WILHELMINA VAN PRUISEN.
'k Heb het valienVan uw wallen,Hollands llium, voorspeld;'k Zag het blakenVan uw dakenEn uw Hectors neergeveld.
147
Doch de dampenDezer rampen,
Doch de nevels dezer nachtZullen brekenBij 't ontsteken
Van den dag, waarop zij wacht.
Mocht mijn lippenDit ontglippen,
Wat mijn brekend oog hier ziet!Mocht ik 't zingen,
En mij dringenDoor dit wemelend verschiet!
Ja zij zullenZich vervullenDeze tijden van geluk!
Deez' ellendenGaan volenden
En verpletterd wordt het juk.
Bü!^