy zig niet vernoegt met den lof dien hy door 't glasschilderen behaalt had, maar begaf zig ook tot het tafereelschilderen. Hier by ('t geen wy in de beschryving van Gouda gevonden hebben) kwam noch een tweede reden, te weten (nademaal het glas na het beschildert is, in een oven moet gegloeit worden) dat dit hem in Italien zynde verscheide malen mislukte, waar om hy 't zelve vervloekte en zig geheel tot het paneelschilderen begaf, 't geen hem zoo wel gelukt heeft, dat de Prins der Nederduitsche Dichteren, J. vanden Vondel, zyn Portret door hem zelf geschildert, met dit vaars vereerde; Dus I. DEEL. Schouburgh der 290 Dus teekende ABRAHAMzig zelven naar het leven. Wy kennen hand en geeft aan ommetrek en streek. Zy vloeyen evenryk, gelyk een DIEPE BEEK. 'T wel schikken van natuur aan weinigen gegeeven Is 't velt waar in hy weidt met zyn begaaft penceel. De vond van 's mans vernuft ontziet geen zonne ſtralen Noch zelfs Apelles oog in Kerken en in Zaalen. Laat tuigen print en doek, en koorglas en paneel. Hier aan laten wy volgen deszelfs tydgenoot JAN THOMAS, geboren te Iperen. Deze had met den voorgaanden een zelve konstzog zogen. De reislust en drift om in de konst volkomener te worden, dreef hem al vroeg naar Italien, berucht door zyne uitstekende meesters in de konst. Door gestadigen vlyt en yver in de konst opgeklommen, is hy schilder geweest van den Bisschop van Ments. En in den jare 1662 was hy schilder aan 't Hof van den Keizer Leopoldus. Op hem volgt zyn yverige tytgenoot THEODOOR VAN TULDEN. Deze heeft door zyn onvermoeit blokken genoeg te verstaan gegeven dat het hem om een onverwelkelyken roem te doen was; gelyk hy daar van ook proeven gegeven heeft, welke ten spyt zyner hateren, zyn vermogen in de konst melden zullen, zoo lang zy in wezen zyn. Hy heeft vele roemwaardige Altaarstukken geschildert: dog daar zyne neiginge wel meest naar helde, was het verbeelden van Boerekermissen, Bruiloften, en alle soort van geestige bootzeryen. Hy heeft ook een goede handelinge van 't etzen gehad, als men zien kan aan den Ulisses van Primatisço van Bolonien, dien hy te Parys gemaakt heeft. 1662 woonde hy in s'Har 291 Schilders en Schilderessen. s'Hartogenbos, zyne geboorteplaats, en was om zyne konst by yder geacht. Zoo ook JUSTUS ZUSTERMANS van Antwerpen; die om zyn brave konst by den Groot hartoog van Florencen in groot aanzien is geweest, en by alle de hovelingen bemint. Zoo werd ook JAKOB SANDRAART van Amsterdam, zyn tyd-en konstgenoot, om zyn welstandig ordoneren, en bevallig schilderen aan 't Keurvorstelyk Hof van Beyeren geacht, en geëert. Nu verschynt de beruchte PAULUS DE VOS, geboren te Hulst in Vlaanderen. Deze is door de fortuin, alwaar zy zig wendde, zoo in Spanjen als andere Koninkryken en andere Vorsten Hoven, gevolgt, en met gunst en voordeelen bekroont. Hy was een uitstekend schilder in Beestejachten, waar mee hy verscheiden zaalen versiert heeft voor den Har toog van Aerschot, daar hy in 't jaar 1662 noch bezig was. Zyn Beeltenis nevens die van Theod. van Thulden en Just. Zustermans, gaan onder de pourtretten van van Dyk, en Diepenbeek door Pontius geſneden in print uit. In dit zelve jaar 1607 den 19 van Slachtmaant is dat groote licht in de konst ERASMUS QUELLINUS tot Antwerpen geboren. Deze was eerst in talen en letterwetenschappen zoo veer gevordert dat hy Magister Philozophiae was, doch hy begaf zig naderhant tot de oeffeninge der schilderkonst, en was van wegen zyn kloek penceel en ordoneren van Historien beroemt, gelyk tot Antwerpen in de Reefter of Ectzaal van de St. Michiels Heeren, welke hy geheel beschildert heeft met Historien uit het Nieuwe Testament daar men eet en drinkt; (als onder anderen daar T 2 Kris Schouburgh der 292 Kristus aan tafel leit en Maria hem de voeten zalft) te zien is. Deze als ook andere zinryke verbeeldingen die hy met een volgeestig oordeel, en konstige behandelinge op de voorwerpen heeft weten toe te passen, doen ons zien dat hy een groot meester in de konst is geweest. Dit, en niet anders heb ik van den grooten PEET. PAUL. RUBBENS zynen onderwyzer in de konst konnen zeggen; ook weet ik niet dat zyne verheve konst, die van zynen meester overkraait; gevolglyk agt ik voldaan te hebben aan den lof dien hy verdient. Waar en tegen Korn. de Bie het zeil van zynen luister zoo hoog in top vyselt; dat het bezwarelyk den windt van tegenspraak zal konnen uithouden. Dus zegt hy: Zoo dunkt my dat de geest van Zeuxis of Urbin Gemengt is met de ziel in 't lichaam van Quellin, Uit reden dat zyn konst heeft zulk een kragts vermogen, Of hy het eerste zog had uit Pictuur gezogen Zoo wonder schemerooght zyn konst op't punt van d'eer; ........ Dit is onzen schryver niet genoeg maar hy vervolgt aldus deszelfs konſt ten roem Daar Griekenlant voor zwygt, zoo het op konst wil stoffen, En meent de waerelt door zyn schilders te overpoffen, Om dat Protogenes in niet een Koninkryk (Zoo 't ſcheen) in 't konſtpenceel vond ymant zich gelyk. Maar neen, Erasmus kan hun roemlust stil doen zwygen, Wan wi 293 Schilders en Schilderessen. Wanneer zyn waarde hand een proefstuk toont.......... Dit gaat een toon te hoog. De marmere beelden (de schilderyen zyn door de tyd uitgewist) welke uit Griekenlant naar Romen vervoert zyn, zyn stalen die onwederspreke lyk toonen dat de konst te dier tyd tot den hoog sten top geklommen was. Al 't geen d'ouden tot roem derzelve geschreven hebben voor blaaskakery te achten, en QUELLINUS konst zoo hoog op te heffen, dat niets van al 't geen d'oude konstenaars berucht gemaakt heeft daar by ophalen kan, schynt my wat naar snorkery te zweemen. Had de Bie gezeit: dat QUELLINUS konststukken in konst en kragt, dat waard geschatte tafereel dat St. Lucas naar de Heilige Maria geschildert, veer overtroffen heeft, dewyl het tegen de zyne niet konde ophalen, 't waar lichter te gelooven; want het is gebeurt dat aan een konstkenner een tafereel van St. Lucas geschildert (zoo men voor gaf) vertoont wierd, die het zelve met aandacht beschouwende, eindelyk zeide: Lucas, Lucas! wat zyt gy gelukkig dat gy doodt zyt; want zoo gy thans leefde, en den kost met schilderen winnen most, gy zoud naan droog brood konnen verdienen. Het eerst gemelde stuk van St. Lucas was in dien tyd, als myn meester S. v. Hoogstraten aan 't Hof te Weenen was, zoodanig door ouderdom uitgesleten, dat het zyne kracht byna geheel verlooren had: om welke rede Keizer Ferdinant het hem deed copieren. Maar waarom getwist? onze schryver is een Dichter, en de Latynsche spreuk van Horatius gelt hier: PicT 3 Schouburgh der 94 ... Pictoribus atque poétis Quidlibet audendi semper fuit aequa potestas. Zyn zoon Joannes Erasmus Quellinus was in 't jaar 1660 te Rome, toen pas 27 jaren oudt, daar hy grooten opgang in de konst maakte. Onze ERASMUS wiens Beeltenis zig in de Plaat N onder aan doet zien, heeft ook een Broeders zoon gehad Artus Quellinus genaamt, welke de Beelthouwers konst oeffende. Vondel noemt hem het licht der Beelthouwery, en Nederlantschen Fidias, en laat zig dus op zyn Beeltenis door Helt Stokkade geschildert hooren: STOKKADE maalde aldus de helft van 't zichtb're deer Van Artus Fidias. Waarom hem niet geheel, Of t'effens lyf en ziel, zyn konst met al haar vonkens Zo heeft QUELLYN zig zelf in marmer uitgeklonken. De Lezer zal licht wel opgemerkt hebben, dat ik in 't begin van Quellinus levensbeschryving, wanneer ik den inhout van eenige zyner penceel werken aantoonde, gezegt heb: aan tafel leit; om aan te duiden dat de Joden voor gewoonte hadden, op bedden aan te leggen in hunne maalty den: egter zal het niet ondienstig wezen dat myn pen hier omtrent wat breeder uitweid; op dat de schilderjeugt zig daar van bediene, wanneer zy dergelyke voorwerpen vertoonen wil, en het dwaalspoor van velen hier in myden. Van waar, en wanneer de gewoonte van op de maaltyden aan te leggen onder de Joden ingekropen is, kan niet zeker gezegt worden. Hugo de Groot is van gevoelen dat deze gewoonte onder de Joden gekomen is, door naarvolging van de Assyricrs Schilders en Schilderessen. 295 riers en Persen; want dus lezen wy Esth. 7 vs. 8. Dat Haman was gevallen op 't bedde daar Esther op lag. 'T kan ook wezen dat zulks eerst tot de Grieken, en van die tot de Joden over gegaan is. By Plato leestmen: Jongens trekt Alcibiades do schoenen uit; op dat hy aanlegge. Dus, de voeten ontschoeit, en achterwaarts van het bedde afstekende, en Kristus die wyze van aanleggen volgende, is het gemakkelyk te begrypen hoe Maria de zuster van Lazarus de voeten van Kristus gezalft heeft. Wy vinden by A. Byneus een opmerkelyke plaats aangetrokken uit Aristofanes, alwaar de oude Philocleon onder andere diensten die hem bewezen wierden optelt: En voor eerst myn dochter wast my, en zalft myn voeten; en kustze nederbukkende. Dus zeit ook Lucas in zyn Euangelium Kap. 7 vs. 38. Ende staande (te wete Maria) agter aan zyne voeten, begon zy zyne voeten nat te maken met tranen, en zy droogdeze af met het hair van haar hooft, en kuste zyne voeten, en zalfdeze met zalve. By de Joodsche meesters word ook gewag ge maakt van 't zalven der voeten. Johannis Lichtforus heeft een plaats uit het Tractaat Menachot, waar uit dit te zien is. De Meit staat'er, bracht een gouden vat vol oly, daar mede by gezalft heeft zyn handen en voeten. Wy hebben ook niet ondienstig geacht de wyze van aanleggen aan tafel aan te wyzen, door een schets getrokken uit een zeer ouden marmersteen. waar op verbeelt is een beddeke by een tafel met drie pooten, waar aan een man met zyn vrouw leggen, welke Fulvius Ursinus doet zien. En wy hebben dezelve na gebootst in de Plaat N nevens 296 Schouburgh der de Beeltenis van Eras. Quellinus. Waar nevens wy ook een uitgedompte graflamp doen zien; ten zinteeken dat die bovenstaande konstlichten door den tyd, hun roem benydende, uitgedooft zyn. Om dezen tyd vinden wy ook gemelt van eenen KAREL ERPARD, en van de Bie in zyn Gulde Kabinet pag. 520. geprezen. Doordien zyn kunstpenceel vol levensaardigheit. Den geeft verlokt, en door bevalligheit verleit. Leiden, dat nevens andere Hollantsche steden mede heeft konnen roemen over het voortbren gen van stedelingen, die als heldere fakkels in de schilderkonst uitflikkerden, bracht ook in den jare 1607 JAN LIEVENSZ. op den 24 van Wynmaand voort. Zyn Vader Lieven Hendrikze, was een konstig Borduurwerker, naderhant een Pachter. En ziende de groote geneigtheit, en drift die zyn zoon tot de schilderkonst hadde, bestelde hem noch maar acht jaar oud om de gronden en beginselen dier konst vast te leggen by eenen JORIS VERSCHOTEN. Toen hy ontrent tien jaar oud geworden was, zyn Vader ziende dat hy in die drift volhardig bleef, nam besluit van hem daar in te laten voortgaan, en bracht hem by den vermaarden schilder PIETER LASTMAN tot Amsterdam; by welken hy twee volle jaren bleef, en braaf in de konst vorderde. Naa dezen tyd heeft hy de konst by zig zelven geoeffent, gebruikende het leven tot zyn onderwyzer, en bracht het zoo veer door vlyt en naarstigheit, (en 't geluk viel hem toe) dat alle konstkenners zig verwonderden dat een jongen van twaalf Schilders en Schildereſſeu. 297 twaalf of weinig meer jaren, zoo veel door de konst vermocht. In dien tyd schilderde hy den Democriet en Heracliet van KORN. KORNELISZ van Haerlem na, zoo even gelyk, datmen geen onderscheit tusschen die beide konde bespeuren. Tot een staal van zynen byzonderen yver, en onophoudelyke drift, verhaalt de beschryver van Leiden, dat wanneer in den jare 1618, binnen Leiden op den 4 van Slachtmaant een groote oproer ontstont tusschen de Remonstranten, Waertgelders en andere borgers, zoodanig dat de Borgermeesters genootzaakt waren, de Schutters in de wapenen te doen komen, om de beroerte te stillen, hy met dusdanigen yver zat te teikenen, dat hy daar geen acht op gegeven had, of zig des bekreunde. Hy heeft al vroeg fraje pourtretten gemaakt: als inzonderheit dat van zyn Moeder Machtelt Jans van Noortzant, dat verwonderlyk konsti geschildert was: als mede fraje ordonantiestukken. Onder deze was'er een verbeeldende een Student, geestig van muts en kleederen toegetakelt, zittende by een brandend turfvier in een boek te lezen. Dit was levensgroot, en zoo konstig geschildert dat de Prins van Oranje 't zelve dede koopen, en vereerde 't aan den Ambassadeur van Engelant. die het wederom vereerde aan zyn Koning, die daar groot gevallen in had. Dit was ook de reden wel, als hem de geneigtheit om andere landen te bezien aankwam, dat hy zig naar Engelant begaf, daar hy wellekom was; en den Koning, Koningin, Prins van Wallis, en veel van de grootste Lords schilderde, daar hy rykelyk voor beloont werd. Dit was in 't jaar 1631. als hy ontrent 24 jaren oud was. T 5 Schouburgh der 298 In Engelant ontrent drie jaren geweest zynde is hy wederom te rug gekomen op Calais; van daar op Antwerpen, daar hy zig neersloeg met'er woon, en met de Dochter van den berugten Steenebeeld houder Michiel Colyns troude. Vele roemwaarde groote stukken heeft hy in dien tyd voor Kloosterpapen, en byzondere persoonen, gemaakt: gelyk ook in den jare 1640, voor den Prins van Oranje, en Borgermeesteren van Leiden twee groote stukken, waar van het eene verbeelt de beruchte daad van den Roomschen Scipio Africanus, daar hy de ondertroude Princesse hem aangeboden haren Bruidegom ongeschonden te schenk weder geeft. Hy heeft ook de eer gehad van op 't Raathuis te Amsterdam (nevens GOVERT FLINK, en FERDINANDUS BOL) een voornaam stuk te schilderen, daar J. v. Vondel dit volgende byschrift (door den beruchte pen- en penceelschryver Kop (penol daar onder geschreven) gemaakt heeft. De * Zoon van Fabius gebiet zyn eigen Vader Van 't paart te stygen, voor Stadts eer en achtbaarheit. Die kent geen bloet, en eiſcht dat hy eerbiedignader. Dus eert een man van staat, het ampt hem opgeleit. Dit stuk hangt in Borgermeesters kamer voor den schoorsteen Zyn De Borgermeester * Suesso gebood zyn eigen Vader G. Fabius Maximus, door den Raad van Romen als gezant aan hem gezonden, van 't paart te stygen, door dien 'er een wet was, dat niemant te paart zittende een Borgermeester mocht naderen, om aan te spreken. De Vader gehoorzaamde dit bevel met eerbiet, en bewees zyn Zoon dien plicht welke hem als Borgermeester toekwam. Schilders en Schildereffen. 299 Zyn brave schilderkonst is ook door de Fenixpen van denzelven Vondel verccuwight. In zyne Lofdichten op Schilderyen &c. op pag. 340 hebj'er cen op de beeltenisse van den Borgermeester Lamb. Reinst, en Mevrouw Alida Bikkers &c. en noch een zynde een gesprek tusschen Schilder en Poeët. op den Leeuw door hem geschildert, Poeët. Wie voertme nu in een Woestyn? Hier leit een Leeuw, en niet de schyn. Hy vlamt op roof en Menschespieren. Schild. Hy heeft zyn' wilden aart verleert. Zoo temt de Konst den Vorst der dieren, Die over alles triomfeert Hy heeft ook d'eer gehad dat hy de Afbeeldingen van Michaël de Ruiter, Opper Admiraal en Kornelis Tromp, Onder Admiraal van Hollant door zyn konstpenceel heeft afgemaalt, op welk laatste Vondel zig dus laat hooren: Als Jurk, de Britsche Turk, de Zee wil overgapen, En vlooten slikken in zyn onverzade maeg, Dan voert hy op den mast den Bezem tot een wapen, En dreigt uit nieu Algiers de maght van s'Gravenhaeg. Hoe lange toch'tot dat de Zeeleeu TROMP, verwildert Getorght van wrake, met gevangensmoordend bloet, Een schoone waterverf, zig naar het leven schildert, Om's Vaders doot ontvonkt van nimmerbluschb'ren gloet. Hy vaeght in Oost'en West met 's roovers bezemroeden De beide straten van dit havenschennend slyk, En geesselt het, dat borst en lenden vreeslyk bloeden, Ter straffe van gewelt, geleên in Christenryk. Dan Schouburgh der 300 Dan hoort men Askué, en Monken, en Barklaien, Geweldenaren van de vrye en ope Zee, Zig t'enden adem op 't schavot der baren schreien. En deerlyk jammeren om 't afslaan van den Vrée. Wie beezems voeren wil, geef TROMP de roên in handen. Dees voert het Scherprecht uit, in 't aanzien van twee stranden. En 't blykt aan dit volgende vaars dat hy onder anderen ook de beeltenis van Jan Vos geschildert heeft, Dus maalt my LIEVENZEN, om na myn doodt te leeven. Ik poog de doodt vergeefs 't ontvluchten door myn schacht. 'T penceel is magtig om de verf een ziel te geeven. Een die de doodt verwint, heeft overgroote kracht Ik word door LIEVENS handt onsterfelyk geschapen. Philips angels die in den jare 1642, het lof der Schilderkonst schreef, melt van hem met roem aangaande zyne bedrevenheit in Historykunde, pryst ook onder andere een stuk waar in hy de geschorte offerhande van Izak volgens de beschryving van Fl. Josefus, welke zeit: na Godt het voornemen van den aardsvader geſtuit had, zy mal kander omhelsden en kusten, natuurlyk en konstig afgebeelt: als ook zynen grooten geest, en zyne vernuftige bedenkingen die hy ontrent de verbeeldinge van Bathseba heeft doen blyken, daar hy 't alles naar de bedenkelykste wyze, en zoo als het waarschynesyk zig ontrent het geval heeft toegedragen, heeft afgebeelt. Maar hier in tast onze schry Schilders en Schilderessen. 