36
daarnevens Matth. X: 16, aan de andere zijde van den boom eenvogel op den grond staande, nret een takje in den bek.
Behalven over ecnige minder dikwerf voorkomende Insignia, vanwelke wij spreken zullen bij bet vermelden der door de verschillendeVan Waesberge's uitgegeven boekwerken, wil ik met een enkelwoord bier echter nog van de volgende gewagen.
Een kwam mij voor op het titelblad van een werkje: „EpictetusIlantboecxken," te Antwerpen bij Jan van Waesberge in 1564 uit-gegeven. Den Heer Hoifmann (1) viel ditteeken, de Zeegod Tritonop een schelp het trompet blazende, achter hem een slang, die zichin den staart bijt, met het dévise „Litterae immortalitatempariunt,"mede op. Daar het dus weinig bekend is, voeg ik er hierna, bij devermelding van dit boekske, eene afbeelding van bij. Beide werkjeswerden wel door Van Waesberghe uitgegeven, maar niet gedrukt.
Een ander mij opgevallen teeken is dat van een Laurierstruik.
Joliannes Janszoon van Waesberge te Amsterdam, van wien wijhierna spreken, woonde aldaar op het Water, in den Laurier. Alsuithangbord komt dan ook de Laurier voor op een in 1660 uitgegevenwerkje. Het is bij hem, dat ik den Laurierstruik in meerdere, doorliem uitgegeven werken aangetroffen heb.
Nog is mij in een door hem bezorgd werkje, getiteld: „JacobusCruci Suada Delpliica, 1675," 12°, een ander Insigne voorgekomen.Het is eene Eortuin, staande in Zee op een' gevleugelden wereldkloot;de Zon is aan de kim zigtbaar. Tot randschrift heeft dit Insigne dewoorden: „Spero fortunse regressum." Voor wat en van wien nuhebben wij dit Insigne te houden?
hlogen wij, uit het aireede medegedeelde , opmerken , dat de naspo-ringen betreffende het bedrijf en de indnstrie der Van Waesberge's,en hunne verdiensten voor den boekhandel niet zonder vrucht waren,wij zullen gelegenheid hebben na te gaan, hoe zij zich allengskensmeer en meer ontwikkelden en hun naam, een tijd lang, een dervermaardste in de Noordelijke Nederlanden werd.
Wij zien het bij hen, hoe eigen kracht naar buiten werkt en hoever men het brengt, wanneer zij geoefend wordt; terwijl, waar zijontbreekt of te ontbreken aanvangt, men vaak genegen is naar eeneoorzaak buiten zich te zoeken, terwijl zij in eigen boezem schuilt.De kracht der vaderen is niet altoos bij de zonen te vinden.
Zoo werd de kracht der Van Waesberge's bij het uitsterven vanhunnen tak, die zich naar Amsterdam verplaatst had en die dengrootsten roem verwierf, gebroken en door niet één der aanverwan-ten, noch door den hoofdstam te Rotterdam, de handel, die zichginds ontwikkeld had, opgevat of gehandhaafd. Van daar dat menhunnen naam al schaarscher en schaarscher vermeld vindt, en hijdaar niet meer vernomen wordt, waar hij mede vooraan had moetengaan.
(1) Zie Bulletin du BiBliopli. Beige. Tomc XX, p. 27). Aangaande de aldaar Be-sproken ;<Hpitrcs de Jcan Tissier" verwijzc ik naar liet Bijvoegsel mijner Uitgave:Tiet geslarlit Van WaesBerglie, BI. 22(1.