139.
(130)"sches, maar met het Oog van een gelovigGemoed aangeschouwt, ofgenoomen, of ge-nooten word.Op dezelfde Wys spreekt hy van het Gehei-menis des Kelks. "Want, zegt hy, wat zietmen in de Oppervlakte anders als de Substan-tie des Wyns? Proef het, het smaakt na Wynsruik het, het ruikt na Wyn; bezie het,heeft de Koleur van Wyn. Maar zo gy hetvan binnen beschouwt, alsdan word niet het"Vocht des Wyns, maar het Vocht van Christi"Bloed door de Gemoederen der GelovigenGesmaakt, wanneer zy het proeven, en erkentwanneer zy liet aanschouwen.Op de tweede Vraag antwoordde hy metden H. Ambrosius, op de volgende Wys: "DezeSpys (zegt die H. Kerk-Leeraar) welkeontfangt; dit levende Brood, dat van den"Hemel nedergedaalt is, verschaft u de Sub-stantie van het eeuwige Leven. Doch hetgeene, dat men ziet, en 'twelk lichamehtgenoomen, met de Tanden gedrukt, doorde Keel ingeslokt, en in den Buik ontfangword, verschaft geenzins het eeuwige Levenikunnende hetgeene, dat aan de Bedervingonderworpen is, de Eeuwigheid niet gevenHetgeene dan, dat zich niet aan de lichamlyke Oogen openbaart, maar hetgeene,met de Oogen des Gelooss word aangeschouwtte weten, het waare Lichaam Christi, en hetwaare Vlees Christi, 'twelk hy van de Maasgenoomen heeft, en na hetwelk hy gekruien begraven is, verschaft de Substantiehet eeuwige Leven.Ratramnus geeft door die Antwoordenhoegzam te kennen, dat hy in het Oog haddegeen