301 Schryver mis, als hy ook het byvoegsel, te weten een Kupido ('t welk hy noemt het Waereldberoerend kind, in de lucht van 't stuk gemaalt, met een vlammende pyl in stee van een gescherpte flits, in welkers dunne rook men de teere leden zoetelyk ziet wemelen, pryst. Aangezien dit wel een zinnebeeldige beduiding van den ontsteken minnebrand in 's Konings hart aanduid, maar die in Bybelstof nooit te pas komt. Maar 't gaat gemeenlyk als Junius zeit: Dat de Schilders en Dichters van eenen geest gedreven, veeltyds iet nieus plachten te ondernemen. Zyn beeltenis staat in de Plaat N, op de hooge zy van Pallamedes. Volgt FERDINANDUS BOL. Dezen (alzoo ik zyn geboortejaar niet heb konnen opspeuren) heb ik voeglyk gedacht agter zynen konst- en tytgenoot te plaatsen. Dordregt matigt zig de eer van zyn geboorte, gelyk Amsterdam die van zyne opvoeding aan. Hy was twee of drie jaren oud, als hy in Amsterdam kwam, waar hy tot redensgebruik gekomen, en zig geneigt vindende tot de Konst, onder den Grooten REMBRANT zig daar in geoeffent heeft. De natuur en de fortuin waren hem beyde gunstig. Dus hy grooten roem, en veel gelt, tot dienst van zyn ouden dag overgewonnen had; want hy stierf in een goeden ouderdom, op t jaar 1681. Nevens een groot getal pourtretten, natuurlyk en krachtig geschildert, ziet men ook menigte van zyne roemwaarde konststukken, zoo in Godshuizen als anderzins, die zyn konstroem wel altyd zullen schragen. Inzonderheyt gedenkt de groote Agrippyner een zyner Konstwerken, 't welke hy in zyne Lofdichten op Schilderyen enz. noemt het heerlyke stuk Schouburgh der 302 stuk van FERDIN. BOL, voor den doorluchtigen Zecraat te Amsterdam, in 't Reisjacht geschildert aldus: De groote Zeevoogdin bezweert den waterheilig En Opperammiraal, in haren dienst getreên, Dat hy de Zeevaart voor 's lants Vrede en Vryheit veilig; En zeegene den bou en koopvaardy der Steên. De Zeevoogt om dien laſt gehoorzaam uit te voeren, Neemt daatlyk Sterkheit, en Voorzigtigheit te baat. Nu durft geen rover, noch geen storm de vinnen roeren. Dus groeit de handel aan, ten wasdom van den Staat. Ook zietmen nevens het grootste gemelde groote stuk, noch verscheiden Konststukken van hem. op 't Amsterdamsche Raadhuis, als een op de Raadkamer, boven den schoorsteen, waar in verbeelt staat de verkiezing der oudsten in Israël, om neffens Jetro den schoonvader van Moses, het volk te richten. En in der Schepenen Kamer, daar Moses de Wet in steene tafelen op Sinaiont fangen hebbende, afbrengt, en die het volk voorhout, daar dit vaers op ziet: Hebreeusche Moses heeft de Wet van Godt ontfangen, Waar mede hy naar 't volk van boven wederkeert. Dat hem eerbiedig groet, en welkomt met verlangen De Vrye Staat luikt op, als't Volk de Wetten eert. Noch een proefstuk van zyn penceelkonst ziet men in 't Borgermeesters Vertrek, waar onder meergemelde Vondel dit byschrift tot verklaringe van den inhout gemaakt heeft: * Fa ert Schilders en Schilderessen 303 Fabricius houd stant in Pyrrhus legertenten. Het gout verzet hem niet, door schandelyke zucht, Noch Elefants gebrieſch, en felle dreigementen. Zoo zwicht geen man van Staat voor gaven, noch geschenken. Nevens deze verschynt PALAMEDES PALAMEDESZ STEVERS. Deze word onder de Konstschilders van Delf getelt, alhoewel hy te Londen gebooren is. Zyn vader die een Vlaming, en konstig werkbaas. om kroezen, koppen, vazen, enz. van Jaspis, Porphier, Agaat en diergelyke kostbare gesteenten te maken, was, woonde te Delf, als hy wegens zyn koning Jakob van Schotland, wierd ontboden; en alzoo hy eenen geruimen tyd aan 't hof opgehouden wierd, kwam zyn vrouw die hy mee genomen hadde, in de kraam van dezen PALAMEDES, doch hy kwam met zyne ouders weder te Delf, daar hy voorts is opgevoed, en zyn leven lang is blyven wonen. Hy is genoegzaam zonder meester, meester geworden, hebbende zij alleen geoeffent met de konststukken van den ver maarden ESAIAS vanden VELDE; na te schilderen, waar door hy met den tyd zodanig, niet alleen aan die hande† Cajus Fabricius werd na den Veldslag by de Rivier Liris van wegen de Romeinen in Gezantschap aan Achilles, Naneef van Pirrhus en Koning van Epieren, gezonden, die zyn aanbrengen toestont, doch zocht hem op zyn zyde te trekken, eerst door geschenken, door dien hy gehoort had dat hy arm was, daar na door bedreigingen des doods, door een vervaarlyk briessenden Olyfant, maar de Romein bleef standvastig en onverzettelyk, niettegenstaande hy hem het vierde deel van zyn ryk aanbood, zoo hy by hem wilde bly ven, en toonde dat een edelmoedig Romein, de deugd en getrouheit meer dan 's waerelts schatten acht. Zie Livius in zyn Rom. Hist. Schouburgh der 304 handeling, maar ook aan dezelve wyze van ordonantien, gewent werd, zoo dat hy Ruitergevegten, roerende en stilstaande legers, en andere krygsgeval len zoo wel heeft weten te verbeelden, dat hy by alle konstkenners in zyn tyd roem behaalde. In de Plaat N staat zyn Beeltenis op de lage z van J. Lievensz. Hy had zoodanigen zucht, en begeerten om grooter te worden in Konst, dat hy altoos voor een spreekwoord hadde: noch eerst te zullen beginnen, doch zyn edelmoedig voorncemen is door de alvernielende dood voor altoos belet geworden, op den 26 van Lentemaant 1638, noch maar 31 jaar oud zynde. Hy liet een ouder broeder na, ANTONY PALAMEDESZ STEVERS genaamt, die ook een goed schilder was, zoo in Pourtretten, als gezelschappen. Deze kwam in 't jaar 1636 tot Delf in 't St. Lucas Gild, en was 1673 voor de laaste maal Hooftman van gemelde Gild. NAARDIEN wy met een verandert tooneel staan te beginnen, en die toestel een weinig tyd tyd vereist, willen wy den aanschouwer, op dat het wachten hem niet verdriete, ondertusschen met een korte redenvoering onderhouden: die nende tot meerder bericht van 't geen wy op pag. 97.98. gezegt hebben, van de Offerhanden der Heidenen met der zelver gereedschappen, en byvoeg zelen: te weten, dat een Konstschilder moet bedacht wezen, wanneer hy eenige Heidensche offerhanden met hun aankleven verbeelden wil, daar by het Beeld van die Godheit aan, en voor wie het offer geschiet, op een verheven voetstal, of in een holle nis te plaatzen: 't zy naakt, of beklced, daar een konstoeffenaar vryheit toe heeft; aan Schilders en Schilderessen. 305 aangezien de ervarenheid ons doet zien, dat de Heidensche Godenbeelden, 't zy man of vrouw, naakt verbeelt of gevormt, in hunne Tempelen by de altaren stonden, ook zomwylen met sluiers, pragtige kleederen en andere kostbare versierselen omhangen wierden. Om dit eerste gezegde te bevestigen dienen deze regels uit Statius Papinius: De gryze Koormaagd voed ter haardste 't waakvier aan, En zal geen oog op de geheime schaamte slaan. en tot het tweede ontbreken geen getuigenissen die zulks bevestigen. Trebellius Pollio verhaalt. dat de Dwingelant Celsus met den purperen sluyer van de Godinne Celestis versiert wierd. En Vopiskus, dat de Tyran Saturninus, wanneer hy van de soldaten tot Keizer uitgeroepen was, het purper kleed van Venus nam, en in 't byzyn der krygsknechten met een vrouwen rok bekleed, wierd aangebeden. De Kerkroover Dionysius rukte Jupiter Olympius den gouden mantel van de schouderen, onder voorgeven dat die des zomers te zwaar, en 's winters veel te koud was; en gaf hem eenen van laken in de plaats, die des zomers dekken, en des winter verwarmen konde. Ook moet een konstschilder weten, wanneer hy de Feestvieringen van Mars en Venus zal schilderen, dat de afgodendienaars dezelve hebben geviert met verwisselde kleederen: Dat de Vrouwen een mannen lyfkolder of panzier aantrokken. een helmet op 't hooft zetten, en de mannen zij in vrouwengewaad verkleedden. Dus deden in zonderheit de Assyriers volgens de getuigenis van Julius Firmikus: en Herodoot verzuimt niet dusI. DEEL. da Schouburg der 306 danige dingen van de oude Babiloniers en Egipte naren aan te teekenen, welke gewoonte naderhand tot de Grieken, en voorts tot de Romeinen over gegaan is. Door welke wyze van doen zy de deur openzetten tot dartele onkuisheit. Waarom ook Israëls wetgever het Hebreeusche volk, geneigt tot de afgodery der nabuurige volken, zulk doen scherp verbiedt, als uit menigte van bewyzen te zien is. De reden waarom de oude Heidenen tot gemelde Godsdienst-pleging hunne kleederen verwisselden, willen zommigen dat deze geweest is; dat zy waanden in dusdanig gewaad die Godheden aangenamer te zyn. Maar andere vernuften hebben op zekerder gront besluit gemaakt, dat zulks uit loutere onkunde, en om dat zy onzeker waren of hunne Godheden die zy dienden tot het mannelyk of vrouwelyke geslacht behoorden, ontsproten is. Hier van daan is deze twyffelagtige aanspraak welke in dusdanige offerhanden plag gebruikt te worden, by Arnobius te boek geslagen: Sive tu Deus es, sive Dea? dat is: Het zy gy een God, of een Godinne zyt? ja deze dwaling ging zoo veer, dat zy zelf zommige hunner Godenbeelden in de gedaante van beide de geslachten gevormt, offerdienst toegebracht heb ben. Onder deze mag men de Cyprise Venus wel de eerste tellen. Deze was (volgens de getuigenis van Makrobius) met een vrouwenbekleeding en met een mannenbaart afgebeelt, en werd van de mannen in vrouwen gewaad, en van de vrouwen in mannenkleederen gedient. Dusdanig had het blinde Heidendom oulinx ook de Fortuin (in het boekje van den Heer Spon, van den Altaar der onbekende Schilders en Schilderessen. 307 de Goden aangewezen) afgebeelt. Men kan die beeltenis, gevolgt naar het marmer by W. Goeree in het II Deel van zyne Mosaische Historie pag. 579 zien, met dit byschrift. FORTUNAE BARBATÆ &c. DE GEBAARDE FORTUIN. Dus dient een konstschilder acht te geven in hoedanige gedaante de Afgodsbeelden by de onderscheiden oudtydsche volkeren verbeeld wierden; want in een heel andere gedaante werd JuPiter by de Lydiers, als by de Sicioniers afgebeelt. Deze verbeeldden hunnen Jupiter in de gedaante van een van onderen breed vierkant, en gedraaide spits opgaande piramide, daar mede te verstaan gevende, dat het natuurlyk verstant (by de Basis geleken) niet machtig is om de Godlyke en Hemelsche dingen te doorgronden, als die niet anders als door scherpziende verlichte oogen (door 't scherp pgaande spits afgebeelt) konden beschout wer den: en wanneer de Priesters 't zelve wilden raadvragen, droegen zy dat Beeld met veel plechtig heit en gevolg (in een vergult schip omhangen) met zilvere kroezen en drinkschalen) op hunne schouderen door de straten om, zingende eenige heilige liederen. Anders werd zyn Beeld in Lydie gezien; te weten met een Geitevel, Diphtera genoemt, in welk binnenste men schryven konde, om aan te duiden dat Jupiter al de bedryven der menschen op aarde in zyn geheugen (even als door letteren op Perkament) houdt; op dat hy de goeden op hun beurt beloone, en de kwaden door zyn blixem straffen zoude. V 2 Ook Schouburgh der 303 Ook werd zyn Beeld by hen zonder blixsem in de vuist vertoont, hebbende een byl in de hand, waar van Plutarchus deze reden geeft: Herkules, hebbende Hippolite de Koninginne der Amazoo nen gedood, heeft nevens andere wapenen van die overwinninge ook een byl mede gebracht, welke byl hy ten geschenk gaf aan zyn beminde Omphale. die van het geslachte der Lydiers was: die dezelve als heilig bewaarde, gelyk ook de Koningen een namaaksel daar van hebben gedragen, tot op de Regering van Candaulus, die dezelve van een dienaar zich achter na liet dragen. En dus hadden de Lydiers tweederhande Beeltenissen van Jupiter, waarom zy hem Jupiter Labradus genoemt hebben, want in die sprake wierd de Byl Labroum geheeten, en met een Degen op de zyde, Carius genaamt. De Thebaners, en verscheide Afrikaansche volken verbeeldden hunnen Jupiter Hammon met Ramshoornen aan beide zyden van 't hooft; en zoo wy met Servius, dien grooten uitlegger van Virgilius, over de reden van dit vreemd Hoofdsiersel raadplegen, hy zal ons zeggen: Dat Jupiter Ammon daarom met Ramshoornen afgebeelt wort, om dat zyne Antwoorden of Godspraken zoo veel draaijingen en wendingen hadden als zulke Hoornen. En die van Creta eerden Jupiter (volgens zeggen van Eusebius) in de vuurstenen, en zwoeren by hem, dus: Zoo ik wetende bedrieje zoo moet my de Vader van den dach (alzoo zweer ik by dezen ſteen) uit alle myne goederen uitwerpen. Anders was de Beeltenis van Mercurius gevormt, of van houdt of steen gebeelthout, als hy voor den God der welsprekentheit geëerd wierd. Anders als Schilders en Schilderessen. 309 als zy hem dienden als begunstiger der vrye konsten. En weder anders, wanneer zy hem aanzagen voor bevrediger der geschillen: Dan zagmen aan zyn voeten leggen een witte roede, om wel ke twee slangen gevlochten waren, ter gedachte nisse dat hy twee slangen vechtende ziende, dien stryd door het tusschenkomen van zyn roede had de gescheiden. Waarom oudtyds de gezanten tot het maken van vrede afgezonden, diergelyk een teeken met zig droegen. Om dezelve reden were ook zyn beeltenis in de Galeryen en Twistscho len der oude Filosoofen geplaatst, nevens het beeld van Minerva. Van welke beeltenis zig dan een konstschilder (als een noodwendig bysieraad) wan neer hy een school of gezelschap van oudtydsche Letterwyzen, en Redenaaren verbeelden wil, zig bedienen kan. In een andere gedaante is Diana verbeelt geweest by de Heidenen, daar zy dezelve eerden voor Beschermgodin van de Jacht en Bosschen: Anders als zy voor de Maan genomen, als de Lichtbrengster by nacht geeert wierd: want dan werd zy verbeeld met een brandende fakkel in beide handen. Gelyk men haar beeld dus bestempelt ziet op een penning van Faustina, met het byschrift DIANA LUCIFERA. Weer in een heel andere gedaante stont haar beeldt te pryken by die volken welke haar hielden voor voedster, en voortbrengster van alle levendige schepselen. Dus werd zy gecert van de Ephesers. Waar af het ruggestuk des pennings van Keizer Klaudius de bestempeling draagt, waar op men haar ziet in een Tempel portaal staan, met dit byschrift DIAN. EPHE. Waar van ons Fr. Perrier een duidelyke afteekening, (gevolgt naz; Schouburgh der 310 naar een uitgehoudent marmersteen, uit Griekenlant te Romen gebracht) in print, onder zyne Roomsche Statuen doet zien. In welk opzicht ook Hieronimus in zyne voorreden van den Bries tot de Ephesers zeit: dat zy niet Diana de Jager in ne, maar die met de veele mammen eerden. Dit was om de kracht der opvoedinge te beteekenen; gelyk door de omzwagtelinge van den navel des beelts. benedewaards, (daar tusschen zig verscheiden koppen van dieren doen zien) dat zy door 't ontsluiten van den band der geboorte de schepselen te voorschyn doet komen. Waarom Diana ook van de Grieken Genethlios genoemt werd, om dat zy het bewind over de geboorte heeft. Licht zullen myne konstgenooten zeggen: wie zal daar juist zoo naauw acht op geven, zoo alles zoo stipt naar de oudheitkunde niet is waargenomen: Ik antwoort: niemant dan zulken die daar in geoeffent zyn. En dus is het ook met de Historische verbeeldingen gelegen: niemant zal de misslagen daar in begaan opmerken dan die, welke in de Historien ervaren zyn, van wien men de berispingen te wachten heeft, en naar wiens opmer kingen de onbedrevene luisteren. Meer zouden wy ter zake dienende konnen zeggen, zoo de Tooneelgordyn reeds opgeschoven ons niet gebood af te breken. Tot noch toe heeft de Schouburg niet als Konst schilders vertoont. Voortaan zullen ook de beruchte Schilderessen daar op verschynen, en op heure tydbeurten nevens de Mannen ten tooneel komen; om den lezer door die veranderinge op nieuws te verlustigen, en zynen yver door wakende begeerten tot het gene zy zeggen zullen op te wakkeren, De Schilders en Schilderessen. 311 De oude gedenkschriften melden van eene Vestaalse maagt Lala 1 genaamt, die de konst van schilderen verstont. Maar wat hoeven wy in de 2 twyffelagtige oudheit voorbeelden op te zoeken? de voorgaande een levere ons 3 Marietta Dochter van den beruchten Italiaanschen schilder Tintoret, in dezelve konst tot verwonderinge van alle 4 1 Lala van Cyzicus, of Spiga. Deze (zeit Plinius) was zoodanig bedreven in de penceelkonst dat haar werk ongelyk waardi ger geschat wierd, als dat van den schilder Sopilos: schoon di tot een hoogen prys verkocht wierd. Twyffelagtige oudheit. Wy spreken dit niet tegen, noch min den volgenden roem der doorluchtige vrouwen, maar zeggen dat de Dichters zomwylen de palen van vryheit wel wat veer uitzetten, en gevolgelyk zoo heel veel staat niet op dezelve is te maken: terwyl wy ondertus schen gedachtig zyn aan de spreuk van Gratiaan: De waarheid komt zelden zuiver voor onze ooren, voor al wanneer zy van veere komt; want dan vat zy eenige verf van de hartstochten, die zy op haren weg ontmoet. 3 Mariette Tintorest geboren te Venetien, leerde de konst by haar Vader, waar toe zy zoodanig geneigt was; dat zy gewoon was zig, toen zy noch jong was, in jongens gewaat te verkleeden, om by haar Vader (wanneer die groote werken buitens huis schilderde) te mogen wezen, welke haar ook inzonderheit lief hadde, zoo dat zy voor zyn zoon wierd aangezien. Zy heeft uitgesteken in het schilderen van pourtretten, schilderende veel Dames. die graag by haar waren, wyl zy dezelve, door heur zang en snarenspel, waar in zy beroemt was, wist te vermaken. T geen haar inzonderheit berugt maakte was het portre: van den Bisschop Marco, en dat van den Opperhofmeester van Keizer Maximiliaan: welk portret zy aan den Keizer vereerde, en zich daar door zoo beroemt maakte dat zy daar door gelegentheit kreeg om Philippus den twee den Koning van Spanje, en den Aartshartog Ferdinand te schilderen. Zy stierf in 't jaar 1590, oud zynde maar 30 jaren, en wert begraven in de Kerk van Sante Maria dell Horto. Dus melt Sandrarts Tuitsche Academie, pag. 170. Schouburgh der 312 alle die het zagen gevordert. 4 M. Propertia de Rossi beeltsnydster van Bolonien, die konstig in Persiksteenen en marmer gesneden heeft: gelyk de Roomsche 5 Claudia Stella onverbeterlyk in koper deed. Andere hebben weder haar brein gescherpt op taalgeleertheit, of andere prysselyke wetenschappen. Vele Vrouwen hebben de eedle zwaneschagt gevoert, en de wysheit boven alle vergankelyke schatten bemint en uitgekozen. Men leeft van 6SAFFO, en haar hooggeroemde Dichten, Zoo lang als Febus blyv' de pronkpraal aller lichten. 7 ASPASIA bezat de gaven van verslant. 8 THE4 Propertia. Deze schoon en welgemaakt van lichaam, en van de natuur begaaft met een schoone zangstem, verstont zig meesterlyk op de behandelinge van't snarenspel, en andere fraje konsten en wetenschappen, maar het geen haar meest berugt gemaakt heeft, was haar graveerkonst op een Perziksteen. Anderen zeggen op een porfier steen, de grootte van een persiksteen. Daar tot verwondering van getuigt wort: dat zy de gansche Passe, of het Lyden van Kristus en elk deel deszelfsonderscheidentlyk daar had op afgebeelt. Zy maakte ook portretjes heel uitvoerig en konstig in marmer, Paus Clement de zevende van dien naam was begerig om haar te zien, en zond om haar maar te laat, want zy een week te voren was overleden Zie J. Sandrarts, Academie p. 203. Claudia Stella. Weergaloos in 't behandelen van 't graafyzer, aan de bekende print, naar de Schildery van N. Pouzyn (verbeeldende de slangebeet) te zien, 6. SAPPHO, geboren te Mitylene een voorname stadt, op het Eyland Ledos. Zy werd in haar tyd genoemt de tiende Zanggodin. Zy leefde ontrent de vierenveertigste Olymtiade, ten tyde van Pitracus den tyran. Zie Basilius Kennet, in de Levensbeschryving der Gricksche Dichteren, op p. 90. ASPASIA, van Mileren, muntte niet alleen uit in konst van Welsprekentheit, maar heeft vele door hare leydinge daar in tot volmaaktheit gebracht, waar onder was ook Socrates, die zig niet heeft geschaamt zulks zelf te bekennen. Zie Thomas Stanley, in zyn boek van de oude Wyzen p. 78. Schilders en Schilderessen. 313 8 THEANO hield het school van haren man* in stant. 9 ARETE heeft haar zoon geleerdlyk onderwezen TERENTIA de vrouw van Cicero geprezen. Om haar verſland, is door de ſnelgewiekte faam. En tallooze andere, roemrugtig door heur naam: De Deugd van vele bralt op elpenbeene troonen, Zy leven na de dood gecierd met ſchoone kroonen, Als certyds in triomf de groote Vorst August: Der Vrouwen deugd is aan geen volken onbewust, Al d'aard verheft haar lof ten trots van 't laſtrena drukken. 10 MARIA brak de fles met Narduszalve aan stukken En gootze vrolik uit op's Heilands heilig hooft. Al deze prysselyke hoedanigheden, konsten en wetenschappen, in zoo veele voorbeelden aangewezen, en die yder op zig zelf genoeg zyn, om de bezitters der zelve een berugten naam te maken, en in roem te doen leven, bezat onze waardig gedachte Juffrouw ANNA MARIA SCHUURMANS S. TEANO Van Creta, thans Kandia, vrouw van Pyrbagords, nam het bestier der School na de dood van haren man waar, tot dat zy Aristaeus troude, die Pythagoras in de wyze van leeren gevolgt heeft. Dezelve p. 300. 9. Akete, van haar vader Aristippus volkomen in de wys heit onderwezen, leerde het zelve voort aan haren Zoon. Zie den voorgemelden schryver op p. 134. 10. Dit ziet op het gebeurde te Bethania Mark. Cap. 14 v. 3 beschreven. Waar aan zig Judas stiet: waar op zig N. Van Brakel dus heeft uitgelaten. Godvrugte Maria, uw weldoen kan dien snooden Den buideldrager niet behagen; waar toe is't Blaft by haar toe, waar toe is dit verlies van noilen; Waarom deze Oly, dus zoo reukeloos verkwist: Men kon de zelve tot een hoogen prys verkoopen De Lydende Kristus, p. 9. * Pytagores. Schouburgh der 314 MANS te gelyk. Sulks alsmen ziet dat zy de Schilderkonst, graveeren in koper, 't beeldsnyden, en Bootzeerkonst verstond, inzonderheit ook de Taal geleertheit en Godvrucht bezat. Men met reden besluiten moet dat de milde natuur, of om beter te zeggen de schikking des Hemels, heeft gewilt dat alle gaven van 't vernuft in haar te gelyk zouden uit steken. Zy is geboren te Uitrecht in 't jaar 1607. tot grooten luister dier Stadt. Met haar 3 jaren kon zy onderscheidentlyk lezen, en op haar 6 jaaren konstig met de schaar velerhande dingen snyden. Met hare jaren groeiden haar begryp, geneigtheit en zucht tot geleertheit, en geagte wetenschappen, rustende zy niet voor zy hare beooginge verkreeg; waar omtrent zy zonder voorbeelt gelukkig was, om dat zy een vernuft bezat dat fix alles begreep, een geheugen dat zonder missen alles onthielt, en handen die tot alle behandelingen zig wisten te voegen. Wy hebben haar beeltenis konstig geetsi en voort met het graveeryzer opgemaakt, op haar XXXIII jaar CID. 10. CXL. door haar zelf in koper gebracht met dit Latyns vaars. Cernitis hic picta nostros in imagine vultus. Si negat ars formam, gratia vestra dabit. Dat is: Gy ziet myn wezen op dit tafereel gemaalt. Uw gunst voltoit het werk, indien'er kunst aan faalt. Welke printverbeelding wy voor d'andere hebben gekeurt om na te volgen in de Plaat M boven aan, staande op het voetstuk, welk het Tafereel Al schraagt, Pallas vogel. Schilders en Schilderessen. 