209
sommige modernen in het kleine Antid. van Nicolaus, maar nietin oude Codices. De schrijver der Add. trekt heftig te velde tegende arrogantie en onwetendheid der verschillende kruidmengers, waar-van ieder het praeparaat naar eigen goeddunken samenstelt. Hetin L, gegeven recept, ook voorkomende in een aan Arnoldus toe-geschreven Antid., is volgens hem het beste. „Valde est bona me-dicina . .. parum est laxativum, tarnen aliquoties accidit quod mul-tum evacuat')" (J. d. S. A.).
Elimpiados, zie: alipiados.
Elleborus, zie: helleborus.
Elve, „e. dats eiiula campana so wer ment vint" (mnl. tekst).
Ematices, emacites. zie: lapis ematitis.
Emigranea, zie: hemicrania.
Emoptoicus, lijder aan „emoptoe". „emoptaica passio. dats dat .1. menschespuwet bloet".
Epaticus, hepaticus, lijder aan eene leverziekte.
Eryngium, iringium, „kruisdistel; E. campestre L. De beschrijving en
de manier van toebereiden vindt men in den mnl. tekst bij zin-
giber conditum. Zie: secacul.Eruca, E. sativa L. „e. dats hadrec ende wast op dat velt" (Herb.) „e.
cocta cum carne hirci et comesta est diasatyron rusticorum s )" (L T Gl.).
„Venerem revocans e. morantem 3 )" (Virg. Moret). De zaden blijven
t jaar goed.
Esch, Fraxinus excelsior L. In het Antid. komt voor ,,'t säet vandenesche". Zie: lingua avis.
Esdra. „e. heeft sinen name na esdras den prophete die sc ierst vant"(mnl. tekst). Het is eene „confectio magna et opiata" en wordt ge-noemd als bestanddeel van Pot. S c,i Pauli. „E. diu servatur et postvn annos melior est. Nota quod magister Copho et mag. Jo. de Plateain hoc erant gemelli quia fero omnes alii de E. discordebant, dicen-tes quod E. aut nullam aut modicam habebat efficaciam *)" (L T Gl.).
i) Het is een goed geneesmiddel .. . het is weinig laxeerend, maar af en toe ge-beurt het toch wel, dat het sterk werkt.
2) De. boeren laten jemand e. gekookt met bokkevleesch eten, om bij die persoonliefde te wekken.
3) E., dat Venus, als ze op zieh laten wachten, oproept.
4) E. kan men lang bevvaren en is na 7 jaren beter geworden. Opmerkenswaardis, dat mag. Copho en mag. Jo. de Platea (l3e eeuw) ten opzichte hiervan heteens waren, omdat bijna alle anderen van meening verschilden over e. en het öfgeene of geringe uitwerking toeschreven.
14