EK AMALtA VAN ANHALT. 5
geraakt, maar voorat daarin dat, ai mocht prins Wiiiem Ideze verbintenis gaarne hebben gezien, graaf Jan zijner-zijds daartegen groote zwarigheden maakte. Ai had dezeiaatste zich zeiven en het zijne niet gespaard, waar het goidzijnen broeder ter zijde te biijven, hij zag toch met smartzijne Duitsche erfianden vervaiien door de voortdurendeafwezigheid van den vorst; en dit maakte hem afkeerig vaneenen echt, die zijnen oudsten zoon siechts te nauwer aanden dienst der opgestane Nederlanden zoude verbinden.Zoodra graaf Jan met de afsluiting der Unie van Utrechtzijn taak ais stadhouder van Gelderland als algeloopenmeende te kunnen beschouwen, was hij naar zijne Nas-sausche Staten teruggekeerd en daarheen riep hij thans ookWillem Lodewijk terug. Hij had het maar al te gevoeligondervonden, schreef hij zijnen zoon : „quam magnum vecti-,,gal parsimonia sit, und des Herrn auge das Pferd fett macht;„item des Herrn fusz den acker bessert."
Doch Willem Lodewijk verklaarde zijnen vader rond enopen, dat ook hij „eene goddelijke roeping gevoelde", omde „rechtvaardige zaak in de Nederlanden mannelijk te„verdedigen en daarbij, dat hij óf ongehuwd zoude blijvenóf prinses Anna huwen. Ten slotte gaf graaf Jan na langberaad hem verlof, om „zu ehester gelegenheit lort zu lahren;"en verzekerde der bruid, die geen ander huwelijksgoedaanbracht dan vage vooruitzichten en aanspraken op haarouderlijk erfdeel, waaraan als de tijdsomstandigheden keeren
') Dr. L. H. Wagenaar. Het huwelijk van Anna van Nassauen Willem Lodewijk. Je Maintiendrai. 1.