315 Al vroeg had zy zig een behandeling met het penceel aangewend, en schilderde allerhande soorten van Bloemen heel natuurlyk, als ook velerhande soort van gedierten, als Slangen, Hagedissen, Rupsen en Flintertjes; het welke zy doch maar voor uitspanningen hielt, wanneer heur geesten door 't veel blokken in vremde talen haar eene ademhalinge vergden. Vorder word van haar, gezegt, dat zy alleen met een mes, (zonder ander Beeldhouwers gereedschap te gebruiken) van Palmhout heeft gesneden haar Moeders, Broeders, en haar eigen poürtret, zoo konstig en met zoo goede gelykenis dat yder daar van verwondert stont te kyken. Ja men vertelt dat de Konstschilder HONTHORST dat van haar Broeder inzonderheit heeft geschat op 1000 gulden. Hier beneven had zy ook haar beeltenis halver lyf van was gebootseert waar door zy veel roems behaalde. Maar het gene haar boven alle berucht gemaakt heeft, was haar weergalooze taalgeleertheit. Want men zegt dat zy negen talen in den grond verstont, en spreken konde. Daar en boven was zy dooroeffent in de Natuurweetkunde, Bybelstof en Redenkonst. Ja zoo dat zy het fynste der talen begreep, en 't pit en merg der Filosofy en Bybelschriften bevatte, en daar over met de geleerde Mannen van hare eeuw brieven wisselde. Maar al dezen roem dien zy van wegen hare konst en geleertheit bekomen had, heeft zy eensplots versneden, wanneer zy onder voorwending van den nederigen Jezus in eenvoud te willen dienen, tot de Labadeesche dweepery verviel; die haar ook van Uitregt, en hare vrinden aftrok naar Altena, daar cen zamenlevinge van eensgevoelende opgeregt werd. Op welke wyze van verandering de Dichter Schouburgh der 316 ter onder haar pourtret, dat door Munnikhuizen gesneden is, aldus zinspcelt. Hier ziet gy d'eedle Maagt, genaamt weergadeloos, Eer zy voor 's Waerelts lof het beste deel verkoos. Zy was als zaamgestelt van Wysheit, Geest en Deugd: Haar liefde was gekruist, het kruis was hare vreugd, Konst, Talen, Wetenschap, Geleertheit, Grootheit, Eer, Met blyschap ley zy't al voor Christus voeten neer. Zy is gestorven te Altena in 't jaar 1678 in den ouderdom van 71 jaren. En haar roem voor het grootste gedeelte met haar. Nevens haar verschynt MARGARITA GODEWYK ten tooncel. De Lezer wil het niet kwalyk nemen, dat ik voor eene enkele reis myn voorgestelde perk overtredende, MARGARITA GODEWYK schoon jaren later geboren nevens haar ten Tooneel breng. Dit geschiet, om dat al 't geen ik tot roem van Anna Maria Schurmans gezegt heb, en de loffelyke voorbeelden daar toe aangehaalt, teffens, op beide te gelyk zouden konnen toepast worden. MARGARITA werd in den jare 1627, op den 31 van Oegstmaand te Dordrecht, (alwaar heur Vader in dienst van de Latynsche School was) geboren. Zy van de milde natuur met veel vernust beschonken, was zonderling ervaren in de Griekse, Latynsche, Italiaansche, Fransche en Engelsche tale; begrypende mede de Hebreeusche Boekstave, en rymde geestig op Dichtmaat. Zy wist konstig met de naalt te stikken, Lantschappen, Hoven, Huizen, Bloemen en allerlei slag van Scheepsgevaarten, gelyk ook alles door Oly- en Waterverf konstig af te malen. Tot welke Pen Schilders en Schildereffen. 317 Penceeloeffening zy Nicor. Maas, tot onderwyzer gehadt heeft. Zy wist ook geestig met de Pen en Potloot alle voorwerpen prysselyk te verbeelden: kon ook geestig o glas schryven, en verstont zig de Maatzang en Klavecimbalspel. Daar en boven begreep zy ook de Hemelloop kunde, en wat des meer is. Math. Balen die van haar in zyne beschreiving van Dordrecht melt, getuigt dat hem na haar dood vertoont zyn verscheiden van hare geschreven Boeken, als hare Latynsche, Franse, en Nederduitsche zinnebeelden, met beeltenissen, door haar vernuft en konst opgesiert: hare Latynsche gedichten van verscheiden stoffen, ook hare Latynsche brieven aan geleerde Mannen, inzonderheit aan den Heere Arnoldus Senguerdius Professor in de Filosofy tot Amsterdam, over verscheiden stoffe geschreven. Deze drie ingebonde stukken nevens hare losse nagelaten schriften, en verscheide stalen van hare Konst, berustten ter dien tyd in het Kabinet van den Heere Samuel vander Heiden. Gemelde Balen heeft ook zyn Boek van Dordrechts afkomst met de beeltenis van die schoone paarl (gelyk zy die zelf naar 't leven gemaakt had) gesiert. Waar onder zig dit volgende by schrift doet zien, gedicht door den Heer Samuel van Hoogstraten Dus maalde MARGARIET haar uiterlyken schyn, Als stontze voor ons: maar om haren geest in taalen, In konst in kennis, en in godvrucht 't achterbaalen, Scheen Nestors levenstyd noch wel te kort te zyn. Zy stierf te Dordrecht op den 2 van Slachtmaand 1677. Hoc Schouburgh der 318 Hoe verschillig men de menschelyke geaartheit, en gevolgelyk de neigingen bevint, is min te verwonderen, alsmen opmerkt dat dit aan de menschelyke natuur eigen is, zoo veer, dat zelf tweelingen van eener dragt, niet alleen in geaartheit zullen verscheelen, maar zelf door een gans strydige genegenheit gedreven worden; een vast gevolg dat de onderscheidene driften uit de verschillige natuurs gesteltheit voorspruiten, en over zulks de uitwerkingen door verschillende en byzonder geaarde gemoedsdriften aangevoert, ook verschelen. Egter hoe verschillig iets is, zoo is 'er niets dat meer het genoegen streelt, als het op volgen van de natuurlyke geneigtheit; noch zyn de lichamelyke werktuigen (in opzicht van eenige behandelinge of uitwerkinge) gereeder, om dat het werk van zelfs zich vlydt. Het levensbedryf van ADRIAAN BROUWER zal ons gezegde als in een spiegel doen zien. Deze zyne genegenheit opvolgende, die tot boerterye helde, heeft niet anders beoogt als de zelve op het natuurlykst door 't penceel af te malen, ('t geen hem boven anderen gelukt is) en daar door den eernaam van een groot meester bekomen. Potsig was zyn penceelkonst, potsig zyn leven. Zoo de man was, was zyn werk. Zommigen willen dat hy geboren is te Oudenaarden in 't jaar 1608. Maar een geschrift door den Heere Nicolaas Six leerling van den Leidschen Ridder en puikschilder Karel de Moor, onder de papieren van zyne voorzaten gevonden, en my ter hand gestelt, doet my zien dat hy een Haarlemmer van geboorte is. En als men op waarschynlykheit bouwen Schilders en Schildereffen. 31 wen mag, wanneer 'er geen zekerder bewyzen voor handen zyn, moet het hier plaats grypen; aangezien dit geschrift eene zekere handleiding daar toe aan my ontdekt. Voor eerst dat hy een leerling van Frans Hals is, die te Haarlem altyt gewoont heeft. Immers my is nooit gebleken dat Hals in Brabant gewoont of zyn konst geoeffent heeft, en BROUWER hier door gelegentheit zou gehad hebben om van hem de konst te leeren. Ten tweede om dat my toeschynt dat hy van geringe ouders geboren, en by gevolge niet van Oudenaarden tot Haarlem gezonden is, gelyk luiden van vermogen wel gewoon zyn te doen, wanneer 'er in hun stadt geen bekwame meesters daar toe gevonden worden: maar het tegendeel blykt; want BROUWER wert van Frans Hals die een vluggen geest in hem bespeurende in genomen en tot de konst gebracht, waar omtrent dat meer gemelde geschrift onder meer omstandigheden meld: dat BROUWER nog jong zynde van zyn moeder wierd gehouden om loofwerk en vogeltjes met inkt op lywaat te trekken, het welk hy dan naderhant overstikte met de naalt, en tot mut zen en borstlappen gesneden, aan de Boerinnen verkocht. Dat Frans Hals gevallig daar voorby komende en ziende hoe los en geestig hy dit werk behandelde, hem vraagde: of hy niet wel zin zou hebben om een schilder te worden? daar hy straks ja op antwoorde, indien zyn moeder zulks wilde toestaan. F. HALS vraagde het zyn moeder. die zulks inwilligde, mits hy haar jongen den kost geven wilde. FRANS bespeurende in korten tyd dat'er een groote Schouburgh der 320 groote geest in den jongen stak, en dat hy dage lyks in de konst buiten gemeen toenam, zette hem op den zolder, afgescheiden van zyn andere leerlingen, alleen. Maar de nieusgierigheit de jeugt eigen dreef hen om ter sluik zomwyl by hem te Romen; om te zien wat hy maakte, en zy verwonderden zig telkens over zyn vaardigheit, geestig heit en vindingen, waarom zy verding met hem maakten van heimelyk voor hun wat te schilderen, 't geen hem in de gedachten kwam; gelyk hy dan voor hun maakte de vyf Zinnen, de twaalf Maanden, en dergelyk, daar zy een stuiver of twee voor 't stuk aan hem voor betaalden. Deze opgesmeert bevielen hun dingen los en geestig zoo wel, dat zy hem spoorden om wat meer tyds daar aan te besteden met beloften van het loon te verdubbelen. Maar alzoo BROUWER veel voor zyn meester werken moest, en weinig te eeten kreeg (want het wyf van FRANS, BROUWERS hollen romp wel met wind zou hebben willen opvullen) werd hy verdrietig by zig zelven, en opgestookt door de andere leerlingen, waar van OSTADE een was, besloot hy van zyn meester weg te loopen, gelyk hy deed. Maar niet wetende (naar dat hy de stadt doorkruist had) waar te belanden; aangezien zyn moeder toen al gestorven was, en hy vriend nog kennis had, liep hy met den avondstont in de kerk en zette zig onder het Orgel (daar men des winter avonts gewoon is, tot vermaak der Borgers, op te spelen) bedroeft en radeloos neer, daar hy van ymant die hem kende (terwyl die wel aan t'huis van zyn meester kwam) gezien werd, die hem ziende zoo bedrukt en met de tranen op de wang, vraagde wat hem scheelde. de. OV kw. one plick ook Schilders en Schilderessen. 321 de. BROUWER biegte zuiver op, deed beklag over zyn mishandeling, toonde hoe weinig hy om en aan had, en dat het van binnen noch schraal der gestelt was, dat hy daarom van zyn meester was weg geloopen, dat hy nu niet wist waar te geraken, en egter niet weder dorst t'huis komen beducht voor stokslagen. De goede man met den jongen verlegen, bood zig ten voorspraak voor hem aan, en beweegde hem onder zyn geleide weder te gaan naar 't huis van zyn meester, die vast aan alle hoeken van de stadt naar hem had doen zoeken, om hem wederom te lokken; dewyl hy reeds groot voordeel van hem trok; want elk even gretig werd om een stukje schildery van dien vrem den meester (dus wist Frans het werk te doopen) te hebben. BROUWER kwam dan met hangende vlerken weder in zyn huis. FRANS toonde zig gestoort en gebood hem uit zyn gezicht naar boven te vertrekken, met bedreiging in dien hy zulks weer kwam te doen, hem dit en dat te leeren. Maar onderwyl wist onze vrient, FRANS zoo wel zyn plicht ontrent den jongen aan te wyzen, dat hy beloften daar ontrent deed. Voor BROUWER werd ook een pak op de voddemarkt gekocht, maar 't was zoo nieuwerwets of 't met Noaghs Ark van de eerste waerelt was over gebleven, en 't paste hem (want hy kleen naar zyn jaren was) als David het harnas van Saul. 't Moest wel passen; want FRANS zey: 't kleed staat wel, en of 't aan je lyf geschildert was. BROUWER kreunde 't zij ook niet veel, was 't wambus hem te wyd, hy hoefde 't weer met te ontknoopen wanneer hy 't aan, of uit trok. Hy met dit pak wat te vrede gestelt, begon I. DEEL. ### Schouburgh der 322 weer naarstig te schilderen, en FRANS deed groote winst met zyn penceelwerk; aangezien alle liefhebbers even gretig waren om wat van dien nieuwen meester (daar FRANS alleen bezitter van was) te hebben. Dog dit duurde niet lang, aangezien zommige van zyne meedeleerlingen, welke agter dien geheimen handel van FRANS, als ook agter den prys gekomen waren, hem dagelyks opstookten. zeggende: dat hy een groote zot was, indien hy zig langer dus door zyn meester liet blintdoeken. Dat hy te groote meester in de konst was, en al te groot voordeel aanbracht, om zoo slecht behandelt te worden. Zy rieden hem eindelyk andermaal uit de slaverny te ontvluchten, en zig naar Amsterdam te begeeven, alwaar zy wisten dat zyne stukken tot een hoogen prys verkocht wierden BROUWER nam zyn slag waar als FRANS uit was, en peurde voort naar Amsterdam, zonder zig van eenig bericht aan den eenen of anderen konstminnaat te voorzien. Zulks hy daar gekomen zynde niet wist tot wien hy zig zoude wenden: maar vernemende naar eenig konstkooper of ymant die handel met schilderyen dreef, geraakte hy by eenen van Zomeren toen waard in 't schilt van Vrankryk. die in zyn jeugt de konst geoeffent had, en zelf een zoon had HENRIK VAN SOMEREN genaamt die fraje Historien, Lantschappen en Bloemen schilderde. Deze nam hem in, en zette hem te schilderen. Hier kreeg onze BROUWER een vetter keuken dan hy gewoon was te hebben, 't geen hem wonder wel geleek, en naderhant verklaarde oogen, om de waardy van zyn penceelkonst te zien. Nu schilderde hy met grooter lust en yver ee nide om opzo Schilders en Schilderessen. 323 nige kleene stukjes: dog zyn huiswaart ziende dat zulks zoo gemakkelyk ging, besloot daar uit dat hy tot grooter ondernemingen bekwaam was. Der riedt hy hem, iets van meerder beslag op een kopere plaat te schilderen, om daar mee aan te toonen wat hy in de konst vermocht, gelyk hy deed. Hy schilderde een gevecht tusschen Boeren en Soldaten, ontstaan (zoo 't scheen) uit het spelen met de kaart, waar van de bladen alzins over den gront verstrooit lagen. Hier slaat de een den anderen met een bierkan op den kop, daar leit'er een op den gront geslagen, die de doodverf al gezet heeft, egter zig schynt te willen wreeken door zyn degen, welken hy tracht onder 't worstelen uit de schee te trekken. Aan den anderen kant ziet m'er een in volle gramschap, met het mes in de vuist van zyn stoel opryzen, als wilde hy tusschen de kampioenen indringen. In 't verschiet ziet m'er een in allen haast met een tang in de hand den trap af komen, enz. Alles was zoo natuurlyk naar den aart der hardstochten, in de wezenstrekken verbeelt, en zoo verwonderlyk vast geteekent, en los geschildert dat het wel tot een proefstuk van zyn konst kon verstrekken. Ondertusschen had het gerucht al verspreit dat BROUWER die nieuwe meester was, welkers konst een tyd lang door FR. HALS was uitgevent, en dat die van hem weggeloopen zig tot Amsterdam onthielt, daar straks de liefhebbers van de schilderkonst jacht op maakten, om na te snuffelen in wat hoek hy tot Amsterdam zat. 't Lekte eindelyk uit dat hy by van Someren t'huis lag. Des de Heer du Vermandois, die groote begeerte had om een stuk van hem te hebben hem daar kwam opzoeken, en het gemelde konststuk ziende X 2 straks Schouburgh der 324 straks bevallen daar in had, en naar den prys vraagde. Nu had zyn huiswaart hem voor af al bericht dat'er zoo een Heer, die ook al verscheidenmalen had komen vragen om iets van hem te mogen zien, komen zoude, en dat hy 100 Ducatons voor t gemelde stuk eisschen moest, 't welk hy met schroom deed, niet denkende dat ymant hem voor een stuk zoo veel gelt zou geven: waarom hy ook, wanneer gemelde Heer 't hem vraagde, een lange wyl stont te dralen, zyn knevels op te stryken. en dikwerf te zeggen: ik hebb'er veel arbyd aan besteed, eer 't 'er wilde uitkomen dat hy 'er 100 Ducatons voor hebben moest, 't geen gemelde Heer du Vermandois hem straks bewilligde, en verzocht hem mede te gaan aan zyn huis, om zyn vollen eisch in Ducatons te ontfangen, ADRIAAN stont te kyken, denkende als nog dat de Heer met hem spotten wilde, dog Zomer knikte hem toe, dus nam hy de schildery onder zyn arm en ging met den Heer mee, die hem zyn gelt, wel vergenoegt met dien koop zynde, aantelde. Dit stuk heeft naderhant gehangen in 't kabinet van den konstminnenden Keurvorst van de Palts. Hy niet gewoon zoo veel gelt te handelen wist van blydschap niet hoe hy ras genoeg met dien buit zou gaan stryken, en stortte (t'huis gekomen zynde) het gelt uit op zyn bed, en wentelde zij daar in. Eindelyk verzamelde hy de zilvere schyven weer by een, en ging daar mee ten huis uitstryken, zonder dat men wist waar hy vervaren was. Na 't verloop van negen dagen kwam hy zingende en fluitende in den laten avond weer thuis, en gevraagt: hoe hy zoo vrolyk was, en of hy zyn gelt nog had? gaf hy tot antwoort: dat hy zij var Schilders en Schilderessen. 325 van dien ballast ontslagen had. Op deze wyze leefde hy doorgaans, en was zig niet magtig, als hy gelt had, van drinken, zwelgen en Boerteryen te onthouden Deze nette verhandeling bepleit genoegzaam het geding over BROUWERS geboortestadt, en wyst die aan Haarlem toe: egter willen wy geen uit spraak daar over doen, om geen onrecht vonnis te wyzen, en d'een of ander stadt hare geboortelin gen ontwringen, terwyl hy ook in vroeger tyd met zyne ouders kan uit Vlaanderen in Hollant vervoert wezen: of 't kan wezen dat Frans Hals, BROUWER met zich uit Vlaanderen heeft mee gebrogt; aangezien wy uit de aanteikeningen, welke Vincent vander Vinne de oude, op de ach terzyde der Begraafnisbriefjes van Frans en Herman Hals gehouden heeft, zien, dat zy te Mechelen geboren waren. Dat hy in Brabant gestorven is, en over de wyze van zyn sterven en begraven daar over valt geen geschil, wyl alle gedenkschriften en geheugenissen daar in eens zyn, uitgezondert dat de een in zyne aantekeninge wel wat netter is, gelyk ik meer gemelde geschrift in dit op zicht bevind en dat op 't end aantoonen zal. Hy was van der jeugt aan tot boerteryen geneigt, en belust om allerhande potzen uit te voeren. 't Gebeurde dat hy voorby een wolspinders winkel komende (hoedanige winkels gewoon zyn des zomers met open veinsters, en 's winter met dooroliede papiere raamen gesloten te worden) zyn kop door den raam stak, om te vraagen, hoe laat het aan de klok was, doch zig zonder antwoord af te wachten voortpakte. Deze aart groeide in hem met de jaren op. Nochtans was hy niet misdeelt van verstant, maar heeft dikwils zyn vernuft X 3 onder Schouburgh der 326 onder zyne potzemakeryen doen blyken. Waarom wy een Aap nevens zyn Borstbeelt vertoonen in de Plaat N. Men kan niet zeggen dat de fortuin zig ontrent hem als een stiefmoeder gedragen heeft, maar dat hy zelve door zyn losse veranderlykheit, en verwareloozing in armoede is vervallen die hem heeft doen omzwerven. 't Is gebeurt (verhaalt Korn. de Bie) dat hy tot Amsterdam eens naakt en bloot (op Zee van roovers geplondert) aangeland, het penceel te hulp nam om aan gelt te geraken. Dus voornemens iets uit te voeren waar by hy lang bedacht kon blyven, laat hy een ruw linnen kleed en mantel maken, beschilderende dezelve met vremde looveren en bloemen; zoo dat het een nieuwe stof scheen te gelyken, hier ging hy na dat het wel glanzig met fernis overstreken was mede langs de straat, daar straks 't oog van de Juffrouwen (die gemeenlyk op wat nieus gezet zyn) op viel; gelyk ook in den Schouburg Maar dit scheen hem niet genoeg te wezen dat hy de waerelt dus stilzwygende bedroog. Wat doet hy? Hy maakt juist als de Komedie eindigde op het Theater te wezen, en treed in dat gewaad met een natte doek in zyn hand voor 't oogh van al de aanschouwers, die heel verwondert toezagen, in verlangen wat daar van komen zoude. Als hy zig dan dikwerf had om en omgekeerd, zoo dat zy hem genoeg van achteren en van voren bekeken hadden, sprak hy hen alle op dusdanige wyze aan: Dames en Heeren, gy slaat met verwondering te zien naar dit vremde kleed, ja vele Juffrouwen hebben reeds al in de winkels doen vernemen of diergelyke stof ook ergens te bekomen is; maar gy moet weten dat ik'er de maker af ben, en niets meer daar van is dan gy ziet. 't En is zulks niet als gy waant Schilders en Schilderessen. 