JOOS WANDELE — KAMERIJK 353
Joos Wandele, klerk der stad Rijsel, door schepenen naar den hertoggezonden om te verkrijgen dat de ketter Gonzalve te Rijsel, en niet teDoornik, terechtgesteld worde (9-10 Maart 1459), III, 86.
Josep(p)ini, kettersche secte, door paus Lucius III op het concilie van Veronaveroordeeld (4 Nov. 1184), I, 52, 54; — door paus Gregorius IX in denkorkban gedaan (25 Juni 1231), I, 76-78; — Statuten door de wereldlijkeoverheid van Rome tegen hen uitgevaardigd en verdienende overal nage-leefd te worden (25 Juni 1231), I, 78-81.
Josfredus, bisschop van Parijs. Paus Gregorius VII vraagt hem een onder-zoek in te stellen over de verbranding van Ramihrdus te Kamerijk (25 Maart1077), [I, 12]; II, 1.
Josset (Jehan). Zie Jan Josset.
Joviniani, kettersche secte, door broeder Robert vervolgd (c. 1233-1238),I, 112.
Judas, gezeid Pehken, ketter van Vertrijck, door den Leuvenschen magi-straat opgespoord (11 Juni 1428), I, 306-307.
Judocus Borre, predikheer en doctor in de godgeleerdheid, bisschop vanHieropolis i.p.i. en suffragaan van Utrecht, neemt deel aan de vervolgingtegen Edo (of Epo) en Nicolaas van Naarden, die te Haarlem als kettersveroordeeld worden (2 April 1458), I, 338, 340.
Julius II, paus, stelt den predikheer ^Egidius van Holland als inquisiteurover het bisdom Luik aan (8 Febr. 1505), I, 495; — slaat al de ketters enhunne begunstigers in den ban der Kerk (1 Maart 1511), I, 499-500.
Justaas Passcaris, ridder, krijgt een hulpgeld van de Gentsche schepenen,omdat hjj tegen Gods viande (ketters?) gehandeld had (1336), II, 94.
Jutte (suster), voorvluchtige ketterin, te Utrecht voor vijf jaar gebannen(1427), I, 306.
K
Kaikar (Calcar). De zaak van de verkiezing van den prior van het predik-heerenklooster dier plaats wordt aan den predikheer-inquisiteur Jan Hou-daen (of van Oudaen) en aan broeder Jacob Venboct toevertrouwd (9 Juli1489), III, 149.
Kaleyser [lees : Kaltyser] (Henricus). Zie Hendrik Kaltyser.
Kamerijk (Cambrai, bisdom). Paus Gregorius VII beveelt aan Josfredus,bisschop van Parijs, een onderzoek in te stellen over de verbranding vanRamihrdus te Kamerijk (25 Maart 1077), [1, 12]; II, 1; — bisschop Nicolaasveroordeelt er den ketter Jonas, van de secte der Catharen (1152-1157), I,34-35; — verscheiden ketters worden op bevel van bisschop Jan II vanBethune te Kamerijk verbrand, terwijl 6ön enkele, die na eene goede biechtmet gelukkig gevolg de vuurproef doorstond, wordt gespaard (c. 1217), I,69; — de inquisiteur Robert is er werkzaam en laat te Kamerijk, met de