Druckschrift 
3 (1906) 1236-1513
Entstehung
Seite
297
Einzelbild herunterladen
 

GEESELAARS 297

(c. 1380), I, 248-249; — hem wordt door den bisschop van Utrecht de vol-macht om in zijn geestelijk gebied te prediken ontnomen (e. 1380), I, 244; —wordt door "Willem van Salvavarilla aan paus Urbanus VI als predikeren inquisiteur warm aanbevolen (21 Oct. 1383), I, 250-251; — predikt ser-moenen te Deventer om de Broeders en Zusters tegen de verdenking vanketterij te verdedigen (vöör 1384), II, 150-151; — Inj en de Broeders vanhet gemeene leven worden verdachtgemaakt van ketterij en door de siechtegeestelijkheid voor Beggarden, Lollarden en Begijnen gescholden, die denvuurdood verdienen, maar vinden eenen verdediger in Jan ter Poorten,schepen van Deventer (c. 1384), III, 46-47.

Geeselaars, kettersche secte. Zij heeten : Gheeseleers, I, 640; II, 115, 118;

— Gheeselbruederen, II, 115, 134; — Cruusiroeders, I, 196, 639, 640; II, 115, 118,127, 133, 136, 189; — Cruciferi, I, 198; — Flagellant, III, 23; — Flagellews,

II, 123; — Flagellantes, I, 200; — Flagcllatores, I, 197, 198, 201, 2C3; II, 111,113, 114, 119, 120, 124, 125, 132, 190; III, 14, 20, 22, 31, 36, 38, 49; —Balleurs, II, 117; — Penans, Pe'ne'ans, II, 117, 130, 131; — Pcnanchiers, II,112, 113, 141; — Penitenciers, II, 130; — Poenitentes, II, 102, 103, 104, 105,109, 110; — Pelgrimc, II, 114; — noemen zieh onderling hroeders (fratres),

III, 15; — in Duitschland of in Hongarije wellicht door cenen geestelijkeontstaan, na de verschrikkelijke pest van 1349, waaraan eene algemeenezedeloosheid was voorafgegaan, I; 197; II, 96, 100, 101, 120, 122, 124, 130,

132, 133, 135, 136; III, 29, 33; — voorzegging van Johannes de Muris aan-gaande de Joden en de Geeselaars, II, 98, 104-105; — hunne verplichtingen,gebruiken, kleeding, manier van boetedoen, bijgeloovigheden en mirakels,I, 192, 194, 195-198, 639-640; II, 99, 106-107, 108-109, 120-136; — hunne ver-dachte Stellingen en handelingen, II, 98, 105, 120, 123, 125, 126, 129, 132,

133, 136; III, 17-18, 21-23, 35-37; — zij zingen liederen, elk in zijue moeder-taal, te Doornik, II, 108; te Londcn, II, 121; te Luik, II, 122, 123; 111,20;in het Dietsch, II, 128, 131, 135; in het Waalsch, II, 123; — lied derNederlandsche Geeselaars (1349-1350), I, 196-197 ; II, 136-139; — lied derWaalsche Geeselaars (1349-1350), II, 139-140; III, 23-28; — hun haat tegende Joden, die zij beschuldigen door het vergiftigen der waterputten degroote smetziekte en sterfte te hebben verwekt en deswege overal zoekenuit te moorden (1349), I, 194-195, 196-197, 199, 200-201; III, 29, 36-37; —groote vrees der geestelijkheid en haat tegen hen, II, 129; — belangrijkeverbetering der zedelijkheid onder den invloed der Geeselaars, II, 98, 104,135; — vrouwen in de Geeselaarsbeweging, II, 09, 106, 120, 125, 126, 132;

— veel werd er door tijdgenooten zoowel in het Fransch als in het Latijnover de Geeselaars geschreven, II, 107-108, 110; — in latere kronijkenspreekt men van siechte mannen en vrouwen onder hen, II, 132, 133, 136;

— verspreiden zieh over Hongarije, Bohemen en andere landen van hetOosten, en, in het Noorden, over Friesland, Brabant, Henegouwen, Viaan-deren en Picardie (vöör 5 Oct. 1349), III, 29,33; — komen uit Duitschlandnaar Luik (c. 24 Juni 1349), II, 122; III, 20; — de Luikenaars volgen hetvoorbeeld der Duitscho Geeselaars en vertalen hunne liederen (1349), II,122-124; — de Lollarden voegen zieh bij de Geeselaars (1349), II, 132; —de Geeselaars komen te Gent (Juni 1349), II, 136; — de Brugsche Geese-laars zenden hun reglement aan het kapittel van Doornik (sede vacante) ter

20