327 waant dat het is: want als gy wist wat het was gy zoud het niet begeren: Hy nam daar op den natten doek, veegde al de met waterverf geschilderde loovers en bloemen van het zelve af, en vervolgde met zyne aanspraak aldus: Gy alle meende dat het een kostelyke gefigureerde stof was, maar ziet nu dat het is een rouw linnen kleed. Dus is het ook met des waerels ſchoonheit, daar yder zoo na tragt, gelegen. Haar glans is maar blanketsel van bedrog en ydelheit, en die afgevaagt, is zy niet anders dan dit slegte kleed, dat niemant van u zouw begeren. Mundus exteriora rerum ostendit, interiora tegit. Des waerelts schoonheit is maar schyn, Van binnen vals en vol fenyn. Korn de Bie, na dat hy van onzen schilder gezeit had dat hy Was traag in 't ſchilderen, en mild in het verteren. mengt in zyn Rym een verhaal, wat wyze Brouwer zomtyts gebruikte om aan gelt te komen (als hy in de kroegen door de waarden gekerkert wierd) en zig zelven te lossen; te weten dat hy dan inkt en papier deedt komen, een schets of teekening maakte, en hen daar mee by den een of den ander konstkenner zond, om'er twee of drie hondert guldens voor te halen; en wanneer 't gebeurde dat'er minder voor geboden wierd, het liever aan de vlam opofferde, dan dat hy zyn vollen eys daar niet voor zou genieten. Non credo. Dog zoo ik 't gelooven moest, wil ik 't eerder gelooven als 't geen hy voor de waarheit verhaalt X 4 Schouburgh der 328 op pag. 269. te weten. Dat een Petrus Cavallinus, Roomsch schilder (doch van een Heilig en Godvrugtig leven) een gekruisten Kristus geschildert heeft, die in St. Paulus Kerk te Roomen opgehangen, tegens de Heilige Brigitta gesproken heeft. Dit wort verhaalt voor waarheit, en geen wonder, 't staat aangeschreven en gedrukt, Nelle vite de sancti del ordine de F. Seraf. Razzi. Maar dit overgeslagen. Zyt gy belust lezer, om te weten den inhoud van zyn konststukken die hem zoo veel roems na dragen, ik heb de moeite genomen om ze na te schryven. Zyn ſchilderkonſt beſtont in ſnakery en boetzen, Die ky zoo geestig wist met zyn penceel te toetzen, Dat niemant zyns gelyk, in deze tydt en is. Dies 't werk komt over een met zyn gesteltenis. Hier staat een lompe boer van dronkenschap te spouwen, En 't wyf met eenen slok gereed zyn huit te teuwen, Daar zietm' een bootsgezel met 't pintje in zyne vuist. En hier een fielenrot dat met de kaarten tuist Daar zuipt een gulzigaart den pot uit onder 't pypen, Of wil de huiswaardin kwanzuis na 't voorschoot grypen. Daar veghtmen om 't gelag met bezem bank en stoel, Daar zietmen boers gevry, en diergelyk gewoel. Na dat BROUWER dan eenige jaren tot Amsterdam gewoont en zyn konst met veel roem geoeffent had, kreeg hy geneigtheit om zyne konstgenooten tot Antwerpen te gaan bezoeken, en begaf zig in die drift op de reis, zonder eens in acht te nemen dat de Staten toen met de Spaan Schilders en Schilderessen. 329 Spaansche Nederlanden in oorlog waren, en zig van een vrye pas te verzien. Waarom hy ook zoo haast hy te Antwerpen kwam van de Spaansche soldaten voor een spion aangezien, opgevat, en op t Kasteel gevangen gezet wiert. Menigmaal zuchtte hy over zyn los bedryf. Menigmaal beklaagde hy zyn voornemen, en wenste zig te vergeefs in Amsterdam. Dog geen ongeluk zoo groot (zeit de spreuk of daar is een geluk by. Wat gebeurt'er? de Hartog van Aerdenborg zat in dien tyd ook op 't Kasteel gevangen, dog eg ter zoo dat hy vryheit had om binnen den ringmuur, verzelt met twee soldaten te mogen gaan waar 't hem lustte. Deze op een tyd voorby de tralien der gevangenis waar in BROUWER zat wandelende, wierd van hem wanende dat hy de Gouverneur was, toe gesproken, en om zyn verlossing gebeden, aangezien hy daar onschuldig gezet was. De Hartog vraagde hem wie, en van waar hy was, en wat hy in Brabant kwam doen. 't Antwoort was; dat hy een schilder was, en van Amsterdam was gekomen om zyn konst tot Antwerpen te oeffenen. 't Eerste (antwoordde de Hartog) moet ik gelooven, maar van het laatste zal ik de proef nemen, en vervolgde, ik zal u verween al 't geen daar toe meer noodig is bezorgen, waar mee BROUWER in zyn schik was, hopende dat dit een beginsel tot zyn verlossing mocht wezen gelyk het ook gebeurde. De Hartog die dagelyks van groote luiden bezogt werd, ook van PET. PAULUS RUBBENS. welke dien zelven naamiddag hem kwam bezoeken, nam dit waar, en verzocht aan RUBBENS dat hy door een van zyne leerlingen schildergereedschap wilde laten brengen, alzoo daar een schilder Schouburgh der 330 der gevangen zat dien hy tot zyn vermaak wat wilde laten maken dat RUBBENS straks inwilligde en daags daar aan vroeg morgens het verzog te deed brengen. BROUWER was niet traag om zig tot een be gin te schikken, en 't geval wilde dat hem een voorwerp in 't oog kwam waar van hy zich be diende. Zommige Spanjaarden die zich om een hoek neerzetten om een kaartje te spelen, plaatsten zich juist zoo dat zy hem tot model verstrekten, van welke hy straks een afschetzing maakte, (den yver in 't spelen, en den ernst der wezenstrekken prente hy voorts in zyne gedachten) en voorts met de penceel aan 't werk in weini. dagen een konstig tafereel voltoide, waar in (de Hartog groot gevallen had; om den ernst dien zy in 't speelen betoonden, en de natuurlyke verbeelde magere getaande Spaansche troomen. En inzonderheit om een die in 't verschiet zat te kakken, waar in het drukken, als wilde het zich niet gemakkelyk ontlasten, zoo natuurlyk en potzig vertoont was, dat men 't zelve zonder te lachen niet konde aanzien. RUBBENS die (als ik gezegt heb) kennis aan den Hartog had, kwam hem kort daar aan bezoeken, en vergat uit nieusgierigheit niet te vragen: wat die arme schilder voor hem gemaakt had? 't geen de Hartog hem vertoonde. Die dit ziende strak uit verwondering zeide. op myn ziele... 't is van BROUWER! en bood den Hartog straks 600 gulden voor 't zelve, dog die wilde het om de geestige verbeelding tot zyn vermaak, en ten gedachtenis van dit voorval, behouden. RUBBENS, die niet dulden kon dat zoo brave konstenaar zoo slecht gehandelt wierd, ging ten eersten Schilders en Schilderessen. 331 eersten naar den Gouverneur, welken hy te kennen gaf, dat'er een konstig schilder, uit Hollant gekomen, op enkel vermoeden dat hy een bespieder mocht wezen door de soldaten was aangehouden, en in de gevangenis gebracht: dat zy te onrecht vermoeden op hem hadden opgevat, dat zyn Hoogheit daar ontrent wel gerust mocht wezen. dat hy met dien toeleg niet tot Antwerpen gekomen was: maar alleen om zyn konst te oeffenen, en over zulks, dat hy mocht in vryheit gestelt worden, 't geen de Gouverneur op 't woord van RUBBENS toestont. Dus werd hy uit het gevangenhuis gelaten, en was bly over zyne verlossing RUBBENS nam hem mee naar zyn Huis, liet hem straks een pak kleeren maken, zette hem nevens hem aan zyn tafel, en nam hem mee by braaf gezelschap, dat geregelt leefde, en toonde met dit doen dat hy groote agting voor hem had. Maar onzen losaart, strekte dit niet alleen tot een last, maar 't scheen hem een veel enger gevangenis te wezen dan waar uit hy gered was. Des ontweck hy RUBBENS, en volgde het oude spoor van zyn ongebonden leven. Tleed niet lang of hy verliefde op de Vrouw van een Bakker die konstminnende was en ook handel daar mee dreef. Deze maakte verbant met BROUWER dat hy hem in zyn huis zou nemen mits hy hem in de konst onderwees. Dit was een recht kolfje (als men zeit) naar zyn hand; om gemelde reden. BROUWER onderwees hem niet alleen in de konst, zoo, dat hy een goed schilder wiert (gelyk wy van hem zullen melden) maar maakte ook dat hy pluimgraaf wiert. Zy waren knapen van eenderhande leven, en voerden te zamen menige pots uit, waar onder waren van dien aart, Schouburgh der 332 aart, waar voor de Schout gewoon is een theater op te rechten. Des nam hy voor, wanneer de kerfstok vol was, een reys naar Vrankryk te doen, denkende dat ondertusschen die schult wel vergeeten zou worden. Zyn Reistoerusting was ras vaardig; aangezien hy niet anders met zig nam dan zyn goudtgevende penceelen. Hy verliet Antwerpen, maar niet zyn losse wyze van leven. Na dat hy eenigen tyd te Parys en elders om gezworven had; en Venus en Bacchus teffens te yverig gedient had, kwam hy ziek zynde te rug tot Antwerpen, en arm zynde tot het Gasthuis, daar hy na verloop van twee dagen kwam te sterven, en voorts by de dooden in den pestput geworpen met stroo en kalk gedekt wert. Dit viel voor in 't jaar 1640 wanneer hy pas 32 jaren oud was, en liet meer na dan hy konde mee dragen: en wilje weten (Lezer) wat? Men hoorde na zyn dood niet om het goed krakeelen; Want by niet agter liet als morsige pencelen, En Ezel, en Palet.......... Een leerling van RUBBENS, die by geval het overlyden van BROUWER hoorde verhalen, maakte dit terstont aan zyn meester bekent, de welke zulks met ontsteltheit en tranen in de oogen aan hoorde. Zyn edelmoedige inborst, tot medelyden bewoogen (hoe wel BROUWER zig des onwaardig gemaakt had) gaf straks order dat het doode lichaam opgegraven en in een kist gelegt wiert, niet konnende dulden dat zulk een groot konstenaar zoo onwaardig gehandelt wierd, en liet het zelve in de Kerk der Karmeliten begraven. Gelyk zyn levenswyze van die van anderen verscheel Schilders en Schilderessen. 333 scheelde, zoo was ook de wyze van zyn begraven, want hy twee maal begraven wierd; eerst verag telyk, daar na van een deftige Lykstatie gevolgt in een ander graf (daar dit Vlaams gedicht op zinspeelt) geleit: Niet om zyn edeldom of dappere oorlogsslagen, Wierd BROUWER na de Kerk van t Kerkhof heen gedragen. Maar d'eerste grafsteê was voor zynen roem te kleen. Men verhaalt dat RUBBENS voornemens wierd om ter gedachtenis hem een aanzienlyke Tombe te laten oprechten, en dat het Model daar toe al gereed was; maar alzoo die beruchte Konstenaar zelf kort daar aan kwam te sterven, is zulks agter gebleven. Niemant moet zig verwonderen als ik zeg, dat er in des menschen geest eene sympatie is of verborgen trekking ingeschapen tot zulke die van een gelykgeaarde natuur zyn. Dit willen wy niet alleen door het gemeene spreekwoort, Elk minizyns gelyken; maar klaarder door dit volgende voorbeeld bevestigen. Van JOOST VAN CRAASBEEK. Deze was van zyn ambacht een Broodbakker, te Brussel, maar door de dagelykze verkeering die hy met Adr. Brouwer en Brouwer met hem had, wierden zy als Broeders met malkander, zoo dat in wat drink-winkel de een was de andere daar ook most wezen. Want als JOOST zyn dagwerk verrigt had, was hy straks by Brouwer, welken hy dan onder 't smooken van een pypje en potteke bier gezelschap hield, tot dat Brouwer dan mede zyn Schouburgh der 334 zyn penceelwerk volbragt hebbende, zy te zamen naar de kroeg gingen om wat te kouten, en de een of de ander pots aan te regten. Joost die een oplettenden geest moet gehad hebben, ziende hem dagelyks zyn werk beginnen, aanleggen, en voltoojen, kreeg een bevatting van 't zelve, en sloeg de hand medeaan 't penceel. Brouwer dit ziende ondersteunde dit beginzel door vaste leerlessen, en stookte dit konstvuur noch sterker aan; dat zoo veer ging dat Brouwer in hem zyn regte Beeltenis in stee van een spiegel konde zien; want hy was hem niet alleen gelyk geworden in slordig leven, drinken, bootzema keryen, maar ook in de penceelkonst zoo veer dat het den konstkenneren genoegen gaf. In Brabant zietmen noch op verscheide plaatzen van zyne stukjes die om hunne koddige vindingen en wyze van schilderen geacht zyn by zulken die niet vies vallen om ze aan te raken uit vrees van zig te bevuilen. Want al wat uit zyn penceel kwam waren schyters, spouwers, dobbelaars, tuisschers, bordeelders, luizeknippers en diergelyke walgelyke drolligheden, daar de kamer van Rhetorica dit vaars op gecomponeert heeft: Al 't gen' wierd afgemaalt door 't konstpenceel van Brouwer, Was eenen ſatterick, een ſchyter ofte ſpouwer, En zoo de meester was zoo was ook zynen knecht, Want GRAASBEEKschilderdemee tuisschers of gevecht. Men verhaalt onder de potzen die hy uitgevoert heeft, dat hy vermoedende dat zyn vrouw wel liever een ander dan hem zag, daar op deze wys Schilders en Schildereffen. 335 wys proef of nam. Hy trok zyn wambes open en beschilderde zyn bloote borst even als of hy zwaar gewond was, en zyn lippen en wangen met wit bestreken, maakte een luid moort geschreeu en ging voorts op den grond als of hy dood was uitgestrekt neer leggen. Zyn vrouw daar op boven toe geschoten maakte groot misbaar, viel huilende op het lyk zoo zy waande neer, waar na hy straks oprees, zeggende: Nau ghy zottinne houdt u bakhuis, ik zie wel dat gy my lief hebt, ik ben niet doot. Zulke en diergelyke potzen heeft GRAASBEER meer gespeelt, waar door hy Brouwer niet alleen in zyn konst, maar ook in zynen klugtigen handel van leven heeft willen naarvolgen. Ik verwonderde my dat niet een der Brabantsche Plaatsnyders zyn Pourtret in koper gebragt hadde, tot my bericht wierd, dat hy dat zelf met verf beter heeft gedaan, dan de beste Plaatsnyder, want die konde maar het weezen verbeelden. Maar hy maalde by het wezen zyn aart, en gansche levensbedryf. Want zomtyts heeft hy zig geschildert gapende, spouwende, 't aangezigt getrokken als of de brandewyn op zyn tong beet, of ook wel met een plaaster op 't oog. Waar door zyne gedachtenis le vendig blyft. Had GRAASBKK aan den Dichter Jan Vos kennis gehad en zulke tafereelen aan hem vertoont, hy zou wis gezeit hebben, als hy deed aan L. den Schilder, wanneer die hem zyn schildery vertoonde: Ik min dit Beelt; want 't is heel los gemaakt: maar gy Dat haat ik, zyt zoo los als uwe schildery. J4• Schouburgh der 336 JAKOB BAKKER (want die volgt nu) is geboren te Harlingen, maar heeft den meesten tyd zyns levens te Amsterdam doorgebracht. Joach Sandrart gedenkt aan hem in zyn Duitsche Academie, doch zonder eenig tydmerk. Hy is gestorven in den jare 1638. op zyn dertigste jaar als uit dit vaars af te leiden is, 't welk zelt: dat hy Was dertig jaren oud als by ley 't leven af; Als hem de bleeke dood kwam rukken in het graf en dus geboren in 't jaar 1608. Volgens schryven van K. de Bie. Maar onder zyn Beeltenis door T. de Keyzer geschildert, en door Theod. Matham gesneden staat: OBIIT XXVII AUG. Anno MDCLI. AET. XLII. by gevolge geboren in 't jaar 1609. welk afbeeltzel van ons gevolgt, wy vertoonen in de Plaat M nevens Rembrant. Hy is berucht geweest, inzonderheit van wegen 't schilderen van Pourtretten, welke hy konstig, met een goede gelykenis en vaardig opmaakte. T is byna niet te gelooven 't geen van zyne uitstekende vaardigheit in 't schilderen verhaald wort, namelyk: dat hy een vrouw van Haerlem gekomen om uitgeschildert te worden, met kraag, kleederen, twee handen levensgroote ruim halverwegen en wel geschilderd, op eenen dach voltooyde, en zy met het stuk voor den avont naar Haerlem vertrokHy heeft ook by de Konstbeminnaars veel roem behaalt met het schilderen van Historien, tot schoorsteenstukken, als anders. Jan Vos heeft op een zyner Konststukken verbeeldende een Harderin, die van Chimon begluurt word, geplaatst in de groote zaal van Abrah. van VAN Basse, dit volgende vaars gemaakt: Schilders en Schilderessen. 337 VAN BASSEN hou toch stant; de Nimf die gy zie slapen, Is niet door't groot penceel, maar door natuur geschapen. Laat Cimon toch bezien, wie hem de borst doet lráán. Men kan den lust, by wyl, door d'oogen ook verzaan, Dies zyt een weinig stil; hier moet geen voetzool kraken Gyzult, zoo gy u rept, de Veldnimf wakker maken. Zy brand ons nu zy slaapt; indien zy wakker wert. Zoo maaktze ons heel tot asch; want 't oog ontsteekt het hert. En Lud. Smids laat zig op d'Iphigenia van Cyprus, door J. BAKRER gemaakt, dus hooren. Mars, tredend in een zaal, die men verkeeren zou In eenen Heemel, door de geestigste penceelen, Zag op een veldtapyt, een sluimerende vrou. Hy boog zig, en begon haar witte borst te streelen, En schoof zyn gladden helm van 't voorhoofd, om die mond Te kussen, daar Natuur voor opgetogen stond. Vrou Venus! sprak hy: (doch het was een Herderinne, Dien * Cimon vind in 't Bosch) hier is den Oorlogs god! Waak op; gun hem de vrucht eens van uw wederminne Met week by, schamende zig het gewaand genot, Hy meende Venus lagh hier voor zyn dartele bogen: Maar was, door BAKKERS konst, en verf, en dock bedrogen. I. DEEL. Bokkatius in 't 19 Cap. zyner vertellingen zeit: dat Cimon een plompaard, dog van grooten huize, door het gezicht van deze schoonheit, veranderde in een verstandig minnaar. Schouburgh der 338 Ik had byna vergeten (en zou dus zyn roem by ver zuim benadeeld) van zyne uitstekende wyze van tei kenen te melden. Zeker hy heeft zyne Academiebeel den, inzonderheit de vroutjes zoo konstig op blaau papier met zwart en wit kryt geteekent, dat hy daar door de kroon van alle zyne tydgenooten heeft weg gedragen. 't Is ook haast aan de zucht der papierkenstminnaars, wanneer er van zyne teekeningen op een verkooping komen, te zien wat agting zy voor dezelve hebben. BARTRAM DE FOUCHIERgeboren te Bergen op den Zoom, by gelegentheit dat zyn Vader Paulus de Fouchier, die uit Vrankryk kwam om de Nederlanden te bezien, en de belegering van Oostende by te wonen in den jare 1596, komende te Bergen op den Zoom, verliefde op de Dochter van Joan Spruit die een eenige Doch ter was en veel gelt bezat, en met dezelfde troude; uit welk Huwelyk onze BARTRAM ontsproot op den 10 van Sprokkelmaand 1609. die al vroeg door zyn geneigtheit blyken deed dat hy tot de konst geboren was; waarom zyn Vader hem bestelde by den beruchten Ant. van Dyk die toen te Antwerpen woonde, by wien hy zoo veer in de konst vorderde dat hy een goed pourtret konde schilderen. Maar alzoo gemelde van Dyk door zyn veelvuldig werk, en bezoek van groote Heeren, zig zoodanig in zyn tyd bezet vond, dat hy weinig acht op zyne leerlingen geven konde, scheide hy van hem af, en begaf zig in den jare 1634 naar Uitregt by Joan Bylaert, by welken hy twee jare bleef, wanneer hy naar Bergen op den Zoom, tot zyn ouders trok met voornemen om de konst by zig zelven te oeffenen. Doch 't leed niet lang of de Reislust dreef hem na Rome, daar hy Schilders en Schilderessen. 335 hy zig naar brave voorbeelden, inzonderheit de penceelwerken van Tintoret oeffende. In dien tyd stont het Roomsche Kerkbestier aan Urbaan den achtsten die Konstminnende zynde veel gelegentheit gaf tot het aankweken en voortzetten van jonge meesters, daar hy zekerlyk groote op gang gemaakt zou hebben, zoo niet een tusschen val hem en zynen konstgenoot JOAN FREDE RIK VAN YSENDOREN, door een gevecht te gen twee Spanjaards, die hen voor Ketters hadden uitgemaakt, en gedreigt aan den Raad der Inquisitie aan te klagen, van dat voordeel had berooft; want zy zig hier door genootzaakt vonden Remin alleryl te verlaten, en zig stil naar Florence te begeven, daar zy een wyl hun verblyf hielden, en hun konst oeffenden. Van daar reisden zy naar Parys, en kort daar aan naar Antwerpen, alwaar zy afscheit van malkander namen. Ysendoren begaf zig naar Wyk-te Duerstede in 't Sticht, (daar hy naderhant noch Opperschout geweest, en gestorven is in 't jaar 1684.) en FOUCHIER naar Bergen op den Zoom daar hy vele jaren de konst geoeffent heeft; dog ziende dat zyne behandeling op de wyze van Tintoret geen deurgang vont, stapte hy in tyts daar van af, en schilderde gezelschappen op de wyze van Adr. Brouwer, daar hy veel beter by stont. Ook oeffende hy het glasschilderen daar hy veel gelt mee won, en dus mee onder de gelukkige mag getelt worden. Hy stiert, na hy eenige dagen ziek geweest had, en werd in de Groote Kerk van zyne geboortestad begraven in 't jaar 1674. De zon in 't prilste van de lieve lent uit de blaaubenevelde oosterkim opgerezen, verbeelt de Y 2 jeugt, Schouburgh der 340 cugt, in vollen luister aan den Hemel opgeklommen, de volkome jaren van begryp en oordeel; en hellende naar de westerkim, den avond van het menschelyke leven, die eindelyk in den donkeren nacht van de dood verdwynt. De konst heeft mee haar jeugt; dat is haar beginzel en opgang, die met de jaren aanwast, tot in hare volle hoogte, waar na zy weder, of door gebrek van kragten of oordeel, allengskens afneemt, min of meer na zy eenen korten of langen levens avond heeft. Dus danige verschilligheit heeft men konnen bespeuren in het penceelwerk van HERMAN ZAFTLEVEN. De stukken van zyn eersten tyd waren eenvoudig, zynde de natuur, zoo in schikking als koleur gevolgt, ik heb 'er gezien die my wonder wel gevielen. Maar naderhant, zoo 't schynt, niet te vrede met de schikkinge der natuur; dat is de voorwerpen te schilderen zoo als ze hem in 't leven voorkwamen (wyl die zig allezins niet even behaaglyk voordoen) zoo heeft hy een eige schikking, of om wel te zeggen een byeenschikking, van verscheiden behaaglyke voorwerpen te gelyk in zyn werk gebragt; uitgezondert eenige gezigten die hy aan den Ryn vlak naar 't leven gevolgt heeft, die ook door kenbare teekenen de plaatzen aanduiden, en van zyn ander werk duidelyk te onderscheiden zyn. Dit zeg ik niet, om dat ik oordeel dat hy met zulks te doen tegen de konstregelen misdaan heeft, g heel niet; in tegendeel moet ik zyn groot vernuft en fraje vindingen in dit opzicht pryzen, dewyl hy al het schone heeft weten uit te kiezen, en by een te schikken, zoodanig dat zyne penceelkonst (de mode mach hare rol daar mee onder spelen zoo alsze wil) altyts plaats zal ingeschikt worden in Schilders en Schilderessen. 