111.
(108)Zondaars niet, maar dat de Godlooze hem bekeertvan zyne Weegen, en leve Ezech. 33. ɣ. 11.Uw uitverkooren Vat de H. Apostel Paulusverkondigt ons in uwen Naam: Dat gy wilt,dat alle Menschen zalig worden. 1. Tim. 2. y. 4.En desniettegenstaande durven die Luiden, deGereformeerde Predikanten meene ik, stoute-lyk zeggen, dat gy niet wilt, dat alle Men-schen zalig worden; maar dat gy de Godloozenvan alle Eeuwigheid af tot de eeuwige Ver-doemenis gepredestineert hebt, en zulks welzonder eenige voorafgaande Schuld of Zondevan haare Kant. O Gruwelen! O Goodloos-heden! Hoe kan, O mededoogende God! uweoneindelyke Goedertierenheid en Barmhertigheid, met eene zulke afgryzelyke Wreedheid,waarmede men uwe Godheid zelf zoekt te be-kladden, bestaan? Dat zyn de luiden,grote Godt die steets schreeuwen: Gods WoordGods Woord! Zy leezen uwe klaare Woorden,dat gy niet wilt, dat de Godloose verdoemtwerde, en zy leeren rechtdraats het Tegen-deel. Vergeve 't hen nochtans, O Vader derBarmhertigheiden t. mischien weten zy niet.wat zy doen, of zeggen. Open haare Oogen,O Licht der Weereld I op dat zy in uw Lichthet Licht van uwe oneindelyke Genade enBarmhertightid moogen zien, zich van haareongelovige Wegen bekeeren, en mede zaligworden. Amen!Ondertuschen kan ik van dat Ondier zoschielijk noch niet afscheiden. Wat zou UE, enyder vernuftig Menseli doch aengen van eenenKoning, die zyne Onderdanen, zonder datdezelve de minste Misdaad bepaan hadden, ver-oordeelde, den eenen om onthoofd te worden,der