364 KETTERSCHE GESCHRIFTEN — RINDEREN
van Maria de Valentianas (c. 1400), 188 ; — een-en-dertig dolingen van denaugustijn Nicolaas Serrurier van Doornik (1418), 211-213; 238-239 ; — ver-dachte handelingen en Stellingen toegeschreven aan de Broeders en Zustersvan het gemeene leven door den predikheer Grabow (o. 1418), 217-220.
Kettersche of verdachte Schriften. Libellus van den Luikschen priesterLambert le Begue, door zijne vijanden als kettersch aan paus Calixtus IIIgezonden (1175-1177), 11 ; — zijne vertaling in de moedertaal van Maria'sleven en van de Handelingen der Apostelen, 25, 30 ; 33, 35; — zijn Antigra.phum Petri, waarvan een afschrift aan paus Calixtus III werd aangeboden,26, 31;—psalmboek in de moedertaal, door eenen Vlaamschen meestergeschreven, 25, 31 ; — Duitsche vertalingen der H. Schrift in omloop onderde kettersgroepen te Trier (1231), 41; — geschrift van de Henegouwschekettersche begijn Margaretha Porete, te Parijs door de godgeleerden derHoogeschool onderzocht en veroordeeld (1310), 63, 64; — kettersche verta-ling der H. Schrift door de Henegouwsche begijn Margaretha Poretegemaakt (1310), 64, 65 ; —kettersch geschrift te Gent do or Margaretha sMoenxter lezing gegeven (1351), 142 ; — kettersch libellus van Maria de Valentianas(van Valencijn ?) (c. 1400), 188; — Fransche vertalingen uit het Latijn vankettersche leerstelsels door den augustijn Nicolaas Serrurier te Doornik(c. 1416), 208 ; — kettersche aanklacht van den predikheer Grabow tegen deBroeders en Zusters van het gemeene leven op het Concilie te Constanz(c. 1418), 220, 221 ; — zijn tractatus vel libellus of grande ■columen tegendezelfde (c. 1418), 221, 225, 226, 228 noot; — cedulles, volles et quoyers del'heresie de ceula de Peraghe (Praag) et de Behagne (Bohemen), d. i. deHussieten, door Gillis Mersault te Doornik in den nacht op een honderdtalplaatsen rondgestrooid (1423), 247, 248.
Kkulen (Cologne). De Geeselaars dier stad te Mechelen door den magistraatgespijzigd (1349), 115; — bode naar die stad gezonden aan de MechelscheGeeselaars, die er zieh bevonden (1349), 115 ; — over die stad komen deDansers naar de Nederlanden (1374), 144; — een onbekende verdedigt tegende inquisiteurs de Broeders en Zusters van het gemeene leven der provincieKeulen (1397 ?); 169-172 ; — eenige voorname godgeleerden dier geestelijkeprovincie geven een gunstig oordeel over de Broeders en Zusters (1398),176-180 ; — de inquisiteur Gyselbertus van Utrecht stelt er zijnen medebroe-der Jacob van Soest tot ketterjager aan in de bisdommen Keulen, Utrecht,enz. (1409), 106, 197 ; — de predikheer Matthaeus Grabow uit de geestelijkeprovincie Keulen gebannen wegens zijne valsche aanklacht tegen de Broe-ders en Zusters van het gemeene leven te Constanz (1419), 225.
Rinderen (van ketters). Geldigheid der priesterwijding gegeven aan eenengeestelijke van het bisdom Doornik, voordat zijne ouders van ketterij over-tuigd werden en voordat de kinderen van ketters door eene pauselijke wetonbekwaam werden verklaard om geestelijke ambten te bedienen (c. 1231 ?),39; — zonen en afstammelingen van ketters buiten alle openbare ambtengesloten in het koninkrijk Frankrijk (1329), 90, 91; — zij erven niet van hunnekettersche ouders in hetzelfde koninkrijk (c. 1398), 185, 187 ; — de rechtge-loovige kinderen erven in het kertogdom Brabant (c. 1495), 281, 285,