341 de beroemste konstkabinetten. Ja ik moet tot zynen roem zeggen, dat my onder de Nederlantsche Lantschapschilders geen bekend is, die zyne verschieten zoo helder en dun, als ook de graden of trappen van wyking, beter: en bevalliger heeft waargenomen, of ook zyn werk woeliger, en sierlyker gestoffeert, te weten dit zy gezegt van stukken die van zyn besten tyd zyn; want zyn laatste werken voldoen myn oog zoo wel niet, om dat zy al te bontkleurig zyn. Hy was buiten zyn schil deren ook by uitnementheit vlytig in naar 't leven te teekenen dat hy op een vaardige dog vaste wyze met zwart kryt wist te doen. Hy is geboren te Rotterdam in 't jaar 1609. maar heeft den meesten tyd van zyn leven te Uitrecht gewoont daar hy ook gestorven is. De Puikdichter J. v. Vondel, die (nevens andere van zyne tydgenooten) ook kennis aan hem had, en vermaak daar in vond, als hy eens zyn konstboek met zyne voornaamste teekeningen doorbladerde, maakte daar op dit volgende vaars tot zyn lof: Lust het iemant ZACHT TELEVEN, Lucht te scheppen naar zyn wil, Die blyf t'huis, gerust en stil: Hy kan stil den Ryn opstreven, Van out Uitrecht, en den Dom; Tusschen d'oevers van de stroomen, Tusschen wynberg, bosch, en boomen, Zig verlustigen alom. Sloten, steden, en landouwen. Kudden, vee, en dorp, en vlek. Akkert, en gebuurte, en bek, Bron, en waterval aanschouwen, 14 Schouburgh der. In zyn kamer, zoo by maar Opſla deze konſtpapieren, Zoo vol levens, zoo vol zwieren, Dat natuur by wylen daar Stom staat, toornigh, en verbolgen, Over dat, en over dit, Over zwart, en over wit, Licht en schaduw, snel in 't volgen Van haar wezen: kan de kunst. Kan de hant van dezen trekker My dus volgen tot den Nekker: Heeft hem Pallas met haar gunst En genade dus bescheenen? Zeker laat de vlugge Faam Dan braveeren met zyn' naam: Laat hem dan zyn naam vry leenen Van het LEVEN: want hier leest Wat by trekt met duim en vingeren, Los en levendig in 't slingeren, Dat de bladen leven geeft. Wien verdriet het op dees blaren, Dus den Rynstroom op te vaaren? KORNELIS ZACHTLEVEN, debroeder. van HERMAN, schilderde konstig gezelschappen van boeren en soldaten. Ik heb Kordegaarden met soldaten van hem gezien, elk in zyn byzonder be dryf natuurlyk los, en geestig geschikt, en geschildert. Daar drie of vier speelende met de kaart, ginder weer die met malkander zitten te kouten. of een pypje onder den schoorsteen smooken, op de wyze van Adr. Brouwer. Dog doorgaans ziet men dat hy op den voorgrond byeen geschikt heeft allerhande soort van krygsgereedschappen, als vuurroer, degen, piek, hellebaard, vaandel, trom, 342 Schilders en Schilderessen. 343 trom, ook wel een gepluimden hoed, en geborduurden draagband of zyde sluier met goude franje enz. 't welk hy alles naar 't leven schilderde, en ook natuurlyk wist na te bootzen. Dus zietmen ook boerewooningen van binnen in te zien, en allerhande huis- en bougereedschappen op gelyke wyze als voor byeen geschikt en geschildert, gelyk ik ook dergelyk van Dav. Teniers heb gezien, wiens wyze van schilderen hy nabootste. Ik gis dat hy ouder geweest zal hebben als zyn Broeder, aangezien men zyn beeltenis mee telt onder de pourtretten van Ant. van Dyk; waarom wy hem ook in de Plaat P boven zyn broeder hebben geplaatst, wiens borstbeelt op een ovaal tafereel gemaalt, door een kindje wort opgeheven, aan wiens voeten een kleen tafereel wort gezien, waar op een Ryngezigt, gelyk hy dezelve dikwert verbeelt heeft, afgeschetst staat. Onder de beste Discipelen van Herm. Zachtleven, wort getelt WILLEM VAN BEMMEL, geboren te Uitregt. Deze trok naar hy zyn werk redelyk wel verstondt, naar Romen, zoo om de konst naar brave voorbeelden voort te zetten; als om dat zyne geneigtheit helde tot het verbeelden van Italiaanse Gezigten, of Landschappen. Overzulks teekende hy met grooten vlyt en yver te Tivoli, en bragt de afteekeningen daar na op paneel, zoo geestig en natuurlyk dat hy grooten roem daar door te Romen kreeg. Van daar trok hy naar Duitslant, daar zyne meeste werken zyn, inzonderheit te Norenburg; hy heeft alzins in zyne stukken, de wyking, licht, en schaduw wel weten waar te nemen; en egter wort 'er getwist, of zyn vernuft en zinryke geest, of zyn penceel meest geroemt moet worden. SA Y 4 Schouburgh der 344 SALOMON KONING is geboren te Amsterdam, doch van Brabantse ouders, want zyn vader Peeter Koning was een Juwelier van Antwerpen van geboorte, en der Schilderkonst genegen, waarom hy ook zyn zoon tot zyn twaalfde jaar gekomen, namelyk in 't jaar 1621 (want hy was 1609 geboren) bestelde by David Kolyn, tot Amsterdam, om in de teekenkonst onderwezen te worden. Naderhand om de Schilderkonst te leeren, by Francois Fernando, en eyndelyk by Nicolaas Mooyaart. Naa welken tyd hy de konst voort by zig zelven met veel vlyt en naarstigheit oeffende: en kwam 1630 in 't Schilders Gild tot Amsterdam. Hy was een goet Pourtret Schilder, doch van natuur meer genegen, tot het schilderen van Historien, zoo in 't kleen, als levens groot. Tusschen dezen tyd en den jare 1660, heeft hy verscheyde brave konstwerken gemaakt; als voor den Heere Johan Huidekoper, een stuk verbeeldende Tarquinius en Lucretia. Voor Ludowyk van Ludick, een David en Batzeba, welk stuk naderhand de Ambassadeur van Portugal heeft gekogt. Voor Jan Pieterse Bruyning, daar Judas de dertig zilverlingen voor des Hoogenpriesters voeten nederwerpt. Voor den konstlievenden Gerard Luiken, de verbeelding van Salomon den afgoden offerende, en meer andere. Ook verschei de stukken voor den Koning van Denemarken: waar door zyne gedachtenis noch eeuwen lang zal leven. JAN BAPTIST VAN HEIL, geboren te Brussel, in 't jaar 1609. was een braaf Schilder in devote ordonantien, en pourtretten. Hy werd de beste, in vergelyking van zyne Broeders DaNIEL en LEO in Konst geacht. Van zyne werken . word Schilders en Schilderessen. 345 word getuigt, dat zy geestig van vinding zyn. Want in uw werken, kort gezeit, Is geeÅ¿t in overvloedigheit. Zeit K.d. Bie. Zy waren alle drie 1661, noch in leven, dus wort 'er gezeit, dat de dood niet licht zal VAN HEILENS luister doen vergaan Die in drie levens noch bestaan. Zyn tytgenoot, ROBERT VAN HOEK, geboren te Antwerpen, schilderden by uitnementheit klein en net, heele legers, met hun aankleven, als kanon, legerwagens, en tenten, alles in zyn kleen bestek, dat het bezwaarlyk door d'oogen was na te speuren, 't welk in dit tweeregelig Referein wort te kennen gegeven, Zeldzaam en veel, al even eel. Veel en klein, even rein. 't Is veel, zegt Gratiaan, als de menschen zig over ons verwonderen; maar noch meer als zy ons beminnen. Het goet gestarnte helpt daar toe iets, maar het vernuft doet het overige; dit voltooit, 't geen 't ander alleen begonnen heeft. Dit kan in allen deele toegepast worden, op den braven Konstschilder DAVID TENIERS den Jongen, geboren te Antwerpen 1610. Deze werd door de gelukstar van zyn Vaders vernuft en konst van jongs af aan voorgelicht, waar door hy naderhand agt gevende wat aan zyn Vaders penceelwerk nog ontbrak Y 5 het Schouburgh der 346 het zelve in zyne tafereelen, volkomender naar de konst gewrogt heeft. Facile est inventis addere, men kan licht by een anders vinding wat toe doen, zeit de spreuk, waar door zyne penceelkonst haar beminnaars en begunstigers heeft gevonden. De Koning van Spanjen is zoodanig op zyn Konst verlieft geweest, dat hy een lange Galery aan zyn Hof liet maken, enkel en alleen om vol te hangen van zyn penceelkonst. Koningin Kristina heeft zulk gevallen in zyn konst en persoon gehad, dat zy hem ten bewys van hare gonst beschonk met een goude keten en medalje, daar hare beeltenis boven op gestempelt was. Met gelyke gift beschonk hem ook de Aartshertog Leopoldus, die hem daar en boven Edelman van zyn bedkamer maakte. De Graaf Fonsoldani zond hem naar Engeland om de beste Italiaanse Konst op te koopen, die hy bekomen konde, en schonk hem voor zyne moeste een swaare goude keten. Ook was hy byzonderlyk gelieft van zyn Hoogheit Don Jan van Oostenryk. Om kort te gaan, de fortuin heeft hem met veel gedult gedragen, zulks hy wel onder de gelukkige Konstschilders mag getelt worden. Hy had een teekenagtig en vleyend penceel, en wist zyn beelden een levendigen zweem by te zetten. En wat de verkiezinge zyner voorwerpen aanbelangt, dit geeft K. de Bie in dit volgende rym te kennen: In al de flukken die gemaakt zyn van zyn hand, Is't Boersche keukengoed, of geestige aperyen Of beesten of gespook van helsche razernyen, Of dronkemans gevegt, byzonder in het klein, Het werkt natuurlyk, en vertoont zig even rein. Na Schilders en Schilderessen. 347 Natuur en brengt niets voort dat aangenaam kan wezen; Of't komt als levend uit TENIERS penceel gerezen. Zyn Beeltenis staat in de Plaat P onder aan. Na deze verschynen ten Toneel ADRIAAN en IZAAK VAN OSTADE. Deze waren, zoo ik 't wel heb, Lubekkers van geboorte, maar hebben hunnen meesten levenstyd tot Haarlem gewoont. ADRIAAN is geboren in 't jaar 1610, en gestorven 1685. Adr. Brouwer en hy waren op een tyd leerlingen van Frans Hals, en IZAK VAN OSTADE een Leerling van zyn broeder; doch stierf eer hy de hoogte van den konstberg beklommen had, waar zyn broeder de laurieren voor zyn yver en moeite plukte. Deze maakte in den jare 1662 al zyne konst en huisraad, dien hy had tot geld, en kwam van Haarlem met dien buidel naar Amsterdam, met voornemen, om daar mee (beducht voor de geweldenary der Fransen) naar Lubek te vluchten; doch de Konstminnende Konstantyn Sennepart wist hem zoo schoon te belezen, dat hy by hem bleef in zyn huis, alwaar hy die konstige gekoleurde teekeningen, die de Heer Jonas Witzen naderhand nevens eenige Teekeningen van Battem kocht, voor 1300 gulden gemaakt heeft: die ik verscheide malen met groot vermaak beschout heb. Boere hutjes, keetjes, stalletjes, inzonderheit binnehuisjes, met al hun bouvalligen huisraad. Herbergjes en kroegjes, met hun gantschen toestel, heeft hy zoodanig geestig en natuurlyk weten te verbeelden, als ooit ymant gedaan heeft. Als ook de beeltjes in hunne bekleeding, en allerhande bedryven, zoo natuurlyk boers en geestig, dat Schouburgh der 348 dat het om te verwonderen is, hoe hy 't heeft weten te bedenken. Met een woort, hy heeft het gansche boere leven zoo natuurlyk door 't penceel, als L. Rotgans door de pen afgemaalt. 't Lust ons hem te hooren, daar hy in de Kermisvreugt het danssen van een boere meid beschryft, en dus vervolgt: ... en danste voort op 't klinken van de snaren. Een jonge boer, noch glat van kin, en zonder hairen, Bekleed haar linke zy, en leidt haar met de handt. De hoed rust op een oor. 't Bekwylde pypje brandt Alsmookende in zyn mondt. Zy hupplen op en neder, En draajen als een tol, en glippen heen weder. Kees Rootneus strykt de veel, en vult terwyl zyn darm Met bier. De dansser vat de vryster in zyn arm: Zy vangt den adem van boer Tewis aan de tippen, Na't sluiten van den dans, van zyn besmookte lippen: Den adem die noch ſtinkt naar 't ingezwolgen nat Uit boere kroezen, to en hy op de bierbank zat. Beschonke Tewes bloost, en voelt zyn boezem blaken. De kinkel schurkt en grynst, na 't drukken van haar kaken. Gelyk een Sater, die, op snoepery beluft, De Veltgodin verrast, en met haar weêrwilkust. Het krielt in 't dansvertrek van Vrouwen en van Mannen. Myn ooren worden doof door 't klappen van de kannen: Daar zitten in een hoek twee liefjes zy aan zy, En koozen mond aan mondt, verwart in vrjery. Gins klinkt een dorpmusiek van meer dan dertig keelen; En witzang zonder zin verminkt in alle deelen. t'Wyl loome Lammert zit op radde Wyburgs schoot, En zingt van Velzens wraak, en lantheer Floris doodt. Zyn Schilders en Schilderessen. 349 Zyn Beeltenis kan men zien in de Plaat Q waar by zig zommige van zyne geetste printjes doen zien, nevens een kintje dat zig over der zelver geestigheit schynt te verwonderen. Dus hebben wy om dat zyne levensbeschryving ( y gebrek van meerder bericht) wat schaars uitkomt, het met de print willen goet maken. KORNELIS BEGA was zyn eerste en beste leerling die hy in de konst opgekweekt heeft. Zyn Moeder was Maria Kornelisz. Dochter van den vermaarden Korn. Kornelisze van Haarlem, die fraai teekende en schilderde, en zyn Vader een houte beeltsnyder Pieter Janze Begyn genaamt. Hy werd een groot meester in 't schilderen van Boere gezelschapjes, maar teffens een losse knaap, zoo dat zyn Vader hem niet meer voor zyn Kint kennen wilde. Toen wilde hy ook niet langer den naam van Begyn voeren, maar veranderde die in Bega. Zeggende: myn Vader zeit tegens my Bega, Bega, maar... In wat jaar hy tot Haarlem geboren is weet ik niet, maar wel dat hy in 't jaar 1664. op den 27 van Oegstmaand aan de Pest gestorven is. By welke gelegentheit my verhaalt is dat hy een Juffertje had daar hy byster op verlieft was, zoo dat als die door de Pest besmet wierd, hy zig van haar niet wilde onttrekken; schoon zyn Moeder en de Heelmeesters hem zulks met gewelt trachtten te beletten, en ernstig afrieden dicht by haar bedstee te komen. Zy op het uiterste van haar levens tydstip gekomen, stelde hy zig door liefde verrukt als ontzinnig aan, en wilde haar op 't laatst vaar wel kussen, doch zulks werd hem belet: dus nam hy den stok van een Raagbol, en stak die haar toe, 't welk zy aan eene eind, en hy aan 't ander einde drywerf kuste, ne Schouburg der 350 nemende dus van elkander het laatste afscheid Doch hy wierd mee door het pestvuur besmet, en volgde haar in kort door dien zelven wech in 't prilste van zyn levenstyd. Zyn penceelkonst geschat onder de beste soort van dien aard, pronkt in de geachtste konstkabinetten van Nederlant, enz. Zyn Beeltenis door zyn stadtgenoot L. vander Koogen in zyn jeucht geteekent, gevolgt, staat in de Plaat O neven J. Ovens. Zyn tyd, stadt, en konstgenoot LEENDERT VANDER KOOGEN, afkomstig van 's Moeders zyde van de Beeresteins (waar onder groote begunstigers en voorstanders) van de konst oudtyts zyn geweest, daar van Man der ook met roem van melt in zyn Schilderboek heeft de konst geleert by Jaques Jordaans, tot Antwerpen. Onze VANDER KOOGEN, van zyn meester t'huis gekomen, maakte inzonderheit konfraterschap met Korn. Bega sporende elkander aan tot den opbou van de konst, en zy tekenden met malkander dikwils naar 't leven. Hy had dezelve zuivere, vlakke, of breede behandeling van de tee kenpen als Bega: doch kloeker, en eenen wegearceert. Ook schilderde hy zyne Beelden grooter, en veeltyds levens groot. Hy heeft ook eenige platen geetst in koper, redelyk fraay en kloek maar wat ruuw op de wyze als die van Carrats. Doch aangezien hy niet om den broode (als het spreekwoort zeit) behoefde te schilderen, heeft hy zig zelf ook niet hard aangeport, maar alleen als zyn lust hem daar toe van zelf aandreef, en dus ook zoo veel niet gemaakt dat hy buiten zyn geboor Schilders en Schilderessen 351 boortestadt Haarlem (daar hy ook overleden is in 't jaar 1681) is berucht geworden. By gevolge konnen wy weynig van hem aanschryven; doch dit zullen wy weer aan den Lezer goed maken met een vreemd potzig en geestig voorval, dat hem in zyn leven ontmoet is, daar ik zelf om lachen moet, terwyl ik het schryf. Hy leefde buiten Huwelyk op dien tyd te Haarlem in de Schachelstraat by ymant zyner bloedverwanten in den kost, wordende van de Huisgenooten in 't gemeen Leendert Oom genoemt, gelyk men dikwils bedaagde vryers dus noemt. Wy willen hem ook voorts Leendert Oom noemen. Wat gebeurt 'er? op een Avondstont komt zekere Juffrou, hun allen wel bekent, aanschellen, en vragen of de Heer VANDER KOOGEN t' huis was? 't antwoort van de meid die opende was ja; waar op zy vervolgt hem wel eens te willen spreken. De meid met die boodschap agter komende, had elk straks het oog op Leendert Oom; terwyl de meit spottende (niet wetende dat zy een waarzegster was) zeide: Leendert Oom daar komt een vryster om u te vryen. Men had de Juffrou dan in een kamer laten gaan. Leendert Oom, die wat verzet stont over dit voorval, en gehoort hebbende van de meit, dat de Juffrou zoo net aangedaan was, wou ook zoo ongezien niet voor 't licht komen, kemde zyn lokken uit, haalde zyn kouzen op, en streek met vinger en duim de kreuken uit zyn breeden bef, zoo goet als hy kon, trad na vore, en groette de Juffrouw. Deze wilde zoo straks haar boodschap niet zeggen, maar maakte eerst een voorbereyding, waar in zy hem vergde belofte van zwygen, en 't geen zy hem zeggen zoude aan geen Schouburgh der 852 geen mens te openbaren: 't welk hy haar beloofde. Doch onderwyl wert alles door de Huisgenooten, zonder dat zy zulks wisten, afgeluistert. Haar aanspraak was dan dus: Myn Heer, & zult vremt op hooren, dewyl myn bootschap heel buiten gemeen is, en hoedanige gy bedenkelyk van uw le ven nooit ontmoet zult hebben. Mogelyk zal ze ook van u voor onbetamelyk worden opgenomen. Doch voor my, ik vind'er geen onvoegzaamheit in. 'T spreekwoort zeit: 't is evenveel wie 't vraagt, als 't wel slaagt. Gy zyt een Jongman, die by my, en myn vrienden altyd voor hups en eerlyk gehouden is: gy kent my, en weet ook wie ik ben. Ik, en gy, leven beide buiten belemmeringen gerust van 't geen onze Ouders ons hebben naagelaten. Een gerust le ven is een gewenst leven. Maar ondertusschen gaan onze jaren de een voor en de ander na voorby, en wy worden niet jonger of jeugdiger. Onze vrienden gaan al mee de een na den ander uit de waerelt, en dat het ergst van al is, de beste sterven 't eerst, en wy mis ſen hun gezelſchap en aanſpraak. Deze van onze vrienden zyn te groots om ons aan te zien, genen le ven wy te lang, om dat zy graag aan 't grabbelen waren. Dit bemerkende trek ik my meer en meer van hun af; maar dus wort dit leven hoe langer hoe een zamer. Dit zoude my te eer doen besluiten een gezellig leven aan te vangen, en indien gy ook zulks van zin wierd, gy zoud my niet ongenegen vinden. Leendert Oom, die nooit zulk een predikatie gehoort had, noch ooit een bootschap ontfangen welke zyn ingewanden zoo ontroert had, zeide, met een bevenden mond, en lillende beenen. Wel Juffrou! wel Juffrou dat komt my vremt voor! Dit heb ik (antwoorde zy) voor af wel geweten, en Schilders en Schildereffen. 353 en daarom zeide ik van 't eerste af dat het u vremt zou voorkomen. Maar neem uw beraad, ik verg u niet dat gy my op staanden voet uw besluit zèggen zult. Onze staat en afkomst zal niet veel van malder verschillen, gy kont het overleggen. 