KAMERIJK 355
van den magistraat (29 Maart 1414), I, 280-281; — in dit bisdom en in deomliggende veel geheime bijeenkomsten van ketters (vöör 7 Mei 1416), II,204, 207; — de Doorniksche augustijn Nicolaas Serrurier predikt er ketter-sohe sermoenen (vöör 7 Mei 1416), II, 205, 208, 237; — de bisschop zendtden inquisiteur naar Doornik am er een onderzoek in te stellen betreffendeJacob Toriel, te Kamerijk als ketter gevangen (vöör 16 Mei 1427), III, 72;— de Bretonsche karmeliet Thomas Conecte predikt er verdachte sermoenen(1428), I, 307-310; — Adriana Faneuse in dit bisdom wegens ketterij terdood gebracht (vöör 1430), I, 318; — Johanna de Mons, van Valencijn, diete Kamerijk onder verdenking van ketterij gekerkerd was en zieh vöörden afloop van haar proces verhing, wordt door bisschop Jan en den inqui-siteur Simon de Lande als kettersch veroordeeld, haar lijk wordt nietbegraven en hare goederen worden verbeurdverklaard (1430), I, 318; —de predikheer Hendrik Kaltyser als pauselijk inquisiteur door den Duit-schen provinciaal in de bisdommen Luik en Kamerijk aangesteld en doorhertog Philips van Bourgondiö aan al zijne ambtenaren dier geestelijkegebieden aanbevolen (9 Nov. 1431), I, 323-324; — de koordendraaier Ber-trand Parent van Bergen wordt te Kamerijk onderzocht en te Bergen doorden inquisiteur Jan Delawie (lees : de l'Abbaye) wegens ketterij en gods-lastering bepredikt (24-25 Mei 1447), I, 325; — Bertrand Parent wordt teBergen als hervallen ketter verbrand (15 Sept. 1447), I, 325; — geschiltusschen den bisschop en den magistraat van Valencijn over het vervolgenvan Jacob Charlon en "Willem Delamotte, verdacht van ketterij (vöör 21 Mei1447-19 Febr. 1448), I, 326-327; — de Kamerijksche deken Gillis Carlier isin allerlei kettervervolgingen van het bisdom en van de omliggende geeste-lijke gebieden als raadsman werkzaam (1448-1472), I, 327-329, 342-345, 348-352, 412-422, 424-443; — Jacob Acarin van Chaussee-Notre-Dame, te Kame-rijk door den bisschop Jan van Bourgondie en den inquisiteur Jan delAbbaye als lasteraar van Maria veroordeeld tot eene beprediking te Kame-rijk en te Zinnik, drie jaar gevangenschap op water en brood en andereboetedoening (3 Juli 1451), I, 330-333; — Jennin, van Inchy, wegens ketterijen omgang met den duivel door het geestelijk hof veroordeeld tot eenebeprediking en het dragen van een kruis op zijn kleed, maar daarna alshervallen ketter verbrand (c. Juni 1460), I, 356-357; — Denijs Soncaine,minderbroeder van het Kamerijksche klooster, wordt vöör het geestelijkhof van Kamerijk vervolgd wegens twee verdachte sermoenen, door hemte Valencijn gepredikt, en moet die, nadat ze door den deken Gillis Carlierkettersch bevonden waren, op bevel van de vicarissen-generaal van Kamerijkopenbaar te Valencijn herroepen (25 Aug. 1463 en later), I, 398-409; —een minderbroeder predikt te Kamerijk een verdacht sermoen (4 April 1466),I, 412-413; II, 391; en wordt door de vicarissen-generaal tot herroepinggedwongen, I, 419-422; — een lasteraar der Maagd Maria door de vicaris-sen-generaal vervolgd (vöör 23 Nov. 1472), I, 424; — de bisschop vraagtaan Carlier zijn oordeel over de verdachte Stellingen, die Jan Leonis namensde stad Mechelen tegen een kerkelijk interdict heeft verdedigd (vöör 23 Nov.1472), I, 425-427; — Carlier raadt tot het vervolgen van de personen, die teKamerijk een Christusbeeld hebben afgeworpen (vöör 23 Nov. 1472), I, 427-428; — Matthaeus Mignot met twee anderen vervolgd (vöör 23 Nov. 1472),