'K heb u myn hart geopenbaart, gaa gy nu met het uwe te rade: en hoe gy het goet vint, wy willen altyd even goede vrienden blyven: en gy weet de gewone wegen, en middelen (indien gy 't goet vint) waar door die zaak moet behandelt worden, enz. Hy meer en meer verlegen met dus onverwagt aangeklampt, en overrompelt te worden, was zoo bedeest, dat hy niet konde spreken als stamerende. en met afgebroken woorden: Wel Juffrou! wel hoe! ik weet niet, trouwen! wel ja, ik kan't niet zeggen. Het komt my zoo vremt en onverwagt voor. Zy, bemerkende hoe byster zyne hersenkas door deze boodschap ontzet was, zeide eindelyk met bedaartheit en op haar vriendelykst, om hem tot bedaren te brengen, en zyn ongerustheit te stillen: dat zy niet kwam om over die zaak te besluiten, maar alleen om die voor te stellen, en dat hy zoo langen tyd van bedenken konde nemen, als 't hem goed dacht. Hier mee brak zy af, en hy liet de Juffrou heen gaan naar haar huis. Zoo haast hy nu agter in de keuken kwam, ging het kluchtspel aan. Want zy hadden alles afgeluistert, en spotten met die vryery. Doch Leendert Oom wilde niet zeggen, hoe zeer zy hem op alle wyze zochten uit te halen, maar zat dien ganschen avond als een stokbeeld, kon ook dien ganschen nacht niet rusten, en nam vast voor zig uit dien strik te ontwarren. T geviel als hy voormiddaags uit ge 3, gelyk I. DEEL. Schouburgh der 354 hy gewoon was, naar de markt of elders, dat juist deze Juffrou als of't wezen wilde; dwars over zyn wech komt. Hy neemt kort beraad, roept, hem:hem Juffrou. Die daar op stil staande, van Leendert Oom met bestorve lippen haar paspoort kreeg, met deze woorden: Juffrou daar gister avond af gesproken is daar zal niet in gedaan worden. Heel wel, myn Heer, antwoordde de Juffrou, en daar mee groet ten zy malkander. 't Is zedert onder dat geÅ¿lacht altyd gehouden voor een spreukje: Daar gister avond af gesproken is, daar zal niet in gedaan worden. Hier mee eindigde dit kluchtspel. Hoe door verscheiden wegen en toevallen vele tot de konst gekomen zyn, heeft van Mander en na hem S. v. Hoogstraten door verscheide opmerkelyke voorbeelden aangewezen; onder welk getal ook de konstige Scheepteekenaar WILLEM VANDEN VELDE wel mag betrokken worden. Hy werd tot Leiden geboren in 't jaar 1610. en tot de Zeevaart geneigt, vond naderhant gelegentheit om in dienst van den Staat met een Zeejacht de Oorlogsvloot in dien tyd te verzellen, en door af- en aanvaren berichten over en weer te brengen. Hy die nu den Scheepsbou, en der zelver toerusting in den gront verstont, ondernam door de pen allerhande zoo groote als kleine vaartuigen op papier en gewitte paneelen te teikenen, zelf Admiraalschappen en heele vloten volgens het Zeegebruik in 't zeilen te verbeelden, en dus aan de Sta ten een zichtbare vertooning nevens zyn woorden tot verslag te geven, welke hem byzonder daar voor loonden, gelyk hy ook tot hun dienst daar toe gehouden wert. Als Opdam in 't jaar 1665 met Schilders en Schilderessen. 355 met zyn Zechulk (Dit gebeurde door verzuim van agtgeving op de Boskruidkamer) aan flarden sprong, had hy den laatsten maaltyd aan boort by hem gegeten, die zig verwonderde dat ymant uit konstliefdigheit zig zoo na by 't gevaar dorst begeven: en Gerard Brand in zyn Levensbeschryving van Michiel de Ruiter op 't jaar 1666 teekent aan op pag. 476. Dat de vermaarde Scheepteekenaar WILLEM VANDEN VELDE in de vloot kwam met voornemen om de voorvallen van 't aanſtaande Zeegevecht naar 't leven af te beelden: ten welken einde zeker Galjootschipper hem rondom zou voc ren, of ter plaatse daar hy het beste gezicht voor zyn teekenen zou vinden. Naderhand geraakte hy in dienst (ik weet niet by wat toeval) van Koning Karel, en gevolgelyk van Jakob, voor welke hy vele konstige afteekeningen van Zeeslagen, Zeegevallen en andere ontmoetingen, op gewitte paneelen, en opgeplakte doeken geteekent heeft. Hy ondernam ook met olyverf te schilderen in zyn ouderdom. Zyn juisten sterfdach weet ik niet, maar wel den dach van zyn graflegging, uit een Begraafnisbriefje by de Dochter van Adr. vanden Velde ter gedachtenisse van haar Grootvaders overlyden bewaart, waar op dus (omsiert met verbeeldingen van de dood, wyze van begrave, opstandinge, en Hemelvaart in plaatdruk) te lezen staat Mr. Wm. V. Velde Senior, late painter of Sea-Fights to their Majesties King Charles II. and King James. En dat hy gedragen is uit zyn huis in sack Fieldstreet in Pickadilly, to the Parish Church of St. Z 2 JaDit gevecht viel voor op den 11. 12. 13. en 14 Juni 1666. tusschen M. de Ruiter, en Monk Adm. der Engelschen omtrent Ostende, &c. Schouburgh der 356 James's. En daar begraven op den 16 van Wintermaand 1693. Nuvolgt JOHANNES MYTENS, gebo ren te Brussel in 't jaar 1612 den 17 van Bloeimaand. Deze had in zyn jeugt de konst geleert, eerst by den vermaarden konstschilder Ant. van Opstal, naderhant by Nicol. vander Horst: daar hy door zyn natuurdrist, vlyt, en gestadige oeffening (dingen die te zamen moeten gaan, om in eenige betragtinge, als Aristoteles zeit, door te steken) zoo hoog ten top der konst steeg dat hy in zyn tyd bekwaam gekeurd wierd om de Beeltenissen van Graaf Hendrik van Nassou, en des zelfs Gemalinne de Gravinne van Stirom, den Graaf van Bentem en meer grooten te schilderen, waar door hy grooten roem behaalt heeft. Doch hy begaf zig naderhant geheel tot den printhandel. Hy had een zoon Kornelis genaamt, die een braaf plaatsnyder was, als inzonderheit aan 't pourtret van zyn Vader door hem in koper gesneden te zien Hem volgt de groote Lantschapschilder .... EMELRAAD. Deze heeft lange jaren te Roome gewoont. Hy was een groot meester in die konst. De meeste en beste van zyne werken zyn met beelden van Erasmus Quilinus. en met beesten door anderen opgesiert. Verscheide zyner voornaamste tafereelen hangen in de Kerk van de Karmeliten (Descalters genoemt) by andere brave konst te pronken. Nevens hem verschynt de konstige Glasschilder PIETER JANSZEN geboren tot Amsterdam in 't jaar 1612. Hy was een leerling van den braven Glasschilder Jan van Boekhorst van Haarlem Schilders en Schildereſſen. 357 lem die zyn levensloop eindigde in 't jaar 1672. van wien noch verscheiden geschilderde glazen in de Kerken van Nederlant te zien zyn. PIETER JANSZEN eerst genoemt was een konstig teekenaar op papier, van welkers waarde wy in het levens bedryf van zyn leerling Jan Pietersze Somer zullen melden. Hy stierf in een goeden ouderdom in 't jaar 1672. Hier aan volgende verschynt THOMAS WILLEBORTS BOSSAERT geboren te Bergen op den Zoom. Deze was een goet schilder van groote beelden en pourtretten. Hy heeft in zyn tyd Romen, Duitslant, Spanje en Engelant zyne konst doen zien. Inzonderheit was hy om zyn verstant gedrag en konst geeert by den Prins van Oranje Hendrik Frederik (naderhant verwisselt in Frederik Hendrik) en zynen Zoon Prins Willem. Gerard Segers was zyn leermeerster in de konst geweest. Hy is geboren in den jare 1613, en woonde 1660 in Antwerpen daar hy de konst met yver oeffende. Daar is geen reden van te geven, ja ik ben dikwils verwondert over de verschillende geneigtheit der Konstoeffenaren in opzicht der verkiezingen hunner voorwerpen. De een valt op droevige: de ander op vrolyke verbeeldingen. Deze op het waardigste, gene op het veragtste, en op afschuwelyke voorwerpen, als OTTO MARCELIS die byna niet anders dan vergiftige slangen, padden, en hagedissen schilderde: en egter heeft hy 'er altijd (om dat hy dezelve zoo natuurlyk wist na te bootzen) wel by gestaan, zoo in Engeland als in Vrankryk daar hy voor de Reine Mere schilderde, die hem Z 3 cc Schouburgh der 35 een vrye kamer, tafel, en een pistolet voor vier uuren daags schilderen gaf. Hy heeft ook lang in dienst van den Groothertog van Florencen geweest, en Napels en Romen bezocht, daar Guelhelmo van Aelst die een Discipel van hem geweest is, met hem verkeerde, en menige klucht met hem uitvoerde. In de Bent doopten zy hem met den bynaam Snuffelaar; om dat hy allerwegen naar vremd gekleurde of gespikkelde slangen, hagedissen, rupzen, spin nen, flintertjes, en vremde gewassen en kruiden omsnuffelde. Zyn reislust voldaan, kwam hy weder in zyn Vaderlant, en na dat hy twaalf jaren getrout was geweest, overleed hy in 't jaar 1673 ruim 60 jaren oudt. Zyne Weduwe, die na hem noch twee mannen overleeft heeft, thans nog in leven, heeft my verhaalt: Dat by die dieren buiten Amsterdam op een stuk laag lant daar zy best konden aarden, tot dien einden omheint, dagelyks spysde: als ook een hok agter zyn huis had, om de zelve gereed tot zyn dienst aan de hant te hebben, en dat zommige slangen door den tyd zoodanig aan hem gewent wierden, dat, wanneer by de zelve wilde naschilderen, by de zelve door zyn maalstok op zulk een wyze schikte, als hy die noodig had, en zy dus bleven leggen tot hy de zelve geſchildert had. Zyn Beeltenis staat in de Plaat R onder aan, en nevens het zelve eenige kruiden waar onder zig een slang vertoont. De menschen (zeit de gemeene spreuk) leven by veranderingen. t Kan den lezer niet onaangenaam wezen dat wy zomwyle eens van persoonen verwis the Schilders en Schildereffen. 359 wisselen, op 't voorbeelt van den Schouburg, die niet altyt rimpeltrekkende Katoos ten tooneel voert, maar by beurten ook Democriten die de waereltsche dingen belachen. Droevige spelen gaan gemeenlyk met een vrolyke klucht verzelt: of men gebruikt bootzemakers om de opgespannen geesten verfrissing te geven. Dus schikt het zig ook veeltyts in onze beschryving van 't leven der Konstschilders. Dan voeren wy eens ernstige bedryven ten tooneel, dan weder kluchten. Dog de volgende levensrol loopt verkeert uit; want zy verandert van blyspel in treurspel. PIETER VAN LAAR, anders Bamboots. is geboren te Lare buiten Naarden, van eerlyke ou ders, die hem zedig borgerlyk en beleeft hebben opgevoed. De Zon van zyne geneigtheit straalden al vroeg door de kimmen van zyn vernuft, en de uitwerkselen zyner eerste begrypen de den al vroeg zien waar toe hy in de wieg gelegt was; want daar was niets of 't wierd door hem met kool en kryt beschreven. Van dit beginsel tot een bekwame handeling zoo van de tekenstift, als 't penceel aangegroeit (doch ik weet niet wie zyn leermeester in de konst geweest is) had hy het geluk van zig een vast denkbeelt te konnen inprinten van alle voorwerpen, of verschynselen die hem voorkwamen. Ja 't was hem genoeg die maar eens gezien te hebben, om daar na die op zyn tyd te pas te brengen. Waarom ook de Italianen die met hem verkeert en ommegang met hem gehad hadden, naarmaals getuigden dat hy meer in zyn vernuft als op papier geschetst heeft, ja dat hy de menigvuldige schilderagtige veranderingen, die in Velden, Valeyen, Bergen, Boomen, enz. door min en meerder Zonnelicht veroorzaakt worden, Z 4 200 Schouburgh der 360 200 natuurlyk in agt nam even of hy diergelyk voorwerp ten model voor zig gehad hadde. Hy begaf zig al vroeg, eerst naar Vrankryk, en voorts naar Romen, daar hy 16 agtereenvolgende jaren gebleven heeft, yverende dagelyks tot het voortzetten van zyn konst, dewyl hy aangespoort wiert door zoo veele fraje voorbeelden die Romen in die tyd hadde. Waar door hy 't eindelyk zoo veer bragt dat hy op de lyst der braafste konstenaars ge telt, en by hen ook om zyne welleventheit en potzemakerye gelieft wiert. Hy was, wanneer hy aan zyne bezigheden was, stil, en zat heel opgetogen van gedachten. De reden daar van was, gelyk ik al heb begonnen te zeggen, om dat hy onder 't schilderen geen gebruik van 't leven maakte, zelf niet ontrent zyn beeltjes, maar zig van het denkbeelt dat hy daar van gevormt had bediende. Waarom hy ook gewoon was wanneer zyne geesten, door gestadig bedenken, schenen vermoeit te wezen, de zelve weder door een vrolyk deuntje op zyn viool te spe: len te ververssen. De Romeinen gaven hem ten bynaam Bambootzio, een naam daar zy zulke luiden, die zig op 't maken der Italiaansche grappen, vremden aart van buigingen of vervringingen der lichamen, en geestige figuurmakeryen verstaan, mee benoemen. Nu had hem de natuur in zulk een vorm geschapen dat die hem maar aanzag, om zyn wanstaltige figuur moest lachen, want zyn onderlyf was driemaal grooter als zyn bovenlyf, hy had een gans korte borst daar 't hooft tusschen de schouders inzonk, en over zulks geen hals. Daar benevens was hy van een vroliken en potzemakenden aart, gelyk wy door zommige stalen zullen aantoonen. Men — Schilders en Schilderessen. 361 Men verhaalt dat hy eens uit enkel klucht zig toetakelde met een schorteldoek tot onder de okzelen gebonden, en zig dus in een winkel daar veel gegang voorby was aan de post van de deur stelde, zoo dat die voorby gingen hem voor een grooten baviaan aanzagen, daar hy zelf hartelyk om lachen konde. Doch ik denk dat het diergelyke vernuftelingen geweest zullen hebben, als die te Amsterdam voor by een kruitmengers winkel kwamen, daar een gekleede Aap op 't venster zat, dien zy vraagden, Manneke, wat weg moeten wy gaan naar het Raathuis? Maar een geestiger en geloofwaardiger kluchtspel door hem bedreven verhaalt Joachim Sandrari in zyn Teutsche Academie op g. 311. daar hy aldus (in 't Nederduits vertaalt) zeit: Bambootzio Wist zyn bovenlyf noch veel korter in te dringen dan het was, zoo dat het scheen wanneer hy danste dat het alleen een menschenonderlyf was, daar een hooft op stond, en nochtans was hy zoo ras en gezwint met zyn lange beenen, dat het voor hem geen werk was over een ander heen te springen T gebeurde op een tyt dat hy, Pouzyn, Glaude. Lorene, en ik (zeit gemelde Sandrart) uit reden om ons wat te verlustigen te Tivoli gekomen waren; en dat hy ziende een regenbuy opkomen, in aller yl zonder dat wy daar agt op gegeven hadden 't gezelschap was ontduikt, en weg gereden. Nu gelyk hy potzig van aart was, zoo had hy wanneer hy de Poort van Romen zoude inryden zig voorover gebukt gehouden, en het paardekleed over kop en bult heen gehaalt, en was dus op een galop ter stadt in gereden. Wy waren dan verlegen niet wetende waar hy vervaren was, en vraagden zoo haast wy aan de Z 5 Poort Schouburgh der 362 Poort kwamen aan de Schildwacht, of zy niemant voor ons hadden zien binnen ryden, die tot antwoort gaf, dat hy het paart van Viterinno wel had zien loopen, doch zonder man daar op, alleen met een bedekt Valies, en weerzyds laarzen. Des wy by malkander gekomen, t'elkens ons niet konden onthouden van te lachen, als wy 'er maar aan gedachten, dat hy voor een overdekt Valies was aangezien, en de wacht dus bedrogen had. Diergelyke potzen speelde hy meer waarom elk graag in zyn gezelschap wilde wezen. Maar hoe kluchtig en potzig hy was zoo zal noch tans het einde van zyn levensrol doen zien dat het ggen van Vosmeer in Vondels Gysb. van Amstel: Ik ben een Goojers Kint, vervallen in Gods toren, Te Laren opgevoed; op hem kan toegepast worden. Ondertusschen verlangden zyne ouders en vrienden om hem eens andermaal te zien, en lieten niet af met brieven op brieven aan hem te schryven, waar onder ook waren eenige Hollantsche konst minnaars, die hem toonden (terwyl de faam zyn roem al had over gekraait) dat hy in Nederlant immers zoo wel zoude staan met den prys, voor zyn werk als te Romen. Waar op hy besluit nam om van daar te vertrekken, gelyk hy dan gevolgelyk in den jare 1639 te Amsterdam aanlandde, en van daar te Haarlem by zyn Broeder, die een Schoolmeester was, ging inwonen, daar hy vele konststukken geschildert heeft, die naderhant tot een grooten prys en meer dan hy te Rome daar voor hadde gekregen werden verkogt, zulks dat zyn werk in Italien wierd opgekogt, en naar Hollant verzon- Schilders en Schildereſſen. 363 zonden, om een voordeel daar mee te doen. Vele stukken heb ik van hem gezien die hoewel bruin, en droevig egter heel natuurlyk verbeelt waren. Gelijk ook andere die my wonderlyk wel bevielen. Hy schilderde veeltyts struikrooverye, en Italiaansche pleisterplaatsen. En al 't geen er in verbeelt was, zoo paarden als menschen, was wonder geestig van gedachten, en konstig geschildert. Verscheiden van zyne voorname stukken komen in print uit, waar onder ook een struikrovery in een rots, en de zoo genaamde Kalkoven. Tot zyn zestigste jaar gekomen zynde, wierd y geplaagt met een benaude borst, 't geen hem den moet uitbluste. De droefgeestigheit, daar hy g aan overgaf, verzwaarde zyne kwaal, zoo dat hy wars van langer te leven zig zelven in een water put verdronken heeft. Dit schijnt S. v. Hoogst. niet duisterlyk te bevestigen, als hy in zyn Boek op pag 311. zeit: dat Francisco Framenko, door Bernyn verbluft, mistroostig door middel van een strop naar 't huis der schimmen voer, daar hem Bamboots, zoo men zeit, naarmaals ging zoeken. Dus is het kluchtspel van 's mans leven in een treurgeval verkeert. T is gebeurt dat als Bamboots te Rome was, hy met noch vier Hollanders gesterkt, zekere Paap, (die hen bestraft en gedreigt had over het eeten van vlees in den Vaſten) op een eenzame plaats ontmoetten, en den zelven in 't water smeten, daar Andr. Both mede by, en daadplegtig aan was. En het is opgemerkt, en nagespoort dat de zelve alle vyf hun einde in 't water hebben gevonden. De nette tyd van zyn geboorte weet ik niet, maar 't een en ander dat ik van hem weet. doet Schouburgh der 364 doet my besluiten dat hy al vroeg in de zestiende eeuw geboren is; want hy leefde tot zyn zestigste jaar, en in den jare 1675, als S.v. Hoogst. zyn schilder boek schreef was hy al dood, als blykt uit het even aangehaalde. Dus hy om de streek van 1613 geboren is. Zyn Beeltenis staat in de Plaat R boven aan, aan zyn opgekrulde knevels te kennen. Deze Bamboots had ook een Broeder jonger dan hy, die zig ook in de schilderkonst oeffende, en met hem in Italien was: maar deze, wanneer hy over een brug van balken en horden gemaakt, om van den eenen rotsagtigen heuvel tot de anderen, over een kaskade, of waterval, te komen, met zyn Ezel meende te ryden, stortte de zelve in, zoo dat hy verdronk met zyn Ezel. Gelderlant, hoe wel op veere na zo vrugtbaar niet in 't voortteelen van penceelkonstenaren als wel andere Nederlantsche Provincien, heeft egter mee in der tyd konstoeffenaars voortgebracht, die door hunne fraje uitwerkselen verdienen, dat zy om hunne gedachtenisse levendig te houden, nevens anderen eens weder ten toneel worden ge voert. Onder deze was NIKOLAAS DE HELTSTOKADE, geboren te Nimwegen in 't jaar 1613. Weinig van zyn prysselykste werken zyn hier te land te zien, aangezien hy zyn besten tyd te Rome en Venetien heeft doorgebragt. Des moeten wy den lof dien zyne konst verdient, uit het gerucht van Vrankryk (daar hy met J. Sandrari verscheide groote werken voor den Koning gemaakt heeft) en Zweden herwaarts over gebracht, afleiden. Zyne Beelden waren vast geteekent, en zacht, poc Schilders en Schilderessen. 365 poezelig en bevallig geschildert, waarom die ook het oog van Koningin Christina, en 't keurig Hof van Vrankryk behaagt hebben. Hy was 1662 noch in leven. Van hem wort getuigt dat hy altyds de voorwer pen, schoon de zelve menigwerf door anderen waren afgebeelt, in een andere gedaante door zyn konstpenceel vertoonde, ook daarom voordachtelyk een ander * Tydstip in de voorwerpen heeft bespiegelt; als by voorbeelt in zyn Andromedat DochTydstip) Oudtyts hebben de Konstschilders geen tydstip in acht genomen; maar dikwerf de Historien in haar gevolg verbeelt, als by voorbeelt, verscheiden Adammen en Evaas, in een zelve tafereel: hier, daar zy door den Schepper gevormt worden, daar waar hy zig aan de verboode vrucht bezondigen, ginder daar zy zig uit verlegenheit verschuilen. Verder daar zy uit den lusthof worden uitgedreven, en eindelyk in 't verschiet, daar Adam den Akker boudt. Zoo heb ik ook gezien Cain daar hy offert, daar hy zyn Broeder Habel doot slaat, en daar hy vlucht, in een zelve stuk. Zelf van Abr. Bloemaard een van onze oude vermaardste meesters heb ik een stuk gezien waar in Juno verbeelt stont, opgaderende de oogen, uit den afgehouwen kop van Argus, om de staarten van heur Paauwen mee te sieren. En in 't verschiet was Argus slapende, en Merkuur met opgeheven zwaart gereed om den slag te geven verbeelt. Maar de later konstoeffenaars hebben den tydstip in acht genomen; dat is, van een Historie alleen vertoont, 't geen in een oogenblik daar in voorgevallen is; en dus gelegenheit gevonden, om van andere omstandigheden, naar mate der menigerhande veranderingen daar in, en by voorvallen, andere tafereelen op te slaan. Dierhalven zeit de Heer Gerard van Loon in zyne Inleiding tot de penningkunde pag. 99. zyn ook zoodanige penningen als wanschepsels van de hant te wyzen, op welke de verbeelde zaaken van dien aart zyn, datze op een eenigen tydſtip niet zouden hebben konnen voorvallen. By voorbeeld; zoo mag men nooit op een en den zelfden penning, het aanvangen van een beleg, het overgaan der stadt, en het uittrekken van de vyandlyke bezettinge verbeelden, dewyl dit alles op geen eenen tydstip kan voorvallen. Schouburgh der 366 Dochter van Cefeus der † Mooren Koning, en Kassiope, om welker hoogmoed, zy dat droevig lot moest ondergaan. De meesten hebben Andromeda, met betraande oogen ten Hemel geslagen, of als met de doodverf op de lippen naar het Zeemonster omziende en dus klagende verbeelt: O Rots! o Rots! verhoor myn zuchten; en ontsluit Dees ketenen, of spuw die yzre krammen uit. Ik zie 't gedrocht van verr' het ruime pekel scheuren Help! help! ag! ag! van wien zal my noch hulp gebeuren! Maar onze Helt verbeeldde haar, van de rots verlost, schaamrood voor zich neerziende, waar op Lud. Smids ziet, en Perseus dus sprekende invoert: Andromeda! vergun dat ik uw zagte hand Van dit hard yzer vry: het monſter is verſlagen. En dobbert hier, met door gekorven ingewand. Reyk toe. Gy zult in plaats van yzer paerlen dragen. Schaam u voor Perseus niet. Hy slaat zyn oogen neer Om die niet, met den glans der naakte leedematen Te kwetzen. Ween ook niet, o schoone, ween niet meer. Dwing doch de droefheit, en de schaamt' u te verlaten. Ook Andromeda was een Moorinne. Doch niemant van de oude of nieutydsche Konstschilders heeft myns wetens zig van de waarheit der Historie, in dat opzicht bedient; maar alle hebbenze Naso, welke zeit: ten waar een Zeekoeltje haar hafren verwaaid hadde, en Perseus de laauwe tranen over hare wangen had zien leken, hy zou gedacht hebbe dat het een marmer beeld waar geweest, &c. Veel licht om dat zy 't alle niet geweten hebben; of die vryheit aan zich genomen; aangezien een getaande huid zoo oogvleyende niet is, als een blank vel. Schilders en Schildereſſen. 367 Ook heeft J. v. Vondel, der moeite waart geacht, zyn pen te versnyden, om eenige van zyne konststukken onder zyne Rymoeffeningen te gedenken: als namentlyk de Klelia by den Heere Hoogenhuis. Waar op hy dus zeit: De Roomsche Klelia ontzwom met d'eedle maagden De gyzeling: en t oog der schiltwacht en de doot Waarom zy zulks Porsenne en al den Raat behaagden, Dat d'eerste, op's Vyants eisch, een Riddersbeeli genoot. En op het uitdeelen der graanen door Joseph in Egypten. Geheel Egypte brengt den Ryksvooght schat en have En leeft nu zeven jaar by 't uitgereikte graan. Het vrye volk door noot wort 's Konings eigen slave. Een mans voorzichtigheit kan duizenden verzaân. Dus ook J. Vos, op 't zelve stuk in de Trezory: De honger dryft het volk naar Josefs schuur om graan. De voorzorg is een burg voor landt en onderdaan; Men zorgt aan't Y, in weeld, tot steun van andre tyen. De Schatbewaarders zyn tot heil der Burgeryen. Zyn Beeltenis zietmen in de Plaat R boven aan, op de linkerhant van Bamboots. 'T word voor een van de bevattelykste stellingen der Natuurweetkunde gehouden. Dat de eigen aard en geneigtheit, even als de gelykheit der wezenstrekken en andere kenteekenen in, of door Schouburgh der 368 de voorttellinge van Vader, tot kint overgaan; om dat de dagelykse voorbeelden zulks bevestigen. Adam Willaerts waar van wy op pag: 60 ge dacht hebben, was een braaf Schilder en zyn Soon ABRAHAM WILLARTS was daar mee toegeneigt, van der jeugt af aan. Hy is geboren tot Uitrecht in 't Jaar 1613, heeft de eerste fondamenten van de Konst by zyn Vader geleert; daar na nog een jaar by Jan Bylert. Na dien tyd by Simon Voët te Parys, daar hy zyn tyd zoo wel heeft waargenomen, en zoodanig in de konst door yver en naarstigheit gevordert is, dat hy weder tot Uitrecht gekomen by Graaf Maurits tot Brussel ontboden wierd, om voor hem zommige dingen te teekenen en te schilderen. Maar wat'er aan scheelde, of wat de reden was, dat hy voor soldaat met de Vloot die toenmaals naar Africa zeilde, en te lant gezet mee naar de Stadt St. Paulo in Angola trok, is wat twyffelagtig. Doch men zeit dat hy weder gekomen, meer aangezien was by den Graaf dan wel voorheen. Naderhant heeft hy langen tyd de Konst geoeffent te Amesfoort, ook op de plaats van Jakob van Kampen, die een vermaart Boumeester, en konstkundige was: daar en boven geneigt, om de jeugt waar in hy een goeden geest zag, voort te helpen, en haar van zyn vernuft gulhartig mee te deelen. Gelyk wy hem daar over ook in 't levensverhaal van Mathias Withoos zullen pryzen. Willarts was 1660 noch in leven, en woonde binnen Uitrecht Dit zelve jaar 1613 werd ook geboren te Brussel JACQUES VAN ARTOIS. Deze was vermaart om zyn natuurlyke, losse en zagte behandelinge, zoo ontrent luchten, verschieten, als boomen, welker stammen met mos begroeit of met Schilders en Schilderessen. 369 of met klimop bewoelt hy'geestig wist te schilderen, gelyk ook zyn Lantschap met welgevormde Beeltjes op te sieren. Hier zagmen Celadon by zyn gewolde schapen. Daar zagmen Koridon by * Amarillis slapen. Hier wert het Lant geploegt omtrent een koers gehucht. Daar maayt men 't koren af, of and're zomervrucht Hier spoeitmen tot de Jacht, op 't brommen van den horen Daar zietmen wind en brak den Haes op 't spoor nasporen. Hier zit een Harders knaap, gerust in 't gras, en speelt Een veldtdeun op zyn fluit, terwyl zyn makker kweelt. Hier ſtaat een boere meit, naar ſtem, en fluit te luist'ren, Vergeet bykans haar vee (den Dach reeds aan 't verduist'ren. Naar stal te dryven voor het vallen van den Nacht. De berichten, die in twyffelachtige zaken maar gehouden moeten worden voor gissingen, zouden my al dikwils (zoo ik geen voorzigtige overweginge gebruikt had) in verwarring gebracht hebben; als by voorbeelt omtrent den beruchten Konstschilder Bartolomeus Breenberg. Hier van wilden zommigen my verzekeren, dat hy tot Uitrecht geboren, en de Meester van Korn. Poelenburg geweest zoude zyn. I. DEEL. Aa Het Amarillis, is niet zoo zeer een eigen naam als wel een naamgeving tusschen gelieven in gebruik geweest. Waarom ook L. Smits, in 't kantschrift op de Minnedichten van Naso zeit: Dis zeit kwanzus op het Amarilletje van den kuis schen Mantuaan; zynde een liefhebber van Kastanjen, gelyk hy zelf verhaalt in het tweede Herdersgez. &c. Schouburgh der 370 Het eerste kon waar wezen, maar het laatste heeft geen waarschynlykheit; aangezien dat Poelenburg geboren zynde 1586, en Breenberg gestorven 1660, al vry veele jaren in dien tusschentyd verloopen zyn voor eens menschen leven. Wy hebben daarom liever hem voorby gestapt, tot wy klaarder bericht van hem bekomen: en hebben alleen zyn naam gespelt, op 't einde van dit eerste Deel; om de Lezers met ernst te verzoeken, dat, zoo zy iets mochten weten aangaande zynen geboortetyd, en leven, (als mede van Gabr. Metzu. Ger. Terburg, of Gerard van Siil, Konstschilders, waardig een groote Rol op onzen Schouburg, my mondeling, of zoo de zelve buiten de Stadt wonen, door een brief daar omtrent berichten. Gelyk wy ons ook na 't zig toeschynt met schaarse berichten zullen moeten behelpen, ontrent Bartolomeus vander Helst, die met Gerard Dou, twee lichtende fakkels in de Konst, met het openen van ons tweede Deel, nevens hunne Beeltenissen staan ten Tooneel te komen. WY hebben reeds een goed getal konstschilders ten tooneel gevoert, veler verschelige wyze van penceelbehandelinge gezien, en hunne kluchtige levensrol hooren spelen. Zeker Picturaas konstschool heeft al menigerhande sla van konstkinderen aangekweekt. Men mag in 't algemeen van deze konstschool zeggen: dat zy is een schatkamer, waar in alle de Beeltenissen van de zienlyke Natuur, levendig nagebootst, en de menigerhande bedryven der waereltlingen zyn opgesloten, waar uit alie konst lievenden, hoe verschelig van neiging en zucht, hun keur en genoegen konnen vinden. Zommi Schilders en Schilderessen. 371 ge schryvers verkiezen waardige stof, anderen weer beuzelingen tot hun voorwerp: zommige versny den hun pennen om Heldenlof te brommen, en hunne beroemde bedryven voor de vergetenheit op duurzaam perkament te printen: andere in tegendeel hebben zich afgeslooft op ik weet niet wat, zelf op den lof van den Ezel, en den Uil te beschryven. Beide bereiken zy hun oogwit, meer of min, na dat zy die stoffe volgens haren aart, en vereisten schryfstyl hebben weten voor te stellen. Het een en ander, zoo wel het Heldhaftige, als het potzige, kan den lezer om de geestige vindingen vermaak geven, nochtans verdienen de eer ste, naar mate van hun waardiger bespiegelingen, meerder roem. T lust ons Joan Passerats den schryver van het ware lof des Uils, van wegen zyn geschildert Uiltje te hoore: dat dus in vaarzen gebracht is. Een Uiltje (wie zout zoo verzinnen?) Zat geestig op zyn gat te spinnen Als d'oude Resjes by den haart: K dacht by my zelf ik wou wel een webben Van dezen draad gesponnen hebben. Zulk was my immers zoo veel waart, Als 't geen van Herkules gesponnen, Of van Sardanapaal, verwonnen Door lichte vrouwen, was gewrocht. Bekoorlyk Uiltje! geestig, aardig, En by de Athenienzers waardig Geschat, als Heiligdom gekocht, Om hunne Tempelen te sieren, En uit Godsdienstigheit te vieren; 'K verwonder my niet dat gy spint; Maar lach steets als ik gae bedenken Aa 2 Dat Schouburgh der 372 Dat Pallas u die kunst kwam schenken; En boven alle Vooglen mint. Dus is het ook geleegen met de Konstschilders. zommige zetten zig tot het verbeelden van grootse en deftige waereltsche gevallen: andere leggen enkel toe op klucht. Dav. Teniers heeft meer als eens zulk huisselyk bedryf, als het spinnen en diergelyke soort van handwerk door Apen verbeelt, zoo geeftig dat die alzulk tafereel beschouden zig van lachen niet onthouden konden, terwyl zy onder die verbeeldingen, het menschen levensbedryf zoo geestig zagen afgeschetst. Ik heb een soldaten kortegaard door Apen van hem verbeelt gezien, en een weerga tot het zelve, waar in verbeelt werd een misdadige die voor zyn Hopman te recht gestelt wort. Deze Rechter zat in een kindere kakzetel zoo parmantig als een Boere Schout onder zyn Dorpraaden te pryken in de Nacht, gelykerwys de ouden plegen te vonnissen. Zyn Gerechtsstaf vertoonde een lange Bengaalze geschilderde Tabakspyp: voor den zelven verscheen de misdadige, die zoo eenvoudig langs zyn neus heen zag, als of hy 't niet had konnen gebeteren: Hy wert van twee Apendienders geknevelt met soldatelont, weerzyds vast gehouden, tusschen deze en den Richter stont de beschuldiger met een lange gefronste bek, als de verkens het stroo eeten. Vorders was het soldateleven, de gansche toestel, en elk op zig zelven zoo potzig gekleed en toegerust, in deze tafereelen vertoont, dat zelf een Kato zou gekokermuilt hebben, zoo hy zulks gezien had. Dus konnen ook de menigerhande potzige vertooningen van den koddigen Jan Steen, van wien wy in 't vervolg stalen zullen aanMen toonen, de aanschouwers doen lachen. Schilders en Schilderessen. 373 Men mag van gemelde Konstenaars zeggen als Junius van Pyrcicus, dat hy schynt verstant: genoeg te hebben om het groote in de konst te volgen, ten waar zake dat hy zig willens tot allerlei geringe dingen begeven hadde. Daar waren weinige die Pyr. cicus in de konst te boven gingen (zeit Plinius) maar ik weet niet of hem zyn voornemen bedorven heeft; want alhoewel hy een grooten luft tot slechte geringe dingen hadde, nochtans verkreeg by hier in den grootsten lof. Hyschilderde Baartscheerders, Schoenmakers winkels, en Ezeltjes, en diergelyke dingen meer: zynde in deze dingen uit der mate vermakelyk, zoo dat de aiderſtatelykſte tafereelen van andere konſtenaars, minder plachten te gelden dan deze grollen van Pyrcicus. 'T is even dus ook met de penceelkonst van de voorgenoemde Teniers en Jan Steen gelegen. Hunne potzige tafereelen worden gretig gezocht en wel betaalt, terwyl andere konst traaglyk aan den man wil. En wy zyn ook met Junius van gedachten dat zulken geen vernuft ontbreekt om waardiger voorwerpen met roem te konnen verbeelden, wanneer zy zig daar toe stelden; daar wy ook al stalen van gezien hebben. 'T is waar dat dusdanige tafereelen met potzige voorwerpen,den eenen tyd min, en den anderen tyd meer beminnaars aantreffen, en dat al de geenen die op een onsterfelyken naam hebben gedoelt, altoos zig met groote gedachten, en waardige verbeeldingen hebben opgehouden: maar wie kan de Natuurdrift paalen zetten? wy willen de zelve ook geen wet voorschryven; aangezien de konstlievenden zoo wel met het een als het andere gedient zyn, maar willen wel ten beste raden. Onderwyl denken wy aan 't zeggen van Longinus: Het en is niet onmogelyk dat die genen welke den geheelen tyd hunnes Aa 3 le. Schouburgh der 374 levens ontrent geringe en gans slaafagtige bekomme ringen verslyten, iets zouden uitrechten het welk de verwondering der volgende eeuwen kon verduuren. En dat een vrolyk gemoed (naar 't zegge van Cassiodorus) altyd iets ongemeens uitwerkt, 't geen beide op onze kluchtigen J. Steen kan toegepast werden, als die altyd vrolyk van geest, door zyn vernuft en penceel dingen heeft konnen uitdrukken, zoo in opzicht van de natuurlyke verbeelding, als wyze van schilderen, die verwonderinge verdienen, Van het eerste gezegde is elk die zyn konst kent bewust, en het laatste wort bevestigt door twee stukjes, waar van de Heer de Meester tot Middelburg in Zeelant bezitter is die zoo uitnement (naar het getuigen van den Konstschilder Nicolaas Verkolje) doorwrocht, en konstig uitgevoert zyn, als ooit Ger. Dou gedaan heeft, waar door hy een eeuwigen naam gemaakt heeft. Beide zyn zy groote Meesters in de Konst geweest, en die elk in het byzonder hunne voorwerpen natuurlyk hebben weten te verbeelden. Maar ook is het te beklagen dat zulke groote Mannen in de Konst niet hebben toe geleit tot het verbeelden van waardiger voorwerpen, wat prys zou groot genoeg geweest zyn om de zelve te betalen De Historyschryvers die de gebeurde zaken aan de geheugenisse der volgende eeuwen schakalen, leveren ons menigte van grootmoedige bedryven, en gedachtens waardige gevallen op, welke verdienen dat de grootste Konstenaars hun vleit, en konstpenceel daar op afslooven. By voor beelt, verbeelt u eens Zenobia Koninginne van Asia, daar zy met haar twee zonen, gevangen te Rome gevoert, den Zegewagen van Aurelianus moet Schilders en Schildereffen 375 moet verzellen, om de menigerhande gemoetsdriften die in zulk een vertooning zich opdoen. De moet des Triumfeerders: Zenobiaas stantvastig en onverzetbaar gemoet, in heur wisselvallig lot, waar van zy al voorens gezegt had, dat zy daar in niet konde overwonnen worden: de beweeglykheit der genen welke haar ongeval bejammeren: Anderen zyn er weer die haar val met een grimlach beschouwen, wanende dat de luister der verwinning als erfpacht Rome alleen toekomt. Of Martius Coriolanus, daar zyn Vrou en Moeder (bewogen door 't gekerm en de tranen der Romaninnen) hem te voetvallende smeeken, dat hy dog het verwoesten dier Stadt en volk staken wil; en daar tegens over Martius in dien toestant, dat hy niet weet tot welken kant, of tot zyn staatzuchtig voornemen of tot het verzoek van zyn Vrou en Moeder, hy overhellen wil. De Schilder kan zig daar in ook een ander tydstip voorstellen, of verbeelden (als by voorbeelt daar de Dichter zeit: Hy heft zyn Moeder op, omarmt zyn Vrouw...) zyn grootmoedig voornemen in zyn krachtigste drift gestuit. In afstant buiten de Legertent van den Veltoversten, kan men ook Roomsche Kerkmeesters en Priesters, (het gezantschap dat hy gehoor weigerde, en 't geen een wezentlyk deel van de kenbaarheit van die Historie helpt uitmaken) vertoonen. als verlangende wat uitslag de voorspraak van Volumnia en Virginia tot behoudenis der Stadt geven zal, en Rome in 't blaau verschiet. Of verbeelt Berenice, daar zy door last van den Roomschen Raadt geboden het Vorstelyk HolAa 4 Schouburgh der 376 te verlaten, van Titus Vespasianus afscheit neemt, Daar in de krachtige Hartstocht van liefde zich vertoont, op het punt van scheiden, en hoe Titus henen gaande zyne gemoedsdrift, en tranen, stry dende tegen de Vorstelyke grootmoedigheit, voor het Hosgezin tracht te verbergen. Strekt de genegenheit van den konstoeffenaar tot het bewerken van een woeliger tafereel, hy verbeelde Eteokles en Polinices, zonen van Edipus Koning van Theben, uit Jokasta geboren, met de degens in hun vuist, twistende over 't Ryksbewint, en geef acht op de hevige drift van toorn en wraakzucht in de wezenstrekken en 't gansche gelaat. Aan den anderen kant de bezorgtheit van 't Hofgezin om het woeden te stuiten, en onder dat gewoel Antigone met Jokasta haar moeder, zoekende hare zonen tot stilte te brengen met dus te smeeken: Ach, Polinices daagt ge uw' broeder uit ten stryd. Laat u door 't schreien van Antigone bewegen; Myn Zoon, omarm, omarm uw' Broeder, en verblyd Uw' droeve Moeder; stort zyn bloed niet door uw degen. Kom, kom Eteokles voldoe uw' woord en pligt: Vergun me dut ik weêr twee Zonen mag verëenen. De Konstenaar kan het tafereel voorts vullen met het vertoonen van een Koninklyk Paleis, en by voegzelen die zulke Historische verbeeldingen grootsheit en luister byzetten; wanneer zy volgens de konst tot redding en welstant van de beelden geschikt worden. En om een denkbeelt van de verschelige gemoetsdriften in zulk een voorval te bevatten, wil ik den weet en-leergierigen raden met aandacht, voor hy 't penceel in de hand * * * neemt, Schilders en Schilderessen. 377 neemt, het treurspel door Racine berymt te doorlezen. Of heeft een Konstschilder lust tot verbeeldingen die van een stilder aart zyn, en waar in de gemoetsdriften zoo kragtig niet doorsteken, hy maale op zyn tafereel den Macedoner waereltvorst, daar hy aan Apelles tot belooning voor zyn konstwerk zyn geliefde Campaspe schenkt. Hy verbeelde Alexander als den voornaamsten persoon in 't midden van 't stuk, Apelles nevens hem, die hy zyn schoone aanbied, houdende met zyn linkerhand de rechterhand van Apelles, en wyzende met de andere op Campaspe, die op een pragtige zetel gezeten, verbaast over dit vremd voorval Apelles aanziet, die zig voor over bukt, en Alexander met een eerbiedig en neêrgeslagen wezen zyne dankbaarheit voor het waardig geschenk te kennen geeft. Zeker een zeltzaam voorval;dog ik wil het den lezer te rade geven, wievan beide, of Alexander, of Apelles best by dezen handel gestaan hebben? immers dit is'er van, dat de meeste Konstschilders thans liever zouden willen dat hun Konstwerk met harde Ducatons geloont wiert, dan met een halfslete Hofpop. Doch dit overgeslagen zeggen wy, om den afgebroken draadt van onze redenvoering weer t'zamen te knoopen: Indien nu zulke of diergelyke verbeeldens waardige gevallen (gelyk'er by menigte in de oudtydse schryvers zyn) met hunnen vereisten zwier, en onderscheiden gemoetsdriften door vaste en kenbare wezenstrekken, door een penceel van zulk vermogen als dat van Jan Steen, was afgemaalt, in die uiterste uitvoerigheit en kracht als dat van Gerard Dou, en aan elk deel in 't byzonder zoo veel tyd en geAa 5 dult Schouburg der 378 dult aangewend was als hy aan zyn tapyten en teen werk doorgaans besteet heeft: men zou op een tafereel, de konst, in vele wyzen van schilderen verdeelt, en de volmaaktheit in vele voorwerpen verspreit, in een enkel konstwerk zien te zamen gevloeit. Maar wat zal ik zeggen? de gaven der konst zyn zonderling gedeelt. De een bootst de natuur in't ruw, de andere in 't net na. Deze verkiest het waardigste, gene het geringste voorwerp der natuur, elk daar zyn drift hem na toe leid, en dat hem best ter handstaat; en die daar van afstapt loopt gevaar van zyn roem te verliezen, even gelyk ymant die niet zwemmen kan, en zig van grond begeeft gevaar loopt. In de Redenmeesters en Letterwyzen vind men het even dus gestelt. Zommige hebben de gaaf van wel te schryven, andere van wel te spreken. Asclepius onder de Argiven, Demosthenes onder de Athenienzers, Eschines onder die van Rodus, Ci cero by de Romeinen, waren boven mate welsprekent, doch wilden nimmer hunne Oratien, of Redenvoeringen in geschrift over geven, zeggende: Dat zy de pen niet dorsten vertrouwen den roem dien zy door hunne tong verkregen hadden. Om weder tot de Konstschilders te keeren, zeggen wy: dat wy niet alleen hebben ondervon den, dat dezelve doorgaans voorwerpen tot hun bespiegelingen gekeurthebben, die met hun aart over een quamen: maar stemmen ook met Fr. Junius: Dat de konÅ¿tenaars hunnen arbeid ontrent zoodanige dingen gelukkiglyk hebben besteed, tot welke zy door een heymelyke toegeneigtheit der natuur wierden geleit, waar van wy t bewys niet veer hoeven te zoeken, maar gereed aan de hand in J. Steen bevestigt zien. De Schilders en Schildereffen. 379 De ouden hebben daar doorgaans acht op genomen, en uit de werken geoordeelt, van wat aart den maker was. Parrhasius schilderde doorgaans niet als tafereelen van ontucht, (van welke stukken by Suetonius in 't leven van Tiberius gemeld wort) waar uit hy beslooten heeft, dat hy zyn gansche vuile wyze van leven daar door te kennen gaf. Doch ik wil dit tot geen vasten regel te boek stellen, zoo min als om dat Androcydes by zyn Scylla de visschen zoo wonder natuurlyk hebbende afgemaalt, hy daarom voor een grooten visvraat gehouden wiert, en de byzondere lust dien hy daar toe hadde, hem te pas gekomen was in 't schilderen van dezelve. 't Welk Plutarchus aanhaalt Sympos lib. 4 quaest. 1. Maar wel, dat onder alle voorwerpen, dat gene, waar op de geneigtheit krachtigst werkt, volmaakter dan eenig ander verbeelt wort. Plinius geeft ons daar een zoet voorbeelt tot bestempeling van 't geen wy zeggen aan de hand in zyn XXI Boek daar hy zeit: Pausanias verlieft zynde op Glycera heeft een schildery naar gelaten die Stephanoplocos, dat is, kransvlechteresse genaamt wiert, en om dat hy de zelve met een zonderlinge toegeneigtheit tot Glycera had gemaakt, zoo geviel dit elk, en wert onder alle zyne konſtwerken het beſte gekeurt, en hoog geroemt. Dewyl het dan dus gelegen is, dat door de verschelige neygingen, deze op dit, gene op wat anders doelt, en dat het geen van ymant uit een natuurlyke geneigtheit verricht wort, 't best gedaan wort; zoo willen wy (als gezeit is) ons daar niet tegen zetten, willen alleen de schilderjeugt die het noch onverschillig is, tot wat voorwerpen zy zig wend, en noch niet door gewoonte aan geringe dingen verslaaft is, raden, zig tot waardigo Schouburgh der 380 dige bespiegelingen te gewennen, naar het voorbeelt van Aristoteles, die niet afhield van Protogenes aan te manen dat by de daden van den Grooten Alexander zoude afmalen; ten aanzien van de eeuwigduurende roem dezer dingen, enz. Of eindelyk willen wy aanpryzen Bybelsche geschiedenissen die menigvuldig in getal menigerhande keurstoffen opleveren, als aan de menigvuldige geschilderde en in printverbeelde tafereelen te zien is: inzonderheit het nieuwe Testament, daar een Konstschilder een open velt vint om in te weyden, en uit te keuren zulke voorwerpen waar aan hy toonen kan wat zyn penceel in de konst vermag, zoo ontrent de Historien, als de natuurlyke verbeeldingen van den veranderlyken aart der tydstonden van den daen nacht, welke naar mate der verschelige lichten de voorwerpen met verandering van koleuren temperen; een waarneming dienstig om aan te duiden op wat tydstont zulks 't geen de kunstenaar verbeelt is voorgevallen. Of lust hem grazige valeien Lantschappen, stille wateren, onstuimige Zeen, Bergen met groen bewosse kruinen, die hoe veerder hoe meer door de tusschenlucht als met een blaau floers bedekt worden te verbeelden, daar's keur t'over. Of dunne wolken waar in de voorwerpen allengs door verdikking of afstant verflaauwen. Als in opzicht van dit laatste de Hemelvaart van Christus; waar aan ik gedenkende, teffens ook gedenk aan die fraje gelykenis die een Dordregtse Dichter daar op gemaakt heeft, waar door hy met zyn pen, als door verven, het verdwynen van den Heilant Jesus uit het oog van zyne jongeren dus afschildert: Gelyk een Adelaar zyn wieken Met vreugde klapt, wanneer hy 't licht Det Schilders en Schilderessen. 381 Der Zonne met een hel gezicht, Ziet in het nuchtere oosten krieken, Dat moedig naar het zuiden klimt. Wyl hem door de uitgespreide schachten De zonnestraal in de oogen glimt. Hy vliegt het nad met snelle krachten. Tot by allengs al klynner schynt. En eind'lyk voor ons oog verdwynt. In een andere Redenvoering zullen wy ter proef brengen wat de leiding vermag ontrent zulken die van een lagen geest zyn, en of die door deftige voorbeelden aangespoort bekwaam gemaakt konnen worden tot groote ondernemingen in de konst. BERECHT. De Beeltenis des Schryvers, die by dit eerste Deel niet konde gereedt zyn, zullen de Liefhebbers (welker begeerte en verlangen niet langer mocht opgehouden worden) ten toegift by het laatste Deel hebben. Dan kan zy in het eerste Deel voor de Opdragt ingebonden worden. Tot dienst van den Lezer hebben wy hier agter aan gevoegt een NAAMLYST der KONSTSCHILDERS en Aanwyzing tot byzondere zaaklykheden de Konst betreffende: geestige Antwoorden, potzeryen enz. in de levensbedryven der Konst schilders aangemerkt, in dit eerste Deel: als ook een NAAMROL van de Beeltenissen der Schilders, gelyk de zelve volgens de letteren ACC, en de Bladwyzing volgen, en van de byzondere platen; dienende inzonderheit voor de Boekbinders: om de zelve op hare rechte plaats in te voegen. NAAM. NAAMLYST DER Schilders en Schilderessen. A. Art Janze Druivestein Bartolomeus Breenberg. 369 ∆ Bernard van Orley. 24 Aart Verhaest. Bartram de Fouchier. 338 Aalbert Kuip. 24 Abraham Bloemaart. Abraham Janzen. Christiaan Janze van BieAbraham Mathys. 222 122 Abraham van Diepenbeek. zelingen. 289 Christoffel Schovarts. Abraham Willarts. 368 Adam van Oort. D. Adam Elshaimer. David Jorisz 60 Adam Willaarts. 118 David Balii. Adriaan Stalbemt. David Davitz de Heem. Adriaan vander Venne. 136 210 Adriaan van Linschoten. 145. Dammori van Luik 288 152 Adriaan de Bie. David de Haan 222 Adriaan van Uitrecht. 177 David Teniers de oude. 114 Adriaan Nieulant. David Teniers de jonge. 345. Adriaan Bloemaart. Daniel Vertangen. 129 Adriaan Brouwer. 318 Daniel van Ansloot. 222 Adriaan van Ostade. Daniel Blok. 88 Alexander Keerings. 140 179 Daniel Segers Antoni van Dyk. Daniel van Heil. 236 221 Antoni Salart. Desiderius Erasmus. Andries van Artvelt. Deodatus del Mont. Anna Maria Schuurmans. 26 Dirk Crahet Dirk Rafelze Kamphuizen. Artus Wolfert. 189 222 Augustyn Brun Dirk NAAMLYST. Dirk van Hoogstraten. 159 Herman Hals. Dirk Hals. 92 Iierman Zachtleven. 340 Dirk de Vrye. 34 Horatius Gentelesco. Uubreckt Jakobsz. 178 Egidius van Tilburg 222 Emanuel de Wit. 282 Jan de Hoey. Emelraad. 356 Jun. Dat. Ezaias vanden Velde. Jan van Kuik WoutersErasmus Quellinus. 2,1 Loon. Evert van Aelst. 228 Jan van Hoeck. Jan Breugel. Jan van Goyen. 170 Jan Lis. 205 Ferdinandus Bol. 301 Jan Davitze de Heem. 209 Francois Snyers. Jan en Jakob Pinas. 214 Fransiscus Verwilt. 125 Jan van Bronkhorst. 231 Frans Hals. Jan Bylert. 235 Frederik Brentel. 221 Jan de Waal. Frans Wulfhagen. 273 Jan vanden Velden. 275 Jan Thomas. 290 Jan Lievensz. 296 Jan Babtist van Heil. 344 Gasper de Krayer. 123 Iohan Snellings. Gerard Honthorst. 145 Ioan vander Lis. 129 Gerret Bartels. 220 Johan Torrentius. Gysbert vander Kuil. Johan Parcellis. Guiliam Nieulant. 121 Johannis Wildens. 218 Guiliam en Gillis Backereel. Johannis van Ravestyn. 188. 218 Johannis Cossiers. H. Johannis Mytens. 356 Jakob Bakker 336 Hans Holsman, 222 Jakob Willemze Delff. Henrik Goud. Iakob Wouterze Vosmeer. Henrik van Dalen. 118 Henderik ter Bruggen. Iakob van Es. 217 Hendrik Berckman. 158 Iakut de Geest. 220 Henderik de Klerk 221 Iakob van Lanen. 221 Hendrik Bloemaart. 44 Iakob vander Heyden. 222 Henrik vander Borgt de ouIakob de Bray. 176 de. 115 Jakob Potma. 149 Iakob NAAMLYST. 237 Leendert vander Koogen. Jakob Gerretze Kuip. 350 Iakob Ernestus Thoman. 132. 154 Leonard Bramer. 164 Jaques Iordaans. 162 Leonard van Orley. 288 Iaques Francart. 216 291 Lowys de Vadder. Iakob Sandraart. 368 Lucas Fransois. laques van Artoois. Lucas de Waal. 146 276 Joachim Sandrart. 158 Lucus van Uden. Izaak van Ostade. 347 Lucas Achtschellings. 217 149 Ielle Reyniers. Lui. Ludowicus, anders Joost van Graasbeek. 333 Primo. 253 130 loris van Schoten. Izak Nicolai M. Iustus van Egmont. 188 Iudocus de Momper Marten Pepyn. Iulius Parcellis. Marten Rykaard. 21 Iuriaan Ovens. Margarita Godewyk. 316 I. de Wilde. Monniks. Iustus Zustermans. Michiel Coxi. Michiel Janze Mierevelt. K. Karel van Mander KarelsN. 251 zoon. 296 Karel Erpard. Nicolaas Knupfer. 233 Kornelis Antonisze. Nikolaas de Helt Stokade. Kornelis Ysbrantse Kuffeus. 3⁶⁴ Kornelis Schut. 128 Kornelis Poelenburg 188 Kornelis de Vos. Octavio van Veen. Kornelis de Waal. Otto Marcelis. 357 210 Kornelis de Heem. Kornelis Bloemaart. 349 Kornelis Bega. Kornelis Zachtleven. Palamedes Palamedesz. 303 Kristiaan van Kouwenbe. Paulus Moreelze. 273 Paudins. Kristoffel van Lanen. 221 291 Paulus de Vos. Petrus Paulus Rubbens. 62. 150 Peeter Snayers. 31 Peeter Francois Lucasz. 253 Laurens van Kool. Philip Koogen. 216 255 78 21₆ 316 evel 233 kokade. 364 357 NAAMLYST. 223! Salomon de Bray. Philip de Champanje. Pieter Klaasze Soutman. 76 Salomon Koning. 544 120 | Sebastiaan Frankr. Pieter de Valk. 132 Simon de Vos. Pieter Feddes. 235 Pieter Bronkhorst. 135 Pieter Mierevelt. 163 Pieter Pieterz Deneyn. 172. 174 Tobias Verhaegt. Pieter Saenredam. 174 216 Theodoor Rombouts. Pieter van Loon. 189 Theodoor van Loon. Pieter Molyn. 21 221 219 Theodoor Rabuer. Pieter vande Plat. 290 Theodoor van Tulden. 221 Pieter Neefs. Thomas Willeborts Bossaert. Pieter Dankers de Ry. 250 Pieter Lastman. 357 Pieter Janzen van Asch. 23 IV. Pieter vander Willigen. 287 Pieter van Laar, ander. 129 Warnard van Rysen. Bamboots. 355 356 Warnard vanden Valkert. Pieter Janzen. 215 115 Wenslaus Koeberger. K. 26 Wouter Crabet. Willem Tybout. Remigius van Rheni. 216 Willem Tomberg. Rembrant van Ryn. 254 Willem vander Vliet. 121 Roelant Savry. 173 Willem, anders Guilhelmo Roelant Rogman. van Aalst. 218 Robbert van Iloeck. 345 Willem vanden Velde. 354 Willem Bemmel. 343 Wybrandus de Geest. 147 Samuel Hofman. I. DEEL. Bb LYST LYST der voornaamste zaken en byzonderheden in dit eerste Deel van den Schouburg der Konstschilders beschreven; om alles op zyn plaats te konnen vinden. Hoe door de Keizer Maxi IN hoe grooten agting en waarden de Schilderkonst miliaan geadelt, en by wat oudtyts by Grieken geschat gelegentheit, aangewezen. wiert. 240 2. 3 Hoe de Gilden en BroederWie al van overoude tyden af over de Schilderkonst en der schappen oudtyts de een of zelver oeffenaars geschreven ander heilig toegevoegt wert, aan de welke zy op hebben. 3. 4. 5 De Reden welke de Schryver gezette tyden Gods dienstig hebben aangespoort tot den plechtigheden bewezen. 241. Het konstgenootschap van aanvang van dit Boek. St. Lucas te Dordregt opOp wat wyze de Schryver de levensbeschryving der Konst. gerecht 1642; en door wie. schilders, aan die van K. v. 238 Geestig voorval wanneer de Mander schakelt. 10. 11 Voorbeelden van Schilders Keurvorst van Beyeren tot Antwerpen op de Konstkawelke langzaam en vaardig mer onthaalt wiert, beschre hebben geschildert. 165. 166 246. 247. 248 De Penceeltrekstryt tusschen ven. Apelles en Praxiteles, en M. Mierevelt verkrygt door zyn Konst van Hartog Aleen dergelyk tusschen Ant. bartus, in de hevigste vervan Dyk en Fr. Hals. 89. 90 volging vryheit van Gods Wedspel tusschen Knipber dieull. gen, J. v. Gojen en J. Per Gevaarlyk geval van Dirk 166. 167 elles. van Hoogstraten in DuitsVremde wyzen van teekenen 160.161 by gelegentheit van een gee lant. stig voorval met la Fage be- Jan van Kuik Wouterze werd om de belydenis van schreven. 168.105 zyn geloof verbrant. Hoe een Konstschilder zeker 51 Uil, kwaad voortecken voot der gaat in zyne verbeel Kamphuizen. 115 dingen wanneer hy in een Beteekenis van 't woort Tyzelve geval Historyschry ran. vers, dan de Dichters volgt, Hoedanig onder de Heideen de reden waarom. 203. nen de Offerdieren wierden 204 gekranst wanneer de zelve Schilderkonst; hoe door Oor voor den outaar gestelt, of logen en Inlantsche beroerter slachtinge geleid wier41. 42 ten gedrukt. den. Hoedanig de Konstschilders Offerstier moest wit wezen oulings by de grootste Waedie voor Hemelgeden gereltvorsten zyn geacht geslacht wierden, en dikzwart weeſt. 238. 239 wanneer de zelve aan een onderaardsche Godheit geoffert wert. 100 Een zwyn wiert aan Venus op de Bruiloften om de voortteelinge te begunstigen, aan Ceres om dat zy de akkers niet omvroeten zouden geoffert, een zogende Bigge aan de Grensgod Terminus en aan Jupiter een zwyn schaap en stier, alle vyf ja ren. 109. 110 Aan de Tuingod Priapui wierd jaarlyks een Ezel, en de ingewanden aan Vesta geoffert. 110 Menschslachting op de Feestdag van Saturnus, ontsproten uit misduiding van het Orakel. item. Aan Bachur, wiert een Ram of Bok geoffert, en de rede waarom. 111 Alle de gereedschappen Slachtbyl, Messen, Schote len, Kroezen, Wierookkan delaar, de Kiekenkeve, Wichelstaf, Altaar en Tem pelsierzelen, en wat voorts tot den toestel der Heiden sche offerhande behoorde, beschreven en in print ver toont. 97. 98 De Feestdagen van Mars en Venus wierden van de man nen in vrouwen gewaat, en van de vrouwen in manner kleederen geviert. 305 en de reden waarom. 306 Menigerhande verbeeldingen van Jupiter, Venus, Diana, Marcurius enz. aangeweckt. 307. 308. 309. 310 Fabel van Pan en Seringa verklaart. Wie Pomona, Verturonus 80 Amarillis, Andromeda en Faëton was 206. zyn val in vaarzen afgeschetst door J. v. Vondel, en L. Rotgans. 207 Dryvoetschragen; wat gebruik de zelve hadden, haar gedaanten aangewezen op een penning van Vitellius, Antoninus en M. Lepidus. 143 Altaar van Hoornen door Apollo te Dedos gebout, geeflig op de mannen toegepast. 108 't Kleederscheuren by de oude Hebreen in gebruik. Om welke rede, en op wat onderscheide weizen 't zelve geschieden, aangetoont. 101 Oudtydze wyze van Dooden begraven zoo by Joden als Heidenen, nevens de verschelige omzwachtelingen der Lyken, uit oude bestempelingen betoogt, en door een printverbeelding vertoont. 189.190.191.192 Aanwyzing der misslagen begaan in 't verbeelden van het Kruis van Kristus. 193. 194. 195 En in de wyze van hetzelve te dragen. 196 Dat ook de Booswichten die met Kristus gekruist wierden. ook een opschrift der beschuldinge boven hun hooft gehad hebben, betoogt. Bericht ontrent de gedaanten der Grafsteden. 199. 200 De herkomst der Grafschriften, en tot wat einden de zelve in gebruik zyn gekomen, aangewezen.260.201 Aan de vinding van 't Heilig Kruis door Helena weinig geloof toegeschreven. 279 ook het verhaal van Longt Van een Satyr aan zyn huis nus, die de zyde van Kris waart. 157 tus met een speer doorste Van een Schilder als hem een ken heeft, tegen gesprotafereel van St. Lucas ver281 ken. toont wert. 293 Wat Lala van Cycicus, Ma Potzig antwoort van A. Brou riette Tintoret, Propertia, Clau wer aan zyn huiswaart. 125 dia Stella, Sappho, Aspasia, Teanó van Creta, en Arete Slecht antwoort van Adr. van Linschoten aan een Prediberucht gemaakt heeft. 311. 146 kant. 312. 313 En van Em. de Wit aan de Potzige Bedryven van Adr. Consul van de Koning van Brouwer. 325.326.327. Denemarken en aan G. LaiIs tweemaal begraven. 33 284 res. Kluchtspel van Bamboots te Hoe het Tydstip in een HistoRome voorgevallen berie van de Schilders moet 361. 362 schreven. waargenomen worden. 365. Geestig Huwlyks verzoek van En de misslagen daar ontrent een Juffrouw aan de Konstbegaan door verscheiden schilder vander Koogen pot voorbeelden aangewezen zig afgeslagen. 351 item. Geestige wyze van de laatste Hoe, zoo ymant met nut na afscheitkus van Bega aan zyn. 't naakte leven teekenen wil, beminde. 345 hy zig voor af moet oefDionyzius roost uit spotterny. fenen naar teekeningen en de goude mantel van Jupi pleister van de beste mee30 ter Olympius. sters; zoo om de spieren den Potzig bedryf ontrent Fr. menschen lichamen als het Hais gepleegt. schoonste van het schoone 't Kluchtspel van Adam en te konnen onderscheiden. Eva door Rembrant geWort ook een zekeren weg 256 stoort. aangewezen om de geBelachlyk byvoegzel agter de moedsdriſten door vaſto Beeltenis van Kleopatra gekentrekken in der menschen 105 schildert. wezens te verbeelden. 263 Stekelig antwoort van Rafael 264.265.266 tegens Mich. Angelo, en van Hoe dat zommige Schilders M. Angelo tegens de Paus. 78 even als de Dichters waardi Grootmoedig antwoort van ge en grootze voorwerpen, Rubbens aan Jan Duc de Braandere weer het veragt gance. ste, of enkel potzeryen hebGeestig antwoort van Ant.v. ben verbeelt met voorbeelDyk aan de Koningin var 372. 373 den betoogt. 18 Engelant. En eindelyk de Schilderjeugt Van Rubbens aan de Alche tot het prysselykste aanmist Brendel. 375 spoort. Van een Beeldsnyder aan zyn NaamBiegtpaap. Ko DESID. DIRK ABR. B P.P.R FR. S. FR.H/ KORN. JAQU L.BRA ANT. PHIL. ANN. JAN ADR. HERM. NAAMROL Van de Beeltenissen der Konstschilders en Schilderessen. In het I. Deel. Plaat A Pag. 16. DESID. ERASMUS. DAV. JORIS. JOHAN SNELLINGS. Plaat B Pag. 26. DIRK EN WOUTER CRABET. Plaat C Pag. 44. ABR. BLOEMAART. AD. ELSHAIMER. AD. VAN OORT. Plaat D Pag. 62. P. P. RUBBENS. HENDR. VAN BALEN. ROEL. SAVRY. Plaat E Pag. 84 FR. SNYDERS. JAN BREUGEL. KORN. SCHUT. Plaat F Pag. 90. FR. HALS. WENSL. KOEBERGEN. LUC. VAN UDEN. WYBR. DE GEEST. Plaat G Pag. 128. KORN. POELENBURG. DAN. SEGERS. J.TORENTIUS. P. VALK. Plaat H Pag. 154 JAQUES JORDAANS. JAN VAN GOYEN. Plaat I Pag. 164. L. BRAMER. DIRK. v. HOOGSTRATEN. SALM. DE BRAY. Plaat K Pag. 183. ANT. VAN DYK. JAN DE HEEM. Plaat L Pag. 225. PHIL. CHANPANJE. P. J. v. ASCH. JAN. v. BRONKHORST. Plaat M Pag. 272. ANN. MARIASCHUURMANS. JAK. BAKKER. REMBRANT. Plaat N Pag. 294. JAN LIEVENS. PALAMEDES. ERASM. QUELLINUS. Plaat O Pag. 326. ADR. BROUWER. JURJ. OVENS. KORN. BECA. Plaat P Pag. 342. HERM. EN KORN. ZACHTLEVEN. DAV. TENIERS. Plaat Cc Plaat Q Pag. 348. ADRIAAN VAN OSTADE. Plaat R Pag. 358. OTT. MARCELIS. PIET. V. LAAR. NIKOL. DE HELT STOKADE. Pag. 104. Alle de gereedschappen, Slachtbyl, Vilmessen, Kroezen, enz. van de Heidenen in hun offerdienst gebruikt, in Print vertoont. Pag. 258. Printverbeelding van de mannen van Emaus. DRUKFEILEN. Pag. 6. Reg. 13. Konstoeffenarars, lees Konstoessenaars. Pag. 12. Reg. 21. onling 3, lees onlings. Pag. 18. Reg. 7. Biisschop, lees Bisschop. Pag. 25. MICHIEL COIXI, lees COXI. Pag. 46. Portrait, lees Pourtret. Pag. 84. Reg. 8. geleert heeft by, lees: geleert by Pag. 130. Reg 4. ALEX. KIERINGS, lees KÉERINGS. Pag. 214. Reg. 12. Tritions, lees Tritons. Pag. 224. onder aan. Vrank-lees ont Pag. 239. Reg. 29. bedekkken, lees bedekken. Pag. 288. Reg. 15. vergapen, lees vergapen. Pag. 303. Kants. in gezantschap aan Achilles naneef van Pirrhus enz. lees: in gezantschap aan Pirrhus naneef van Achilles enz. Pag. 312. Kants. (verbeeldende de slange beet) lees: daar Mose de Rots slaat)